Arsenicum Album
van Constantine Hering — De leidende symptomen van onze Materia Medica
Verlies van bewustzijn. θ Duizeligheid. θ Tyfus. θ Hartziekte. θ Gele koorts.
Verlies van bewustzijn en neervallen vóór een epileptische aanval.
Zij lag op bed in bewusteloze toestand, mompelend, met starende ogen, koud zweet op het voorhoofd, over het hele lichaam bevend, pols klein, hard en zeer snel.
Stupor, onderbroken door angstig gekreun. θ Kind met gastritis mucosa.
Geheugenverlies. θ Gele koorts.
Gedachten dringen zich aan hem op; hij is te zwak om ze af te weren of aan één gedachte vast te houden.
Wanneer hij alleen is, gaat hij denken aan ziekte en allerlei andere dingen, die hij nauwelijks uit zijn gedachten kan houden.
Somber voorgevoel terwijl hij 's avonds in bed ligt; vreest dat zijn familie iets kan zijn overkomen.
Gedachten aan de dood en aan de ongeneeslijkheid van zijn kwaal. θ Kankerinoculatie.
Vaste gedachte dat hij en zijn gezin van honger zullen sterven.
Dofheid en zwakte in het hoofd, kan niet denken en is prikkelbaar; alsof hij zwaar verkouden was of slaap had gemist.
Geestesstoornissen met levensmoeheid bij dronkaards.
Zwakzinnigheid.
Stompzinnigheid, met gehoorverlies en bijna volledige blindheid.
Denkt dat hij moet sterven. θ Migraine.
Kwelende hallucinatie, alsof er iemand naast hem was die alles deed wat hij deed, eten, wassen, enz. θ Diabetes mellitus.
Hij ziet allerlei ongedierte op zijn bed, grijpt er handenvol van weg en probeert eraan te ontkomen.
Hij verbeeldt zich in zijn kamer inbrekers te zien en luistert onder het bed; hij is badend in koud zweet.
Periodiek terugkerende waanvoorstellingen.
Spreekt wartaal, met open ogen, en beseft niet dat hij ijlt.
Delier. θ Gele koorts. θ Tyfus.
In haar delier denkt zij dat zij gezond is; meisje, æt. 7.
Delier, met grote uitputting.
Delier tijdens de hitte, bewusteloosheid, manie, wil vastgehouden worden; met scheurende hoofdpijn. θ Intermitterende koorts.
Manie; hoofdpijn; verschrikkelijke angst, geruis in zijn oren alsof van vele klokken; ziet een man die zich heeft opgehangen en hem toewenkt om hem los te snijden; wanneer het hem niet lukt dit te volbrengen, probeert hij zich op te hangen; wordt hij daarin verhinderd, dan raakt hij wanhopig en wordt zo onrustig dat hij nauwelijks in bed gehouden kan worden, verliest de spraak, bij vol bewustzijn, probeert te schrijven, maar kan slechts onbegrijpelijke tekens maken; hij beeft, weent, zijn voorhoofd is bedekt met angstzweet, knielt ten slotte neer en heft zijn handen smekend op.
Razernij; moest worden vastgeketend.
Haar verlangens zijn groter dan haar behoefte; zij eet en drinkt meer dan goed voor haar is, en loopt verder dan zij zou moeten.
Suïcidale manie.
Een barbier voelde de neiging de keel van zijn klanten af te snijden.
Praten en ruziemaken in de slaap.
Grote spraakzaamheid, zowel wakend als slapend.
(Bij zieken:) Als er mensen naar hem kwamen kijken, voerde hij zelf het hele gesprek. θ Kankerinoculatie.
Hij weende en jammerde, maar sprak weinig.
Hysterisch huilen, in plaats van vrees.
Jammeren en tandenknarsen.
Luid jammeren, kreunen en huilen. θ Tijdens de menstruatie.
Deerniswekkend klagen, grote angst en onrust, met onaangenaam gevoel in het abdomen en dyspneu.
Schel, deerniswekkend gekreun, onderbroken door flauwteaanvallen.
Weeklagen, wanhoop over het leven. θ Koliek.
Schreeuwen van de pijn. θ Hoofdpijn.
Luid schreeuwen; zegt dat er iets in hem is dat schreeuwt.
Plukken aan de bedkleren. θ Tyfus.
Vrees jaagt hem uit bed; hij verbergt zich in een kast.
Loopt 's nachts door het huis op zoek naar dieven.
Haastig in al zijn bewegingen; grijpt gretig naar een glas of naar alles wat het wil hebben. θ Eclampsie.
Zegt weinig, maar klaagt over vrees.
Afkeer van elke bezigheid.
Kalm gemoed; bleef hetzelfde, wat er ook gebeurde.
Afkerig van het ontmoeten van bekenden, omdat hij zich verbeeldt dat hij hen vroeger beledigd heeft, hoewel hij niet weet hoe.
Zielenrust. θ Bij een man die aan melancholie leed.
Eerst grote rust en opgewektheid, na een half uur gevolgd door verschrikkelijke onrust en angst; t.
Geneigd tot opgewektheid en activiteit.
Voelt zich onbehaaglijk en beleeft nergens plezier aan.
Overgevoelige, fijnbesnaarde stemming; droevig en geneigd tot huilen; het minste of geringste maakt haar van streek.
Haar gemoed is neerslachtig, droevig. θ Terugval van intermitterende koorts.
Droevig en somber, met onrustig woelen.
Melancholie, droefheid na de maaltijd. θ Hoofdpijn.
Melancholie na geestelijke overinspanning.
Melancholie; na financiële verliezen; kan niet worden getroost; denkt dat hij samen met zijn gezin van honger zal moeten sterven; slapeloze nachten; loopt rond, de handen wringend, met jammeren en kreunen.
Diepgewortelde melancholische aandoening; hield op nadat tetterachtige zweren op de onderste ledematen verschenen.
Periodieke aanvallen van melancholie alleen in de schemering; soms 's nachts; vrouw æt. 65.
Religieuze melancholie; hopeloosheid, wanhoop.
Vrees om alleen gelaten te worden. θ Na ergernis. θ Dysmenorroe.
Doodsvrees wanneer hij alleen is of naar bed gaat.
Doodsvrees. θ Na ergernis. θ Aziatische cholera.
Angst en onrust, < na middernacht.
Hypochondrische angst, die schijnt te ontstaan in het bovenste deel van de borst; onrust, geen hartkloppingen.
Angst en ongeduld.
Overmatige angst. θ Hoofdpijn. θ Hematemesis. θ Koliek.
θ Intussusceptie. θ Longoedeem. θ Hydrothorax.
θ Mazelen, enz.
Angstaanvallen 's nachts, die hem uit bed drijven. θ Manie.
Grote angst, moet uit bed opspringen. θ Ascites.
Frequente angstaanvallen, < 's nachts; doodsvrees. θ Influenza. θ Diarree.
Angst en onrust. θ Rilling bij intermitterende koorts. θ Hepatitis.
Angst en onrust met pijn; flauwvallen van de pijn. θ Gastralgie.
Grote zielsangst, woelend heen en weer. θ Koliek. θ Pneumonie. θ Emfyseem.
θ Intermitterende koorts.
Precordiale angst, voelt een beklemming.
Angst als van iemand die een moord heeft begaan; van de ene plaats naar de andere gedreven; vermijdt mensen te ontmoeten, in de gedachte dat hij hen beledigd heeft. θ Manie.
Verschrikkelijke angst, met opwellingen van hitte; onrustige blik, overdag noch 's nachts rust; neiging tot zelfmoord. θ Manie.
Grote vrees, onrust, beven, koud zweet, uitputting.
Grote angst, met beklemming van de borst en dyspneu.
Grote zielsangst en onrust. θ Strictuur van de oesofagus. θ Gastralgie. θ Hematemesis.
θ Koliekpijn.
Onbeschrijfelijke zielsangst, onrust. θ Metritis. θ Pericarditis.
θ Aziatische cholera.
Angst, met misselijkheid en een knagend gevoel in het maagkuiltje. θ Rilling.
Grote moedeloosheid. θ Scheurbuik.
De pijnen lijken ondraaglijk, drijven iemand tot wanhoop en razernij. θ Hoofdpijn.
Grote onverschilligheid. θ Gele koorts. θ Tyfus.
Apathie; als zij door luid roepen gewekt worden, openen zij met moeite de ogen en staren u aan. θ Tyfus.
Opgewektheid, afwisselend met slecht humeur.
Besluiteloosheid; de geringste kleinigheid doet hem van besluit veranderen.
Prikkelbaar, moedeloos en angstig; hartangst, met ondraaglijke pijn. θ Intermitterende koorts.
Prikkelbare stemming, afwisselend met moedeloosheid. θ Icterus.
Lichtgeraaktheid.
Geneigd de fouten van anderen te bespreken.
Geneigd tot ruziemaken. θ Aambeien.
Zeer kribbig en moedeloos. θ Chronische darmkatarrh.
De hele dag ontevreden en boos op zichzelf; denkt dat hij niet genoeg heeft gedaan en verwijt het zichzelf bitter.
Het kind is prikkelbaar, jammerig en onrustig; wil gedragen worden.
Prikkelbaarheid, met een dof, verward gevoel in het hoofd.
Prikkelbaarheid, met hitteopwellingen en rillerigheid bij spreken of bewegen.
Prikkelbaar, ontmoedigd, onrustig; geërgerd over kleinigheden.
Geërgerd en ontevreden over alles; het minste geluid of licht hindert haar, zo gevoelig is zij voor uitwendige prikkels.
Het minste of geringste krenkt hem en wekt zijn toorn.
Ergernis, met angst, onrust en rillerigheid.
Zij werd woedend toen men haar iets te eten aanbood terwijl zij over gebrek aan eetlust klaagde.
Koppigheid, gierigheid, geneigd tot kwaadaardigheid en spot.
