Myrica Cerifera
van Constantine Hering — De leidende symptomen van onze Materia Medica
Wasmirte. Myricaceæ.
Een struik van drie tot tien voet hoog. Hij groeit in zandige grond langs de zee en langs de oevers van onze noordelijke meren en heeft een kruidige geur. De tinctuur wordt bereid uit de verse schors van de wortel.
Provingen door Chase, Collis, Wesselhœft C., Krebs, Linnel (Trans. Hom. Med. Soc. Mass., 1864, vol. 2, p. 397), Walker (Hale's New Rem, 2d ed., p. 728), Sharp (M. Hom. Rev., vol. 20, p. 749).
KLINISCHE BRONNEN.
- Aandoening van de keelholte , Preston, Hom. Phys., vol. 4, p. 158 ; Leverstoornis , Bowie, Hah. Mo., vol. 12, p. 362 ; Geelzucht , Simpson, Hah. Mo., 1886, p. 824.
GEMOED [1]
Grote moedeloosheid ; vreselijk neerslachtig ; prikkelbaar.
Aangename opgewektheid, gevolgd door neerslachtigheid en druk rond het hoofd.
Gebrek aan concentratievermogen ; doffe, slaperige toestand.
SENSORIUM [2]
Duizeligheid : met dofheid en slaperigheid ; met bloedaandrang naar hoofd en gelaat bij bukken ; met misselijkheid.
HOOFD, INWENDIG [3]
Wordt wakker met pijnen in voorhoofd, slapen en onderrug.
Dof, zwaar gevoel boven en in de ogen ; slaperigheid ; geelzucht.
Doffe, zware pijn in voorhoofd en slapen bij het ontwaken in de ochtend.
Hoofdpijn, met pijn en stijfheid in de nek.
Leeg gevoel in het hoofd.
GEZICHT EN OGEN [5]
Ogen bloeddoorlopen en geel.
Ogen en sclerotica hebben een vuile, grauwe, gelige tint, oogleden abnormaal rood.
Ogen voelen dof en zwaar ; ook bij het ontwaken.
Ogen branden en vermoeien gemakkelijk bij het lezen ; oogleden zwaar.
Schrijnend gevoel in de ogen, met gevoel alsof er zand in zit, moeite om de oogleden te sluiten.
GEHOOR EN OREN [6]
Oorsuizen, met lichte duizeligheid ; ook met druk rond het hoofd.
Oorsuizen in het linkeroor.
REUK EN NEUS [7]
Hevige neuscatarrh in de ochtend.
Fetide en bloederige ozaena.
BOVENSTE GELAATSHELFT [8]
Gelaat geel, geelzuchtig.
Volheidsgevoel met warmte en kloppen, vooral na in de open lucht te zijn geweest.
TANDEN EN TANDVLEES [10]
Drukgevoelig, sponsachtig en bloedend tandvlees.
SMAAK, SPRAAK, TONG [11]
Smaak : slecht, vies, hij kan daardoor niet eten ; bitter ; misselijkmakend.
Tong vuilgeel beslagen.
Dikke, gelige, donkere, droge en korstige beslaglaag op de tong, waardoor zij bijna onbeweeglijk wordt.
MONDHOLTE [12]
Mond droog ; dorst, water > gedeeltelijk en tijdelijk.
Kleverige bedekking over het wangslijmvlies ; droge, schilferige korsten op het gehemelte, die door water nauwelijks bevochtigd of opgelost worden.
Aften ; folliculaire stomatitis.
GEHEMELTE EN KEEL [13]
Ulceratie van de fauces.
Catarre van keel en achterste neusgangen.
Afteuze tonsillitis.
Draderig slijm, moeilijk los te maken ; vies ruikend, taai in neus en keel.
Keelholte droog, pijnlijk alsof zij zou openbarsten, waardoor het slikken wordt bemoeilijkt en tenslotte belemmerd.
Slijmerig, kleverig, schuimig slijm in de keelholte, door gorgelen nauwelijks los te maken ; veroorzaakt een walgelijke smaak, die eten verhindert.