Onrust, kan nergens rust vinden, gaat van de ene plaats naar de andere; wil van het ene bed naar het andere gaan.
Innerlijke onrust, met dofheid in het hoofd en stupor; met afasie; met rugpijn.
Onrust en kreunen, met slapeloosheid; angstige onrust, met zwakke, onregelmatige pols, aan de oppervlakte koude ledematen; innerlijke hitte.
Grote onrust, afwisselend met slaperigheid.
Angstige onrust en misselijkheid.
Na een aanval van drift. θ Neusbloeding, astma, hoest.
Na grote zorgen en verdriet. θ Koliek tijdens de zwangerschap.
De pijnen worden verergerd door het praten van andere mensen.
Als gevolg van schrik, neiging tot zelfmoord.
SENSORIUM [2]
Grote zwaarte in het hoofd, het meest in het voorhoofd.
Zwaar gevoel in het hoofd, met gonzen in de oren; verdwijnt in de open lucht, maar keert terug bij het binnengaan van een kamer.
Draaiende duizeligheid, zwaar gevoel in het hoofd. θ Waterzucht.
Duizeligheid en gezoem voor de oren. θ Ziekte van Bright.
Duizeligheid: bij het sluiten van de ogen, alsof hij zou vallen; bij het lopen over een open ruimte; voorafgaand aan een aanval van epilepsie; vóór de koude rilling bij intermitterende koorts.
Duizeligheid, wankelt bij het lopen. θ Hoofdpijn.
Gevoel alsof de hersenen bewogen en tijdens beweging tegen de schedel sloegen.
Gebrom in het hoofd. θ Hematemesis.
Het hoofd voelt verward telkens wanneer het bewogen wordt. θ Paraplegie.
Verward en versuft, na een epileptische aanval.
Grote verwardheid in het hoofd.
Zwakte van het hoofd, ook door pijn, met een wee gevoel en een zwak gevoel in de maagstreek.
Gevoel van een ongewone lichtheid.
Hoofd, inwendig
Zwaar gevoel in het voorhoofd.
Ernstige uitputtende pijn boven het linkeroog ; > door warme toepassingen of door het hoofd warm in te wikkelen.
Hevige hoofdpijn in het voorhoofd, met duizeligheid.
Trekkende, drukkende pijn in de rechterzijde van het voorhoofd.
Bonzende hoofdpijn in het voorhoofd boven de neuswortel. θ Ozæna.
Pijn alsof beurs of rauw, boven de neus en in het voorhoofd, wrijven verlicht tijdelijk.
Bonzen in het voorhoofd, met misselijkheid.
Onderbroken, scheurende, brandende, borende pijn in de rechter supraorbitale streek, zich uitbreidend over het oog en naar de boventanden, die geen ogenblik rust laat ; > door rond te lopen.
Periodieke hoofdpijn boven de linkerwenkbrauw en slaap, twaalf uur aanhoudend, gevolgd door braken van een gele, bittere of taaie massa.
Spannende, drukkende pijn die zich van voorhoofd en slapen uitbreidt naar achterhoofd en nek ; komt in hevige aanvallen, alsof het hoofd zou barsten.
Hevige periodieke hoofdpijn, borend op een klein plekje in de slaap.
Hemicranie : woelt als een hete draad die door de vertakkingen van het vijfde zenuwpaar wordt gedreven ; moet hoofd en voeten bewegen ; afwisselend met koliek of leverklachten.
Periodiek halfzijdig bonzen in het hoofd, met misselijkheid, gezoem in de oren en braken ; < na het eten, 's morgens, 's avonds of 's nachts in bed, met huilen en kreunen ; soms wordt het waanzinnig makend.
Kloppen of drukken alsof er een last op de hersenen lag ; < bij overeind komen in bed, door beweging ; > tijdelijk door koud wassen ; verbeterd door lopen in de open lucht.
Hoofdpijn met duizeligheid op de kruin.
De pijn in hoofd en gezicht is vooral aan de linkerzijde hevig ; kan niet op die zijde leunen of rusten ; braakt gal ; de maag blijft geïrriteerd.
Hoofdpijn in het achterhoofd.
Drukkende pijn in het achterhoofd, tussen epileptische aanvallen.
Hevige drukkende hoofdpijn ; uitrekkend gevoel ; koud gevoel in de rug ; grote vermoeidheid, na een uur hitte, met onrust en angst. θ Intermitterend.
Druk in het voorhoofd tijdens de koude fase. θ Intermitterend.
Hoofdpijn in het achterhoofd, van stekende aard. θ Retinitis albuminurica.
Doffe, zware of bonzende pijn in het hoofd. θ Gele koorts.
Scheurende pijn in de hersenen, alsof ze in stukken werden gescheurd.
Neuralgie in de hersenen, alsof katten ze in stukken scheurden. θ Kankerinenting.
Gevoel van gewiebel of geklots in de hersenen.
Inwendige hoofdpijn ; < door licht en lawaai.
Neuralgische hoofdpijn, met onrust ; moet het hoofd, zelfs de voeten op en neer bewegen om verlichting te krijgen.
Periodieke hoofdpijn, kan zich niet bewegen of zijn aandacht ergens op vestigen.
Verdovende, periodieke hoofdpijn, waardoor elke beweging of aandacht voor welk onderwerp ook onmogelijk is ; kon zijn hoofd slechts op een tafel laten rusten en het zo goed mogelijk verdragen.
Aanhoudende ernstige hoofdpijn, met braken, bij het opheffen van het hoofd.
Bij het bewegen van het hoofd tijdens het lopen lijkt het alsof de hersenen tegen de schedel slaan.
Hitte of steken in het hoofd bij hoesten.
Zwaar gevoel in het hoofd wordt verlicht door in de open lucht te gaan.
Migraine, met diepgewortelde galstoornissen ; duizeligheid, misselijkheid, kokhalzen en braken van gal.
Hoofdpijn, met irritatie van eierstokken en baarmoeder.
Aanval van buitengewoon pijnlijke hemicranie, met grote zwakte en een ijskoud gevoel in de hoofdhuid, gevolgd door jeuk.
Periodieke hoofdpijn, begint om 7 uur 's morgens, bereikt haar hoogtepunt om 11 uur en begint om 2 uur 's middags af te nemen, gevolgd door uiterste uitputting.
Hoofdpijn vóór de koude fase. θ Intermitterend.
Tegen het einde van de koude fase steken, drukken en trekken in het voorhoofd, zich uitbreidend naar de ogen ; < door het openen van de ogen en door beweging. θ Intermitterend.
Hoofdpijn tijdens de hitte, brandend, naar buiten drukkend, scheurend, bonzend, stekend in het voorhoofd. θ Intermitterend.
Hoofdpijn na de koorts, tijdens de koorts pijn in het sacrum.
Zelden apoplexie ; soms apoplexia serosa.
Chronische hydrocefalus, met grote vermagering, verschrompelde huid ; nachtelijke onrust en dyspepsie.
Hoofd, uitwendig [4]
Hij liep met het hoofd achterovergeworpen. θ Onderdrukte catarre.
Grote gevoeligheid van het hoofd voor open lucht; wikkelt het hoofd warm in.
Kan nauwelijks verdragen dat het haar wordt aangeraakt, zo gevoelig is de hoofdhuid.
Heet hoofd, gevoelig haar, kan niet verdragen dat het wordt aangeraakt. θ Hoofdpijn. θ Onderdrukte
catarre. θ Horizontaal halfzicht.
Hoofd en gezicht gezwollen zoals het hele lichaam. θ Anasarca.
Oedeem van hoofd, gezicht, ogen, nek en borst, met natuurlijke kleur.
Harde zwelling op de voorhoofdsverhevenheid, lijkend op een noot; erger in de avond.
Erysipelateus branden en zwelling van het hoofd, met grote zwakte en koude; < 's nachts.
Hoofd gevoelig voor lucht. θ Hemicranie.
Erger door het ontbloten van het hoofd; > door het warm in te wikkelen.
Brandende jeuk op het hoofd, 's avonds, bij het uitkleden en koud worden.
Chronisch eczeem van gezicht en hoofdhuid, zich uitbreidend vanuit het oor, met fijne blaasjes die indrogen tot zemelachtige schilfers.
Hoofdhuid bedekt met droge schilfers, korsten of crustae; soms zich uitstrekkend tot op voorhoofd, oren of nek.
Hoofd pijnlijk en rauw, met een jeukende, vochtige uitslag die een droge schilferkorst vormt. θ Scrofuleuze oftalmie.
Korsten op de behaarde hoofdhuid.
Chronische uitslagen, met pustels en blaasjes gevuld met pus. θ Tinea.
Brandende, bijtende steenpuisten of pustels op de hoofdhuid, gevoelig voor aanraking en koude.
Verliest haar aan het voorste deel van het hoofd.
Uitvallen van haar; ook in ronde plekken, die ruw en vuil worden.
Uitslagen vernietigen de haarwortels. θ Tinea.
GEZICHTSVERMOGEN EN OGEN [5]
Gevoelig voor licht; vooral voor zonlicht.
Sneeuw verblindt de ogen en doet ze tranen.
Fotofobie. θ Oftalmie, of scrofuleuze catarraal oftalmie.
Sluit haar ogen, alsof zij ze niet open kan houden.
Flikkeringen voor de ogen.
Alles lijkt groen. Vergelijk Phosphor.
Horizontaal halfzien; alleen voorwerpen in het laagste deel van het gezichtsveld waren zichtbaar. θ Onderdrukte catarre.
Bij het sluiten van de ogen vaker < dan >.
Erger bij omhoogkijken of bij inspanning van de ogen.
Zwakte van het gezichtsvermogen; wazig zien.
Het gezichtsvermogen links verminderd tot het tellen van vingers op twee voet afstand, r. visus 20/70. θ Retinitis albuminurica.
Ziet als door een witte gaassluier.
Moet het hoofd enigszins opheffen als zij naar iets wil kijken, omdat zij alleen voorwerpen onder de as van het oog kan zien, en ook die niet erg duidelijk; alles boven de as kan zij helemaal niet zien; het is als een grijs bord. θ Scotodia.
Wazig zien, met hoofdpijn. θ Onderdrukte catarre.
Het zien is troebel. θ Albuminurie.
Voortdurende zijdelingse beweging van de oogbollen. θ Amaurose, na onderdrukte eruptie.
Pupillen vernauwd of verwijd.
Wilde starende blik.
Ogen starend, glanzend. θ Tyfus.
Ogen ingevallen of uitpuilend.
Trekkingen in de ogen, alsof zij in het hoofd teruggetrokken werden, met brandende hitte, hete tranenvloed en fotofobie. θ Scrofuleuze oftalmie.
Een blauwachtige kring rond het hoornvlies.
Geelheid van de sclerotica. θ Gele koorts.
De ogen voelen alsof zij geen ruimte in de oogkas hebben. θ Scrofuleuze oftalmie.
Pulserend bonzen in de ogen, bij elke pulsatie een steek; na middernacht.
Een drukkend en kloppend gevoel als van een kleine pols wordt in en rond de oogbol gevoeld, zo frequent als honderd maal per minuut; een kwellende gewaarwording. θ Oftalmie.
Pijnlijk kloppen en bonzen midden in de linker supraorbitale streek op een kleine plek.
Kloppen, pulseren in de oogbol en rond de oogkas, met algemene onrust en prostratie. θ Scrofuleuze oftalmie.
Suborbitale pijn links, met prikkelingen als van naalden, soms vrij hevig.
Stekende pijn bij poging de oogleden te openen. θ Ophthalmia scrofulosa.
Hevige pijn in de ogen; bereikt 's nachts het hoogtepunt. θ Oftalmie.
Aanvallen van uiterst hevige pijn in de ogen. θ Horizontaal halfzien.
Verschillende neuralgische pijnen in de ogen. θ Scrofuleuze oftalmie.
Hitte in de ogen en branden in de borst, met dyspneu. θ Choroiditis, afwisselend met bronchiale catarre.
Brandende pijnen boven de oogkas, < 's nachts, met overvloedige bijtende tranenvloed. θ Keratoiritis.
Hevig branden in de ogen. θ Ophthalmia scrofulosa. θ Conjunctivitis.
Branden en zwelling van de ogen.
Brandende pijn in het oog, < 's nachts, na middernacht. θ Iritis rheumatica.
Branden, tranen en samenkleven van de oogleden 's nachts; wazig zien. θ Waterzucht.
Brandende pijnen in het oog en het bovenste deel van de oogkas, < 's nachts, en gepaard gaand met overvloedige afscheiding van tranen. θ Keratitis punctata.
Ernstig branden in de ogen; brandende tranen, invretend terwijl zij aflopen. θ Ophthalmia scrofulosa.
Pijn in de rechter oogbol, vooral bij beweging.
Pijn diep in het oog, met hevige pijn bij bewegen; overvloedige waterige neusloop, met verstopping van de neus; ulceratie hoog in de neus, met afscheiding van foetide, bitter smakende ichor; zweren over het gehele gezicht, met blauwe en groene vlekken en strepen; blauwachtige ziekelijke kleur van het gezicht en ontevreden uitdrukking.
Opent het oog goed in koele open lucht, maar kan dat binnenshuis niet, zelfs niet in een donkere kamer. θ Scrofuleuze oftalmie.
Bij Arsenicum-gevallen treedt doorgaans verlichting op door warme toepassingen; zij zijn zeer vaak periodiek in hun optreden, beginnen elke herfst en wisselen dikwijls van het ene oog naar het andere.
Iris verkleurd, traag reagerend. θ Keratitis punctata.
Progressieve choroiditis disseminata, afwisselend met bronchiale catarre; wanneer de ogen > waren, was de borst <, en omgekeerd.
Syfilitische iritis.
Parenchymateuze keratitis, met overmatige fotofobie; ligt in bed met het gezicht in de kussens begraven, hete, schroeiende tranenvloed veroorzaakt een eczemateuze eruptie; paroxysmale pijnen; kind prikkelbaar en hardnekkig (vergelijk Rhus).
Keratoiritis, met brandende pijnen in en boven de ogen, overvloedige, bijtende tranenvloed.
Sclerotica diep rood, met sterke fotofobie. θ Oftalmie.
Door ulceratie veroorzaakte vasculaire verhevenheden op het hoornvlies, verergerd door het openen en sluiten van de ogen, met elke namiddag heftige brandende pijnen.
Ulceratie van het hoornvlies, eerst in het ene oog, dan in het andere terugkerend. θ Scrofuleuze oftalmie.
Oftalmie, met zweren op het hoornvlies vóór en tijdens de menstruatie.
Zweer aan de buitenzijde van het hoornvlies, met verheven randen, pijn als het prikken van naalden, excoriatie van de uitwendige ooghoek, brandende en stekende pijnen.
Hevige ontsteking van de ogen en zweren op de hoornvliezen. θ Influenza.
Zweren van het hoornvlies, met chronisch trachoom en blefaritis, na onderdrukking van jeuk op de behaarde hoofdhuid.
Het hoornvlies was troebel geworden en bezaaid met kleine witte littekens van oude zweren. θ Scrofuleuze oftalmie.
Het hoornvlies gedegenereerd. θ Ophthalmia scrofulosa.
Ontsteking van ogen en oogleden.
Oftalmie bij kinderen, wanneer de huid ruw, droog en vuilachtig is; hevige pijn door de minste lichtstraal, met overvloedige tranenvloed.
Wanneer de ogen > zijn, zijn de voeten gezwollen. θ Scrofuleuze oftalmie.
Oftalmie die om 5 uur 's morgens begint, tot de middag toeneemt en tot 10 uur 's avonds afneemt.
Conjunctiva ziet eruit als een stuk rauw rundvlees.
Blauwrode ontstoken conjunctiva en gezwollen oogleden. θ Oftalmie.
Conjunctiva geïnjecteerd, capillairen gestuwd, een verheven rand rond het hoornvlies vormend; rood, gegranuleerd, op sommige plaatsen blauwrood. θ Ophthalmia scrofulosa.
Conjunctivitis die periodiek elke namiddag tegen 4 uur optreedt.
Conjunctiva niet hyperemisch, maar met oedemateuze zwelling van haar buitenste segment. θ Keratitis punctata.
Tranenvloed.
Bijtende tranen stromen uit de ogen. θ Scrofuleuze oftalmie.
Pterygium, met droogheid van de oogleden.
Achterste synechiën, enige exsudatie in de pupil, witte puntvormige vlekjes op het membraan van Descemet. θ Keratitis punctata.
Trillen van het bovenste ooglid, met tranenvloed. θ Conjunctivitis.
Oogleden krampachtig gesloten. θ Ophthalmia scrofulosa.
Oogleden oedemateus en krampachtig gesloten.
Gevoeligheid van de binnenzijde van de oogleden, die uitwendig gezwollen en krampachtig gesloten zijn, zodat het openen van de ogen een intense brandende, stekende pijn veroorzaakt.
Randen van de oogleden pijnlijk bij beweging, alsof zij droog zijn en over de oogbol wrijven.
Pijn aan de randen van de oogleden, bij het bewegen ervan, alsof zij droog zijn en tegen de oogbollen schuren, zowel in de open lucht als in de kamer.
Branden aan de randen van de oogleden; 's avonds een gevoel alsof er zand in de ogen zit, wat hem dwingt ze te wrijven.
De oogleden waren zeer gevoelig aan de binnenranden. θ Scrofuleuze oftalmie.
Helderrode binnenrand van de oogleden, droogheid van hun binnenoppervlak. θ Trachoom.
Oogleden alleen aan de binnenzijde ontstoken; zij zijn pijnlijk, droog en schuren tegen de oogbol; zij branden en kunnen nauwelijks worden geopend. θ Chronisch gegranuleerde oogleden.
Uiterste roodheid van de binnenzijde van de oogleden, met eerder een onbehaaglijk gevoel dan pijn, waardoor men vaak de ogen moet wrijven.
Ulceraties op de binnenzijde van de oogleden. θ Ophthalmia scrofulosa.
Oedeem van de oogleden. θ Ziekte van Bright.
Oogleden gezwollen en oedemateus, eerst de bovenste dan de onderste (deze zwelling is meestal niet-inflammatoir en pijnloos); de oedemateuze oogleden zijn stevig en krampachtig gesloten en zien eruit alsof zij met lucht zijn opgezet. [Obs. 'Het oedeem van de oogleden, vooral het onderste, lijkt in het geheel niet op de gezwollenheid van Apis of Rhus, en is evenmin afhankelijk van infiltratie van het bindweefsel zoals dat bij Rhus kan zijn, maar hangt samen met de algemene cachectische Arsenic-toestanden.']
Verkleven van de oogleden. θ Tyfus.
Ogen diep in hun kassen ingevallen, gesloten oogleden dichtgekleefd. θ Febris nervosa putrida.
Zij had geen wimpers meer over. θ Scrofuleuze oftalmie.
Oogleden hangen omlaag. θ Buiktyfus.
De klachten overheersen aan de onderoogleden.
Scheurende pijnen rond de ogen bij het kijken naar licht. θ Scrofuleuze oftalmie.
Eruptie rond de ogen.
Rode kringen rond de ogen en aan de neuswortel. θ Paraplegie.
Blauwachtige verkleuring rond ogen en mond. θ Zomerkwaal.
Opgezwollen rond de ogen. θ Trigeminusneuralgie.
Oedeem rond de ogen, met hitte en bleekheid. θ Ziekte van Bright.
Zwelling onder de ogen.
Ogen ingevallen. θ Cholera Asiatica. θ Gele koorts.