APPETIJT, DORST. VERLANGEN EN AFKEER [14]
Honger, maar toch een vol gevoel alsof na een stevige maaltijd.
Verlies van eetlust, afkeer van voedsel.
MAAGKUIL EN MAAG [17]
Onbeschrijfelijk gevoel van onbehagen in de epigastrische streek ; volheid en druk ; zwak, wegzinkend gevoel.
HYPOCHONDRIEËN [18]
Doffe pijn in de rechterzijde, direct onder de ribben ; dikke geelwitachtige beslaglaag op de tong, geen eetlust, verlangen naar zure dingen, niet-verkwikkende slaap. θ Leverstoornis.
Trekkende pijn in de rug ; ellendig gevoel over het hele lichaam ; doffe pijn in de leverstreek ; geen eetlust ; afkeer van voedsel ; slapeloosheid. θ Leverstoornis.
Zeer moedeloos ; doffe, zware hoofdpijn, < in de ochtend ; geelheid van de sclerotica, met roodheid van de oogleden ; tong vuilgelig beslagen, alsof met modder besmeerd ; smaak bitter ; stinkende adem ; geen eetlust ; geelheid van de huid ; donkergekleurde urine, als ale ; voelt zich zeer zwak en slaperig ; met veel pijnlijkheid en pijn, < in de onderste ledematen.
Vale gelaatskleur ; tong dik beslagen ; adem stinkend ; taaie, dikke, misselijkmakende afscheiding in de mond ; geen eetlust ; ontlasting bleek ; urine donker ; uiterste matheid ; grote slaperigheid overdag ; buikpijn en drukgevoeligheid, < in de leverstreek. θ Geelzucht.
Geelzucht : volheid van de leverstreek en van de bovenbuik ; slaperigheid, zwakte ; ontlasting weekbrijig, kleikleurig.
ABDOMEN EN LENDEN [19]
Zwak, flauw gevoel alsof diarree zou volgen.
Nijpende pijnen, gerommel, aandrang tot stoelgang, waarbij alleen winden worden gelaten.
ONTLASTING EN RECTUM [20]
Laat zeer stinkende winden.
Ontlasting : dun, brijig, met tenesmus en krampachtig gevoel in de navelstreek ; lichtgeel ; brijig, kleikleurig (geelzucht).
Dunne, lichtgekleurde ontlasting, die dagelijks lichter wordt, totdat zij askleurig werd en galvrij was.
Chronische diarree ; diarree van teringlijders.
URINEWEGEN [21]
Urine : sterk gekleurd, verzadigd met de kleurstof van gal ; bierkleurig, met gelig schuim ; roze-bruin bezinksel ; donker en troebel.
MANNELIJKE GESLACHTSORGANEN [22]
Chronische gonorroe.
VROUWELIJKE GESLACHTSORGANEN [23]
Leucorroe, bijtend, fetide, dik en gelig, al verscheidene jaren bestaand.
STEM EN LARYNX. LUCHTPIJP EN BRONCHIËN [25]
Chronische bronchitis.
HOEST [27]
Hoest : kietelend 's nachts bij liggen ; overvloedige expectoratie ; < door spreken ; chronisch, met overvloedige expectoratie en veel irritatie van de keel.
BORST, INWENDIG EN LONGEN [28]
Pols : slagkracht toegenomen, maar 60 ; zwak, onregelmatig ; traag.
NEK EN RUG [31]
Pijn in de achterzijde van de nek.
Doffe, zeurende, trekkende pijn bij lopen ; matheid, hoofdpijn.
RUST. HOUDING. BEWEGING [35]
Liggen : hoest.
Bukken : bloedaandrang naar hoofd en gelaat.
Kan de tong niet bewegen : dikke beslaglaag.
ZENUWSTELSEL [36]
Lichte nerveuze opgewondenheid en onrust, gevolgd door een ziek, verzwakt gevoel dat het meest kenmerkend is.
Zwak en slaperig ; spierpijnlijkheid en pijn in de ledematen.