Ogen diep in hun kassen ingevallen; in de sluimer halfgesloten; star, dof en met blauwe ringen eromheen. Gastritis mucosa bij een kind.
Ogen dof, ingevallen, met blauwe kringen eromheen; gezicht aards bleek.
Ogen dof en ingevallen, met donkere ringen eromheen. θ Gele koorts.
Ogen dof, ingevallen en waterig. θ Tyfus.
GEHOOR EN OREN [6]
Klachten van het binnenoor overheersen.
Ongewone gevoeligheid voor geluid.
Oorsuizen.
Geraas in de oren, bij elke pijnaanval.
Bij de aanvallen en tijdens de apyrexie gonzen en zingen in de oren. θ Intermitterend.
Gebrom in de oren > in de open lucht, < in een warme kamer.
Gebrom in de oren, met slechthorendheid, alsof de oren verstopt waren.
Slechthorendheid, kan de menselijke stem niet horen. (Vergelijk Phosph.)
Slechthorendheid. θ Tyfus.
Stekend-scheurende pijn vanuit de linker meatus auditorius naar buiten, meer tegen de avond.
Uit haar linkeroor loopt etter.
Overvloedige, ichoreuze, naar lijklucht riekende uitvloeiing uit het oor. θ Otorrhoe.
Gele uitvloeiing uit het rechteroor, met droogheid van de neus ; het gehoor niet verzwakt.
Uitslag en hitte rond de oren.
Boosaardige zwelling van de oorspeekselklieren bij roodvonk, wanneer er remissies optreden waarin de patiënt beter is, maar spoedig keert weer een periode van grote uitputting terug.
Parotitis, met heftige hoofdpijn of remitterende pijnen ; etterend. θ Scarlatina.
Bof, vooral met metastase naar de testikels.
REUK EN NEUS [7]
Kan de geur of de aanblik van voedsel niet verdragen.
Verstopte neusverkoudheid, met reukverlies. θ Waterzucht.
Walgelijke geur vóór de neus.
Ruikt afwisselend pek en zwavel vóór de neus.
Droogheid van de neusholte.
Neusbloeding na een uitbarsting van drift.
Neusbloeding, met coryza, na braken.
Zeer hinderlijke verstopping aan de neusbrug.
Verstopping van de neus, afwisselend met waterige neusloop.
De neus lijkt verstopt en loopt toch. θ Coryza.
Verkoudheid in het hoofd, catarre ; door afkoeling terwijl men oververhit en zwetend is.
Waterige neusloop, met veelvuldig niezen ; met heesheid en slapeloosheid ; met gezwollen neus.
Waterige uitvloeiing veroorzaakt branden en schrijnen aan de neusgaten, alsof ze rauw zijn.
Afscheiding van brandend slijm uit het rechter neusgat.
Dikke, gele neussecretie, met branden en kloppen.
Branden in de neus. θ Coryza.
Brandende, rauwmakende, waterige uitvloeiing, met het gevoel alsof de neus verstopt is. θ Coryza.
Overvloedige, brandende, bijtende uitvloeiing, met grote lusteloosheid. θ Influenza.
Scherpe uitvloeiing uit de neus, die de bovenlip rauw maakt en een schilferige korst veroorzaakt. θ Coryza.
Korsten in de neusgaten, die, wanneer zij worden weggetrokken, de neusgaten rauw en bloederig achterlaten totdat zich andere korsten hebben gevormd ; < bij koude lucht, > bij zacht weer ; kan tijdens de slaap niet door de neusgaten ademen.
Versterving van het slijmvlies van de neusholten. θ Nagevolg van mazelen.
Spitse neus. θ Cholera Asiatica. θ Gele koorts.
Neus koud en spits ; neusgaten rood en wijd open. θ Gastritis mucosa, bij een kind.
Van elke neushoek loopt een diepe rimpel langs de zijkant van de mond naar de kin. θ Kind met gastritis mucosa. θ Typhus abdominalis.
Neusgaten droog. θ Pyemie.
Neus gezwollen, branderig ; koperrood, verlangen naar sterke drank.
Knobbelige zwelling van de neus.
Kanker van de neus.
Neusgaten, mondhoeken en anus rood en rauw. θ Scrofulose.
Zweer op de rechter neusvleugel, brandend, stekend, pijnlijk, met vorming van een dikke, harde korst, die losliet en een bloedend, etterig oppervlak achterliet, spoedig gevolgd door een andere korst. θ Kanker.
BOVENSTE GELAATSHELFT [8]
Gezicht levendig en gecongestioneerd. θ Paraplegie.
Trekkende en stekende pijn in het gezicht, hier en daar.
Veranderde uitdrukking van het gezicht.
Angstige uitdrukking van het gezicht. θ Eclampsie.
Angst en groot lijden staan op het gezicht te lezen. θ Tyfus.
Op het gezicht een uitdrukking van diepe neerslachtigheid. θ Ziekte van Bright.
Uitdrukking angstig, maar niet verwilderd ; benauwd ; lijdend ; van mentale doodsangst ; nors ; wild ; hippocratisch ; ingevallen.
Uiterlijk van het gezicht : zeer bleek ; geel ; wasachtig ; grauw ; aards ; livide ; blauwachtig ; opgezet ; rood en gezwollen ; gelaatstrekken verwrongen.
Het gezicht drukt diep innerlijk lijden uit.
Ogen diep ingevallen, blauwe kringen eromheen. θ Scrofulose, bij een kind van 1 1/2 jaar.
Gezicht verwrongen, bleek, livide, oud. θ Gastritis mucosa.
Stupide uitdrukking van het gelaat. θ Gele koorts.
Gezicht verwrongen, ingevallen, angstig, hippocratisch. θ Tyfus.
Eigenaardig verwrongen gezicht. θ Tyfus.
Gezicht bleek en verwrongen. θ Neuralgie van de nervus trigeminus.
Gezicht bleek, koud, verwrongen. θ Cholera asiatica.
Gezicht bleek, geelbleek, verwrongen, angstig. θ Koliek tijdens de zwangerschap.
Zij ligt in bed na bloedbraken, met verwrongen, bleek gezicht, koude extremiteiten, draadvormige pols. θ Hematemesis.
Pijnlijk verwrongen gelaatstrekken, blauwachtige lippen. θ Pijnlijke diarree.
Gezicht kadaverachtig en verwrongen. θ Koliek. θ Intussusceptie.
Hol, bleek, kadaverachtig gezicht, met verwrongen gelaatstrekken. θ Acuut rheumatisme van de gewrichten.
Bleek, ingevallen, aards, asgrauw geelbleek, opgeblazen gelaat. θ Intermittens.
Doodsbleek, ingestort gezicht. θ Hematemesis.
Cachectisch uiterlijk. θ Intermittens.
Gezicht bleek, aards, geelbleek, ingevallen, opgeblazen tijdens de apyrexie. θ Intermittens.
Hippocratisch gezicht. θ Hartziekte. θ Tyfus.
Ingevallen oud gezicht, blauwe ringen rond de ogen. θ Scrofulose.
Gezicht ingevallen, met uitdrukking van grote angst. θ Dysenterie.
Oude uitdrukking van het gezicht. θ Chronische intestinale catarrh.
Jonge kinderen hebben gezichten als oude mannen. θ Na misbruik van opium.
Gezicht koud. θ Cystitis.
Gezicht en lichaam bedekt met koud, kleverig zweet. θ Hartziekte.
Koude, met bleek, ellendig, aards gezicht, blauwe lippen. θ Intermittens.
Bleek, koud gezicht, bedekt met koud zweet. θ Astma.
Koud zweet op het voorhoofd. θ Hematemesis.
Gezicht bedekt met koud zweet. θ Emfyseem.
Gezicht oedemateus in de namiddag. θ Ziekte van Bright.
Opgeblazen gezicht. θ Mazelen.
Opgeblazen gezicht, bedekt met koud zweet, na galbulten.
Oedemateuze zwelling van het gezicht. θ Intermittens.
Bleek gezicht. θ Pneumonie. θ Zomerdiarree.
Bleek, wasachtig gezicht, hevige dorst tijdens en na de koude rilling, gestild door een slok koud water, die werd uitgebraakt zodra zij was doorgeslikt. θ Intermittens.
Koud, benauwd gelig gezicht. θ Hematemesis.
Bleek, gelig gezicht. θ Ovaritis.
Gezicht gelig en livide. θ Gele koorts.
Groenachtig gele kleur van het gezicht.
Grauwgele kleur van het gezicht. θ Zweer in de maag.
Gelaatskleur groenachtig. θ Ascites.
Gezicht cyanotisch. θ Emfyseem.
Gezicht bleek, aards. θ Gastralgie. θ Mazelen.
Gelaatskleur bleek, aards. θ Ascites.
Gezicht grauwgeel, enigszins gezwollen.
Ellendig uiterlijk, opgeblazen gezicht, grauwgelig. θ Terugval van intermittens, na kinine.
Grauwgelig gezicht, vermoeidheid, zwakte, slappe spieren, pols zacht, klein, frequent, geen appetijt, tong geelachtig beslagen, bittere mond, veel drinken, soms koliek ; ontlasting diarrheisch. θ Intermittens.
Ongewone roodheid van het gezicht.
Blozend rood gezicht. θ Pericarditis.
Wangen brandend heet, met omschreven roodheid. θ Tyfus.
Wangen rood, omschreven. θ Ziekte van Bright.
Fijne eruptie op het gezicht. θ Ophthalmia scrofulosa.
Op het voorhoofd een dikke zwarte korst, daaronder een zweer met blauwachtige, vuile bodem en omgeslagen randen, die vuile, stinkende, invretende ichor afscheidt.
Wratachtige zweer op de wang.
Jeuk van het gezicht zo hevig dat hij de delen rauw zou willen krabben ; phagedaenische zweer op de lip ; zwelling van de bovenlip, soms voorafgegaan door branden en steken, jeuk, als van roodgloeiende naalden.
Kankerachtige zweren in het gezicht ; korstvorming ; brandende pijn.
Trekken van de aangezichtsspieren.
Scheurende pijn in de linker helft van het gezicht.
Brandende, stekende pijnen, als van roodgloeiende naalden.
Puistjes en blaasjes, met scherp vocht dat jeuk en branden veroorzaakt ; < 's nachts, in koude lucht, > door warmte.
Zwarte puntjes (acne punctata) in het gezicht of op het voorhoofd, huid droog en vuil uitziend.
Zwelling van het gezicht, vooral onder de oogleden.
Crusta lactea, droog en schilferig, met diarree van lichtgekleurde ontlasting.
Neusgaten en mondhoeken rood en ontveld.
ONDERSTE GEZICHTSHELFT [9]
Hevige pijnen langs de rechter onderkaakszenuw.
Mond omlaag getrokken, blauwachtige bovenlip opgetrokken. θ Kind, gastritis mucosa.
Uitslag rond de mond. θ Herpes labialis.
Lichte uitslag rond de mond; koortsblaasjes (hydroa); mondhoeken gevuld met taai slijm. θ Intermitterende koorts.
Zwelling van de klieren van de onderkaak, met pijn als na een kneuzing.
Submandibulaire speekselklieren gezwollen en gevoelig. θ Noma. θ Difterie.
Klachten overheersen aan de bovenlip.
Samentrekkend beven of rukken aan één zijde van de bovenlip, vooral bij het inslapen; mond omlaag getrokken, bovenlip opgetrokken.
Bruine streep door de vermiljoenrand van de onderlip alsof verbrand.
Blauwachtige, zwartachtige of droge lippen.
Lippen cyanotisch. θ Scrofulose.
Lippen bedekt met bruin slijm. θ Tyfus.
Lippen bruin of zwart. θ Gele koorts.
Lippen droog. θ Pyemie.
Lippen verschroeid en droog.
Voortdurend likken aan droge, gebarsten lippen, met grote brandende hitte van het gehele lichaam.
Lippen droog en gebarsten. θ Tyfus.
Voortdurend likken van droge, gebarsten lippen. θ Eclampsie.
Lippen zijn bleek, gebarsten, gezwollen en korstig tijdens de apyrexie. θ Intermitterende koorts.
Pijnlijke lippen en zweren in de mond.
Uitslag op de lippen.
Kanker van de lippen.
Op de linker onderlip een plek ter grootte van een boon, die gezwollen, ontstoken, donkerrood is, met verheven papillen, bloedend bij de geringste oorzaak, met brandende, stekende en trekkende pijn. θ Kanker.
Pijnlijke knobbels uitwendig op de bovenlip; aan de binnenzijde een verkleurde zweer ter grootte van een boon, met verheven randen.
Kankerachtige zweer op de linker bovenlip, weefselvernietiging tot aan het jukbeen.
Tanden en Tandvlees [10]
Pijnloos bonzen in de wortels van de tanden.
Verdoofd gevoel in de tanden.
De tanden lijken langer, worden los en zijn gevoelig voor druk en voor koud water.
Pijn in enkele tanden, alsof zij loszitten en zouden uitvallen; de pijn neemt door kauwen niet toe.
Bijt bij het drinken op het glas.
Tandenknarsen in de slaap.
Tandenknarsen. θ Tyfus.
Tandpijn. θ Dysmenorroe.
De tanden zitten los en lijken langer.
Tandpijn zo ernstig dat zij tot waanzin drijft; hij raakt buiten zichzelf van woede.
Zeurende pijn in de eerste onderste bicuspis, opgewekt door koud weer, > door de tanden op elkaar te drukken; de pijn veroorzaakt prikkelbaarheid van het humeur en afkeer van het geluid van pratende anderen, waardoor zij < wordt; de zenuw van de tand ligt bloot.
Rukkende tandpijn, uitstralend naar de slaap, verlicht of verdwijnend door rechtop in bed te gaan zitten; > door met het hoofd te stoten.
Tandpijn verlicht door de warmte van de kachel.
De tanden worden snel cariësachtig, met ondraaglijke pijn.
Wanneer tanden worden getrokken, spuit er donker, zwartachtig bloed uit.
Rukkende en brandend scheurende pijnen in het tandvlees.
Tandvlees en tanden bedekt met bruin of zwart slijm. θ Tyfus.
Gezwollen, bloedend tandvlees, pijnlijk bij aanraking. θ Scheurbuik.
Nachtelijke onrust, diarree, met onverteerd voedsel en vermagering. θ Tanddoorbraak.
SMAAK, SPRAAK, TONG [11]
Smaak : houtachtig, droog ; onaangenaam ; zoetig in de keel ; zuur ; metaalachtig ;
bitter ; verrot, vroeg in de ochtend.
Zoete smaak in de ochtend. θ Tussen de aanvallen van epilepsie.
Bittere smaak in de mond. θ Ziekte van Bright.
Vieze smaak, stinkende adem. θ Intermitterende koorts.
Voedsel smaakt te zout ; niet zout genoeg ; flauw, zuur ; bier smaakt laf ; voedsel laat een bittere smaak achter.
Water smaakt slecht ; bitter. θ Terugval van intermitterende koorts.
Verlies van smaak. θ Apyrexie van intermitterende koorts.
Droge tong en afkeer van spreken.
Bevende tong ; moeilijke articulatie, tong zwaar, alsof verlamd. θ Tyfus.
Bevende, droge, helderrode tong. θ Waterzucht.
Spraak onverstaanbaar ; lispelend, stamelend, alsof de tong te zwaar was. θ Tyfus.
Tong stijf, als een stuk hout. θ Tyfus.
Verlies van spraakvermogen.
Tong bleek, mond koel, veel dorst. θ Anasarca.
Tong ijzig koud ; droge mond en tong, vaak met hevige dorst.
Tong gevoelloos alsof verbrand.
Tong groot, droog, gelig. θ Retinitis albuminurica.
Hevig branden op de tong.
Zwelling rond de tongwortel, uitwendig en inwendig.
Tong en lippen verdord en gebarsten, met zwarte en kleverige beslaglaag. θ Tyfus.
Droge tong, lippen en neusgaten. θ Diabetes.
Lippen, tong en neusgaten droog, met braken. θ Pyemie.
Tong droog. θ Ascites.
Droge tong, ziekelijk rood, met papillen aan de punt aanzienlijk verheven.
Tong rood, droog en gebarsten. θ Tyfus.
Tong als een stuk rood leer, zo dik dat zij bij het uitsteken gebogen is ; grote dorst.
Rand van de tong rood en draagt de afdruk van de tanden.
Tong zo wit als krijt ; alsof zij wit geschilderd was.
Tong wit en droog ; tong beslagen, witachtig ; enigszins vochtig. θ Terugval van intermitterende koorts.
Tong wit, of bruin en blauwachtig. θ Dysenterie.
Tong gelig beslagen, smaak bitter. θ Intermitterende koorts.
Loodkleurige tong.
Beslagen tong, bittere smaak. θ Waterzucht.
Tong enigszins droog, dik wit beslagen. θ Ziekte van Bright.
Beslag : zijden beslagen, met een rode streep in het midden en roodheid van de punt ; dik beslagen, randen rood ; witachtig ; geelachtig-wit ; bruin.
Tong wit en droog, of gelig beslagen, gedurende de apyrexie. θ Intermitterende koorts.
Tong bruin of zwart. θ Gele koorts.
Tong droog, bruin of zwart. θ Aziatische cholera.
Tong zwart, glad als gelakt ; droog, hard, met blaren, zwartbruin. θ Tyfus.
Blauwachtige zweertjes op de tong.
Gangreen van de tong ; vlekken op de tong, brandend als vuur.
MONDHOLTE [12]
Slechte geur uit de mond. θ Scheurbuik. θ Tyfus.
Branden in mond, keelholte en slokdarm
Droogheid van de mond, met hevige dorst.
Verlangen naar koud water, maar vreest het te drinken. θ Koliekpijn.
Droogheid van mond en tong. θ Bij hoofdpijn.
Veel speeksel; moet vaak spuwen.
Speeksel rijkelijk, taai, foetide, bloederig.
Speeksel verminderd.
Aften in de mond; zij worden livide of blauwachtig; met diepe zwakte.
Spruw in mond en keel. θ Mazelen. θ Tuberculose.
Pijnlijke blaren in de mond en op de tong.
Kwaadaardige ulceratie van de mond.
Spruw bij volwassenen met branden, prostratie en zeer grote rusteloosheid. θ Difterie.
De mondholte was zo droog als de buitenhuid, en wel in zodanige mate dat hij, ondanks al zijn inspanningen, niet het kleinste stukje brood kon bevochtigen. θ Diabetes mellitus.
Zweer aan de binnenkant van de wang, onregelmatig, met rafelige randen en sponsachtige basis.
Zweren die zich uitstrekken van de keel tot het gehemelte; tong wit; neus loopt; halsklieren gezwollen. θ Difterie.
Ulceratieve stomatitis.
Gangreneuze mondontsteking bij kinderen, slijmvlies verkleurd, op sommige plaatsen blauw, op andere bleek, bedekt met taai slijm dat in bruine korsten op de lippen ligt; samenvloeiende, verkleurde, zeer pijnlijke zweren worden gevormd. θ Ulceratieve stomatitis.
GEHEMELTE EN KEEL [13]
Plekken ter grootte van een penning, bijna langwerpig, in de fauces, rood alsof het slijmvlies ontbloot was geraakt; blaasjes ter grootte van een speldenkop, gevuld met heldere vloeistof, die de volgende dag verdwenen en vuilrode vlekken achterlieten; naast de aangedane plaatsen verschijnt nieuwe uitslag. θ Angina herpetica.
Droogheid, gevoeligheid, schraperig gevoel en branden in de fauces en keel.
Amandelen ontstoken, gezwollen en brandend als vuur. θ Angina.