Grote zwakte. θ Geelzucht.
SLAAP [37]
Slaperigheid, duizeligheid, half-stupor.
Onrustig, of slaapt diep tot tegen de ochtend ; wordt meestal wakker met een verergerd gevoel.
Ontwaken met doffe frontale hoofdpijn.
Slaperigheid met en na hoofdpijn.
TIJD [38]
Ochtend : doffe pijn in voorhoofd en slapen ; hevige neuscatarrh.
Overdag : grote slaperigheid.
Nacht : kietelhoest.
TEMPERATUUR EN WEER [39]
Open lucht : warmte en kloppen in het gelaat ; veroorzaakt rillerigheid.
KOORTS [40]
Rillerigheid bij naar buiten gaan, lichte pijn in de lendenstreek.
Opgewonden, koortsig gevoel, afwisselend met rillerigheid ; warm gevoel langs de wervelkolom, daarna koude rilling en lichte transpiratie.
Gelaat heet en rood doorlopen.
Nachtzweten. θ Phthisis.
AANVALLEN, PERIODICITEIT [41]
Gedurende verscheidene jaren : leucorroe.
LOKALISATIE EN RICHTING [42]
Rechts : doffe pijn in de zijde.
Links : oorsuizen in het linkeroor.
GEWAARWORDINGEN [43]
Alsof er zand in de ogen zit ; keelholte alsof zij zou openbarsten ; vol gevoel, alsof na een stevige maaltijd ; tong alsof met modder besmeerd ; alsof diarree zou volgen ; jeuk als van vlooienbeten.
Pijnen : in voorhoofd, slapen en onderrug ; in de nek ; in de leverstreek.
Pijnlijkheid : van de keelholte ; van de spieren.
Nijpende pijnen : in het abdomen.
Krampachtig gevoel : in de navelstreek.
Schrijnend gevoel : van de ogen.
Branden : van de ogen.
Zeurende pijn : van de spieren ; in de ledematen ; in de lendenstreek.
Trekkende pijnen : in de rug.
Doffe, zware pijn : in voorhoofd en slapen.
Doffe pijn : in de rechterzijde ; in de leverstreek.
Druk : rond het hoofd ; in de maag.
Dof, zwaar gevoel : boven en in de ogen.
Drukgevoeligheid : van de leverstreek.
Volheid : in de maag ; van de leverstreek.
Warm gevoel : langs de wervelkolom.
Onbeschrijfelijk gevoel van onbehagen : in de epigastrische streek.
Leeg gevoel : in het hoofd.
Zwak, wegzinkend gevoel : in de maag.
Stijfheid : in de nek.
Droogheid : van de keelholte.
Jeuk : van de huid.
WEEFSELS [44]
Catarre van slijmvliezen ; mond, keelholte, galgangen enz.
Musculaire mankheid, matheid, neerslachtigheid.
Toestanden van inzinking, met of zonder geelzucht ; zwakte ; taaie toestand van het slijm, schaarse, klevende, korstvormende afscheidingen op tong en in mond en keelholte.
Granuleuze oogleden en keel.
Geülcereerde mond en keel.
Difterie : dikke, ontaarde slijmafscheidingen, moeilijk los te maken.
Chronische, stinkende, irriterende leucorroe ; overvloedige catarrale afscheidingen die doorgaans al lang bestaan.
HUID [46]
Gele, geelzuchtige aanblik ; jeuk als van vlooienbeten.
Geelheid van de huid van het hele lichaam.
LEVENSFASE, CONSTITUTIE [47]
Gezette persoon, æt. 50 ; geelzucht.
Man, æt. 70 ; lang, krachtig ontwikkeld ; aandoening van de keelholte.
RELATIES [48]
Vergelijk : Asar. can., Acid. benz., Berb. vulg., Bromine, Chimaph., Corn. circ., Chelid., Cubeba, Digit., Eryng. aquat., Eupat. arom., Hydr. can., Hepar sulph., Kali bich., Laches., Merc. iod., Podoph., Spongia .