Gevoel alsof er een haar in de keel vastzit. θ Difterie.
Gevoel alsof er een prop slijm in de keel vastzit, met smaak van bloed.
Ophoping van grijsachtig of groenachtig slijm.
Misselijkheid in de keel.
Stekend gevoel in de oesofagus, als van een splinter, spoedig gevolgd door hevig scheurend, schrijnend gevoel (schronden), overgaand in hitte en branden. θ Angina herpetica.
Keel zeer rauw en pijnlijk.
Oesofagitis.
Fauces en tong zeer gezwollen.
Pijn bij het slikken, grote dorst, angst en onrust. θ Angina herpetica.
Keelpijn bij het slikken, alsof er inwendig een zwelling was; brandende pijn.
Gevoel van samensnoering van de keel.
Branden bij het slikken; voedsel zakt tot in de streek van het strottenhoofd, waarna het weer wordt uitgeworpen. θ Oesofagitis.
Alles wat wordt doorgeslikt schijnt in de oesofagus te blijven steken.
Slikken zeer moeilijk en pijnlijk.
Verergering 's avonds, hevige samensnoering van de oesofagus. θ Angina herpetica.
Krampachtige samensnoering van de oesofagus, alsof er een bol in de keel omhoogkwam. θ Hematemese.
Brandende pijn in de keel, slikken moeilijk. θ Ziekte van Bright.
Paralytische toestand van keelholte en oesofagus; vloeistoffen rollen hoorbaar de maag in. θ Tyfus.
Kwaadaardige keelontsteking. θ Scarlatina.
Het difterische beslag ziet er droog en gerimpeld uit; adynamische koorts, onrust, prostratie, brandende dorst; foetide adem; zelfs gangreen; slaperigheid; schiet af en toe uit bed op. θ Difterie.
Gangreneuze keelontsteking.
APPETIJT, DORST. VERLANGEN, AFKEER [14]
Gevoel van honger en leegte; zij moet enkele stukjes brood eten terwijl zij het koud heeft. θ Intermitterend.
Eetlust vermeerderd, maar veel vaker verlies van eetlust.
Zeer weinig eetlust. θ Intermitterend.
Dorst, maar angstig om te drinken. θ Koliek.
Onweerstaanbaar verlangen naar water, dat 's nachts de slaap vaak verstoort, de volgende ochtend onverminderd.
Geen dorst of eetlust; of, verlies van eetlust, met vermeerderde dorst.
Geen dorst tijdens de rillerigheid, tijdens de hitte wel vaak, maar drinkt niet veel. θ Intermitterend.
Brandende dorst, zonder bijzondere neiging om te drinken.
Dorst zonder neiging om te drinken. θ Koliek tijdens de zwangerschap.
Droogheid en dorst. θ Strictuur van de oesofagus.
Grote dorst. θ Chronische darmcatarrh. θ Hematemesis. θ Hepatitis.
θ Darmcatarrh. θ Pokken.
Dorst en droogheid van de mond met eigenaardig dik wit speeksel.
Hij klaagt over dorst met hese stem. θ Hartziekte.
Dorst, niet te lessen door drinken.
Overmatige dorst naar koud water; zelfs kleine hoeveelheden worden onmiddellijk weer uitgebraakt. θ Aziatische cholera.
De meeste dorst tijdens het zweten. θ Intermitterend.
Ongewone dorst; hitte in de mond steeg zodanig dat hij de hele avond onafgebroken water moest drinken, zonder de dorst ook maar in het minst te kunnen lessen.
Gekweld door een vreselijke dorst, met een hoge graad van vermagering en krachtsverlies. θ Diabetes mellitus.
Vaak onlesselijke dorst. θ Cholera. θ Marasmus. θ Typhus.
θ Diabetes, enz.
Overmatige dorst, drinken verkwikt niet.
Grote dorst, maar water valt de maag lastig. θ Waterzucht, enz.
Drinkt vaak, maar telkens weinig tegelijk. θ Hoofdpijn. θ Scheurbuik. θ Retinitis
albuminurica. θ Difterie. θ Gastritis. θ Peritonitis.
θ Ascites. θ Dysenterie. θ Ovaritis.
θ Ovariële waterzucht. θ Metritis. θ Pneumonie.
θ Hydrothorax. θ Coxalgie. θ Typhus.
θ Eclampsie. θ Mazelen. θ Karbonkel.
Verlangt zeer koud water, dat zij in kleine hoeveelheden drinkt; alle andere dranken slikt zij in grote hoeveelheden door. θ Zomerklacht.
Eetlust voor brood, vooral roggebrood.
Dorst naar zure dranken; verlangen naar zure dingen. θ Intermitterend.
Verlangen naar iets verfrissends, versterkends, opwekkends, na de aanval, zoals wijn, koffie, enz. θ Intermitterend.
Verlangen: naar warm voedsel; naar bier; naar brandewijn; naar koffie; melk; reuzel; vruchten en groenten.
Afkeer: van zoetigheden; van meelspijzen; van gruel; van vlees; van vet voedsel; van boter; van vleessoorten; van voedsel, verafschuwt zelfs al de gedachte eraan.
ETEN EN DRINKEN [15]
Beter op een lege maag ; < na het ontbijt.
Eten zonder appetijt veroorzaakt een onaangenaam gevoel van onbehagen. θ Tijdens de apyrexie van intermitterende koorts.
Appetijt wisselend. θ Retinitis albuminurica.
Het bevredigen van de appetijt veroorzaakt hitte en misselijkheid. θ Tijdens de apyrexie van intermitterende koorts.
Erger door eten. θ Gastralgie.
Na het eten bittere smaak. θ Apyrexie van intermitterende koorts.
Gevoel van volheid onmiddellijk na een redelijke hoeveelheid voedsel.
Pijn in maag of abdomen tijdens het eten of onmiddellijk daarna ; kan op dat moment niet meer eten verdragen.
Na iedere maaltijd drukking in de maag, kokhalzen en braken. θ Scirrhus uteri.
Na het eten van zwaar voedsel branden in maag en ingewanden. θ In de tussenpozen van epileptische aanvallen.
Misselijkheid, kokhalzen, braken, meestal twee uur na de maaltijd, zelfs na het lichtste voedsel.
Na het innemen van voedsel gerommel in het abdomen, spoedig gevolgd door pijnloze ontlasting, riekend als aas. θ Scrofulose.
Na het eten, ontlasting.
Bittere smaak in de mond na eten en drinken.
Erger na het eten. θ Koliek. θ Zweer in de maag.
Beter door warm voedsel.
Koude in de maag door het eten van fruit.
Weinig eten doet de rillerigheid toenemen. θ Intermitterende koorts.
Hevige rilling na iets gegeten te hebben wanneer men het koud heeft. θ Intermitterende koorts.
Gehaast drinken.
Beter door het inslikken van wat heet water. θ Difterie. θ Cholera Asiatica.
Hevig kokhalzen en braken van kleine hoeveelheden slijm. θ Gastromalacie.
Elke drank, hoe klein de hoeveelheid ook is, wordt gevolgd door een ontlasting.
Na het drinken, wanneer dit zonder dorst gebeurt, hoest.
Rillerigheid en rillingen na het drinken. (Zie Veratr.)
Verlangen naar koud water, maar bang om te drinken, omdat het de pijn < maakt θ Colicodynia.
Kan geen koud water drinken, hoewel hij ernaar verlangt ; het veroorzaakt pijn, of ligt lang in de maag als een koude massa of een vreemd lichaam, en is zeer kwellend.
Erger door koude drank ; door koude voeding in het algemeen ; > door warmte.
Na ijswater of ijs. θ Gastralgie. θ Gastritis.
Na afkoeling van de maag door het innemen van koude stoffen. θ Darmcatarrh.
Gastro-intestinale symptomen < : na ijs ; ijsroom ; ijswater ; azijn ; zuur bier ; tabak (kauwen) ; alcoholische dranken ; bedorven worst ; kaas ; vruchten.
Pijn in de maag > door zoete melk.
Erger door melk.
Vet voedsel wordt niet verdragen, en wijn evenmin ; de kleinste hoeveelheid doet de pijn in de maag toenemen.
Na alcoholische dranken. θ Gastritis.
Nadelige gevolgen van overmatig gebruik van sterke drank. θ Delirium tremens. θ Braken.
θ Diarree. θ Bloedingen.
Beter door het drinken van koffie.
Na rotte kaas, of beschimmelde Engelse kaas. θ Koliek.
Na bedorven worst. θ Koliek.
HIK, OPRISPINGEN, MISSELIJKHEID EN BRAKEN [16]
Hik op het uur waarop de koorts had moeten komen.
Mislukte oprispingen.
Waterbranden.
Oprispingen. θ Intermitterende koorts.
Oprispingen van foetide gassen.
Voortdurende misselijkheid. θ Bloedbraken.
Veelvuldige misselijkheid, met een zoetige smaak in de mond.
Misselijkheid en volledig verlies van eetlust.
Overmatige misselijkheid en braken bij het oprichten in bed. θ Gastritis.
Misselijkheid, met hitte en opwellingen. θ Bloedbraken.
Misselijkheid; moet gaan liggen.
Aanhoudende misselijkheid, met neiging tot flauwvallen, beven; overal hitte en huivering.
Misselijkheid en braken. θ Dysenterie. θ Tijdens de zwangerschap, enz.
Misselijkheid en soms braken, om 11 uur v. m. en 3 uur n. m.
Misselijkheid, kokhalzen en braken van gal, met hoofdpijn.
Vruchteloos kokhalzen.
Kokhalzen. θ Bloedbraken.
Braken en kokhalzen. θ Tyfus.
Braken. θ Koliek. θ Mazelen. θ Peritonitis.
Even vaak verbeterd als verergerd door braken; eveneens na het urineren.
Braken onmiddellijk na het eten. θ Gastralgie.
Braken onmiddellijk na eten of drinken.
Soms < na het drinken. θ Gele koorts.
Braken na elke slok water. θ Waterzucht na roodvonk.
Braken van alles wat hij inneemt. θ Maagkanker.
Braaksel: bittere, groengele vloeistof; ingenomen spijzen; bruine, troebele massa; met bloed doorstreept; bloed; zwarte, sereuze vloeistof.
Hevig braken van voedsel en maagvloeistoffen.
Zuur, bijtend braken. θ Gastralgie.
Braken van helder water op alle uren van de dag. θ Koliek.
Braken van slijm en gal. θ Koliek.
Braken van bloed, met flauwvallen vóór en na. θ Bloedbraken.
Braken van bruinachtige massa, met hevige koliek.
Braakt een teerachtige substantie, daarna bloedstolsels. θ Bloedbraken.
Zwart braaksel. θ Gele koorts. θ Scirrhus of ulcus ventriculi. θ Hepatitis.
Kan voedsel niet binnenhouden, braken van zwartachtige massa's, met plotselinge uitputting.
Elke nacht braken van wat overdag is gegeten.
Veelvuldig braken, met doodsangst.
Na het braken, neusbloeding.
Hevig branden in maag en darmen; < na het braken. θ Aziatische cholera.
Braken van slijm of gal, met heftig kokhalzen; branden in de keel bij het slikken, als vuur. θ Koliek.
Braken en ontlasting tegelijk.
Slijmerig, waterachtig braken, met diarree; kind. θ Gastritis mucosa.
MAAGKUIL EN MAAG [17]
Angstig gevoel in de praecordiale streek.
Beter door de kleding losser te maken.
Pijn in epigastrium en maag, voornamelijk brandend, hevig, als roodgloeiende kolen, ook hevig en sterk drukkend ; krampachtige samentrekking en insnoering ; steken of een fijn stekend gevoel in maag en epigastrium. θ Gastralgie.
θ Gastritis.
Epigastrium is gevoelig voor de geringste aanraking. θ Gastralgie. θ Gastritis.
De epigastrische en navelstreek zijn gevoelig voor aanraking.
Epigastrium opgezet en hard.
Grote angst in de epigastrische streek.
Kruipend gevoel in de maag. θ Hematemesis.
Kramp in de maag om 2 uur 's nachts.
Zwaarte in de maag als van een steen.
Hevige samentrekking van de maag.
Opzetting van de maagkuil. θ Koude fase van intermitterende koorts.
Druk in de maag.
Druk als van een gewicht en beven in de maagkuil. θ Waterzucht.
Hevige druk in de maagkuil. θ Gele koorts.
Volheid in de maagkuil met hitte. θ Intermitterende koorts.
Pijn in de maagkuil die de ademhaling doet stokken.
Volheid in de maagkuil. θ Recidief van intermitterende koorts.
Pijn in de maagkuil. θ Koude fase van intermitterende koorts.
De maag is drukpijnlijk.
Maagkuil gevoelig voor de geringste aanraking. θ Gastralgie.
's Avonds tijdens het zitten, trekkende pijn vanuit de maagkuil rond de onderrand van de linker ribben, alsof iets werd losgescheurd.
Telkens wanneer hij geeuwt, drukt hij zijn hand op de maagkuil, omdat het dan aanvoelt alsof die eruit wordt gescheurd. θ Paraplegie.
Vreselijk gevoel van onwelheid, zwakte en angst in de maagstreek. θ Hematemesis.
Knagend gevoel in de maagkuil.
Hevige scheurende, borende pijn en kramp in maag en darmen.
Lancinerende pijn in de maag, soms uitstralend naar de borst, of alleen 's nachts.
Brandend maagzuur ; hevige zeurende pijn in maag en epigastrium, zich uitstrekkend tot het midden van de borst ; branden, alsof maag en oesofagus rauw werden gemaakt door een scherp invretende stof ; verscheidene aanvallen per dag, met onbeschrijfelijke misselijkheid en zwakte, tot flauwte toe. θ Maagklachten.
Aanhoudend pijnlijk branden in de maagstreek. θ Intermitterende koorts.
Branden in de maag als gloeiende kolen. θ Gastralgie.
Brandende pijn in de maag. θ Maagkanker. θ Zweren in de maag. θ Hematemesis.
θ Intermitterende koorts.
Branden in de maag ; gevoelig voor druk. θ Typhus.
Branden in de maag met insnoering in de buik. θ Melancholie.
Branden in de streek van de pylorus. θ Scirrhus.
Hevige hitte en branden in maag en maagkuil.
Een koud en zwaar gevoel in de maag, rillerigheid en tegelijkertijd hete koorts.
Subacute gastritis ; het geringste voedsel geeft last of wordt onmiddellijk uitgebraakt.
Acute gastritis, pijnlijk braken van grasgroene vaste stoffen of vloeistoffen, of na drinken.
Hematemesis ; vaak met zwarte ontlasting ; steken in de milt, koud zweet op het voorhoofd ; branden in de maag, draadvormige pols, kreunen, enz.
Verharding in de maag. θ Scirrhus.
HYPOCHONDRIEËN [18]
Pijn begint met steken in de rechterzijde onder de ribben, of breidt zich uit vanuit de linker hypochondrische streek over het gehele abdomen, omhoog in de slokdarm en naar de rug en het schouderblad. θ Gastralgie.
θ Gastritis.
Gevoeligheid van het opgezette epigastrium en de onderbuik, die gespannen, ingetrokken, pijnlijk is en bij druk over de caecale streek trekt; meteorisme. θ Tyfus.
Spanning in de rechter hypochondrische streek, met drukkende pijn in de lever, die voelbaar vergroot is. θ Hepatitis.
Druk en spanning in het rechter hypochondrium. θ Terugval van wisselkoorts.
Brandende of stekende pijn in het epigastrium en de leverstreek. θ Gele koorts.
Pijnlijke opgeblazenheid in het rechter hypochondrium, met brandende pijn. θ Hepatitis.
Pijn in de leverstreek, toegenomen bij druk.
Steken in het rechter hypochondrium, uitstralend naar de maagstreek; eindigend als hevige druk over het gehele abdomen.
Pijnlijke opgeblazenheid in het rechter hypochondrium met hevige brandende pijn. θ Hepatitis.
Verharding van de lever.
De lever was te voelen en doet pijn bij aanraking. θ Terugval van wisselkoorts.
Galstenen met cholera-achtige verschijnselen. (Cinchona.)
Geelzucht: na wisselkoorts, vooral na misbruik van kinine; na gebruik van kwik.
Spanning en druk in het linker hypochondrium. θ Hitte bij wisselkoorts.
Hypochondrische streek gezwollen; < links. θ Koortsvrije fase van wisselkoorts.
Beide hypochondrieën gevoelig bij aanraking. θ Ziekte van Bright.
Spannende, drukkende pijn in de milt.
Trekkende, stekende pijn onder het linker hypochondrium; branden in de maag, gevolgd door bloedbraken.
Steken in de milt gaan vooraf aan bloedbraken, dat gedeeltelijk gestold, gedeeltelijk vloeibaar en donker is. θ Hematemese.
Verharding en vergroting van de milt.
Lever en milt gezwollen. θ Waterzucht. θ Wisselkoorts.
Gevoeligheid bij aanraking in de miltstreek. θ Quotidiane wisselkoorts.
Spanning en drukkende pijnen in de milt met hitte. θ Wisselkoorts.
Doffe pijn in het linker hypochondrium. θ Wisselkoorts.
De milt uitgezet, gezwollen. θ Wisselkoorts.
BUIK EN LENDENEN [19]
Koud gevoel en rillerigheid in het abdomen.
Spanning in het abdomen.
Krampende pijnen in de darmen. θ Gele koorts.
Wringend of draaiend gevoel in het abdomen.
Pijn om de navel, verergerd door op de rug te liggen.
Hevige buikpijn dag en nacht met slechts korte onderbrekingen; obstipatie. θ Koliek.
Snijdende pijnen in het abdomen. θ Vóór intermitterende koorts.
Verschrikkelijke snijdende buikpijn met frequente dunne ontlastingen, flauwvallen en koud zweet. θ Diarree.
Hevige pijnen in het abdomen, met grote zielsangst, vindt nergens rust, rolt over de vloer en wanhoopt aan het leven.
Periodieke koliek.
Na een half uur durende koude rilling hevige knijpende en samentrekkende pijn in de navelstreek; kronkelt en draait zich in bed. θ Koliek.
Windkoliek, > bij liggen en wanneer men warm wordt in bed.
Wormkoliek; de bovenlip wordt opgetrokken. θ Paarden.
Scheurende pijn in het abdomen met ijzige koude van handen en voeten en koud zweet op het gezicht.
Hevige scheurende en snijdende pijn in het bovenste deel van het abdomen; het onderste deel opgezet, zacht, maar pijnlijk bij aanraking. θ Diarree.
Diepe, drukkend zware pijn in het abdomen, alsof de darmen samengebonden waren, met branden. θ Colicodynie.
Branden in de darmen.
Brandende pijn in het abdomen. θ Chronische darmkatarrh. θ Peritonitis.
Brandende, schietende pijnen in het abdomen, met grote onrust, voortdurend woelend en draaiend. θ Peritonitis.
Hevige, brandende, nijpende, samentrekkende pijn in de maag en aan beide zijden van het abdomen, trekkend naar de navel, met beklemming op de borst, in herhaalde aanvallen, elk half uur. θ Koliek
bij zwangerschap.
Hevig branden in het abdomen en de maagkuil. θ Dysenterie.
Branden in de darmen; gevoelig voor druk. θ Tyfus.
Peritonitis, wanneer de krachten plotseling wegzinken, met angst en koud zweet.
Darminvaginatie met pijnen in het abdomen, verergerd door beweging; gevoelig voor druk.
Abdomen ingetrokken. θ Koliek.
Gerommel in de darmen.
Opgeblazen abdomen. θ Hematemesis. θ Dysenterie. θ Tijdens
de apyrexie van intermitterende koorts.
Abdomen opgezet en pijnlijk. θ Gastritis mucosa.
Abdomen sterk opgezet, bij aanraking pijnlijke, zeurende gevoeligheid. θ Albuminurie.
Abdomen gevoelig en tympanitisch. θ Dysenterie.
Abdomen opgezet, vooral het linker hypochondrium, dat hard en pijnlijk is bij aanraking. θ Intermitterende koorts.
Abdomen hard en opgezet; bij palpatie blijken verhardde mesenteriale klieren. θ Scrofulose.
Gevoel alsof het abdomen zou barsten, vóór de ontlasting.
Meteorisme van het abdomen zonder pijn, overal tympanitisch geluid. θ Maagklachten. θ Gastromalacie.
Meteoristische opzetting van het abdomen. θ Tyfus.
Ascites: door hart-, lever- of miltziekten, ook na roodvonk; door Morbus Brightii; flauw bij de geringste beweging; verstikkingsaanvallen 's nachts; zielsangst, dorst enz.
Pijn in de rechterzijde van het abdomen, nabij de lumbale streek, uitstralend door het abdomen naar de rechterlies en de rechterzijde van het scrotum.
Zweer boven de navel.
Pijnlijke zwelling van de liesklieren.
Liezen: samentrekkende pijn links; als verstuikt rechts, bij bukken; gravend, brandend als van een steenpuist; steken.
Smetten rond de liezen, zich uitbreidend naar de genitaliën.
Steken vanuit het abdomen omlaag de vagina in.
ONTLASTING EN RECTUM [20]
Pijnlijke krampachtige prolaps van het rectum.
Het rectum blijft uitgezakt na bloedingen uit het rectum.
Ruw prikkelend gevoel in het rectum, alsof zij zand ontlastte.
Ontlasting van een klomp, op talg gelijkend, met peesachtige substanties.
Foetide winden.
Constipatie met pijn in de darmen.
Constipatie van de darmen. θ Koliek. θ Tyfus.
Diarree afwisselend met harde, keutelachtige ontlasting van witachtig-kleikleurige kleur. θ Ziekte van Bright.
Gallige dysenterie met grote uitputting na elke inspanning; grote angst en onrust, erger na middernacht.
Zwarte ontlasting. θ Hematemesis. θ Hepatitis.
Ontlasting zacht, onvoldoende. θ Recidief van intermitterende koorts.
Vloeibare feces vermengd met bloed, chocoladekleurig, meer tegen middernacht. θ Dysenterie.
Lozing van donker bloed, voorafgegaan door hevig gillen. θ Dysenterie.
Waterachtige, stinkende ontlasting, vermengd met bloederig slijm of onverteerd voedsel.
Ontlasting die meer of minder etter bevat, soms vloeibare fecale materie, bijna altijd vloeibaar of gestold bloed; doordringende, verrotte, zoetige geur.
Foetide diarree. θ Scheurbuik.
Overvloedige diarree, geur van rotte eieren. θ Gastritis mucosa bij een kind.
Bruinachtige, slijmerige, naar kadaver riekende ontlasting. θ Gastromalacie.
Afscheiding uit de darmen van foetide, walgelijke geur. θ Darmcatarrh. θ Dysenterie.
De ontlasting heeft een verrotte geur, is onwillekeurig, met grote uitputting. θ Dysenterie.
Ontlasting frequent waterachtig, zwartbruin; ichoreus; kleiachtig, met een zweem van bloed; foetide; etterachtig slijm; doordringende geur. θ Tyfus.
Dunne, verrot riekende of bloederige ontlasting en onwillekeurige lozingen. θ Tyfus.
Kleine, diarrheïsche, foetide ontlasting. θ Intermitterende koorts.
Diarree. θ Koliek. θ Tyfus. θ Mazelen.
Diarree, pijnlijk of pijnloos. θ Darmcatarrh.
Pijnloze, onwillekeurige diarree θ Gele koorts. θ Tyfus.
Diarree, zeer uitputtend, vaak onwillekeurig. θ Influenza.
Diarree < midden in de nacht. θ Coxalgie.
Diarree < na middernacht en na eten, met grote uitputting.
Ontlasting slijmerig, papachtig, bruinachtig. < 's nachts en tegen de ochtend. θ Diarree.
Diarree met snijdende pijn, hevige dorst, koude van het lichaam en koud zweet op het gezicht; de aanvallen zijn < door beweging.
Hevig branden in de navelstreek, vóór en tijdens dunne ontlasting, die uit slijm bestaat; grote dorst naar koud water, overvloedig zweet, angst, woelen. θ Herfstdiarree.
Vermagering, oud gezicht, overvloedige groenachtige modderige ontlasting, met gezwollen voeten. θ Diarree bij kinderen.
Ontlasting bruin en waterachtig; huid geel; vermagerd tot een skelet; abdomen tympanitisch, oud gezicht. θ Diarree tijdens de tandvorming.
Slijmerige, onverteerde ontlastingen. θ Scrofulose.
Diarree: slijmerig, groen slijm; uit stukken slijm, met tenesmus en snijdende pijn in de anus; ontlasting gering, met tenesmus; eerst donkergroene feces, daarna donkergroen slijm; zwart slijm, met aanhoudend braken; zwart, scherp en verrot; geel, met tenesmus en brandende pijn; als vuil water; van bloed en water; met vermagering en verlies van kracht; bijna voortdurend, met veel darmgerommel; < na middernacht, ook 's morgens na het opstaan; na eten; hevig, met frequente lozingen; met persen; met koliek; met braken, of met grote zwakte; komt vaker voor dan constipatie; meestal pijnloos.
Onwillekeurige ontlasting en urine.
Diarree na afkoeling van de maag door gebruik van koude spijzen, vooral roomijs.
Cholera infantum: gelijktijdig braken en diarree, grote uitputting; braken en diarree verergerd door voedsel en water.
Purgering, met uiterste koude van de ledematen.
Brandende ontlasting uit de darmen, met hevige koliek.
Gevoel vóór de ontlasting alsof de buik zou barsten.
Wringend gevoel in de buik vóór elke ontlasting.
Diarree na brandwonden. Verg. 45.
Vóór de ontlasting, kwellend gevoel alsof de buik werd samengesnoerd. θ Dysenterie.
Vóór de ontlasting: rillerigheid, angst, flauwte, snijdende pijn in het abdomen; braken; dorst; koude in de rug vóór elke ontlasting.
Tijdens de ontlasting: rillerigheid, misselijkheid, braken, rugpijn, persen en branden in anus en rectum.
Diarree met tenesmus. θ Gele koorts.
Tenesmus met branden in anus en rectum. θ Dysenterie.
Ontlasting onregelmatig, meestal diarrheïsch, met branden in de anus. θ Tussen de epileptische aanvallen.
Een gevoel van samentrekking in het rectum tijdens de ontlasting. θ Dysenterie.
Tenesmus en branden van anus en rectum tijdens de ontlasting; ook branden daarna, met beven.
De lozingen branden. θ Darmcatarrh.
Branden in de anus, met kleine lozingen van slijm en voortdurend oprispen. θ Diarree.
Na de ontlasting: ophouden van acute buikpijn; opzetting, persen rond de navel; branden in het rectum; beklemming, oprispingen, zwakte met beven en flauwte, met verlangen te gaan liggen; hartkloppingen, transpiratie.
Ondraaglijke tenesmus met brandende pijnen. θ Aambeien van de blaas.
Dunne, klonterige ontlasting, van allerlei kleuren, de anus rauw makend. θ Chronische darmcatarrh.
Fissuren van de anus. θ Aambeien.
Brandende en stekende gezwellen in de anus, ter grootte van een walnoot, die zitten verhinderen.
Anus rood en rauw; de ontlasting maakt rauw.
Branden in de anus als vuur.
Aambeien: met stekende pijn bij lopen of zitten, niet bij de ontlasting; met brandende pijn, verlicht door warmte; met bloeding en uitpuiling; pijnlijk, gezwollen, met tenesmus, branden, vooral 's nachts, waardoor de slaap wordt verhinderd.
Bloedingen uit de darmen, donker, foetide. θ Typhus abdominalis.
URINEWEGEN [21]
Stekende pijnen in de nierstreek bij ademhalen of niezen. θ Morbus Brightii.
Abcessen in de nieren.
Scarlatina begint met uremische symptomen.
Uremie, zielsangst, met gedachten aan moord, vooral bij dronkaards.
Uremie, met braken, koliek, aanvallen van verstikking. θ Emfyseem. θ Hartziekte.
Acute cystitis, met hoge koorts en onrust ; gezicht en ledematen worden koud ; hevig branden in de blaas ; grote dorst.
Chronische cystitis, met retentie van urine ; wat geloosd wordt is troebel en etterig.
Verlamming van de blaas.
Symptomen van blaasverlamming. θ Hæmaturie.
Blaas sterk uitgezet en verlamd. θ Chronische cystitis.
Atonie van de blaas bij bejaarden.
Scheurende pijn diep in de urinebuis.
Atonie van de blaas, geen aandrang om te urineren en geen vermogen daartoe ; schijnt alle beheersing over het urinelozen te hebben verloren ; vooral na de bevalling.
Onderdrukking van de urineafscheiding. θ Cholera Asiatica.
Moeizaam urineren.
Retentie van urine. θ Tyfus. θ Na de bevalling.
Onvermogen urine te lozen. θ Chronische cystitis.
Sterke aandrang, maar loost geen urine.
Onwillekeurige mictie. θ Tyfus.
Schaarse urine, moeizaam geloosd, branden tijdens de lozing. θ Strangurie.
Bedwateren.
Onwillekeurig nadruppelen van urine, dag en nacht.
Schaarse urine bij diarree of in het hete stadium van koorts, of frequent en overvloedig tijdens de koude fase.
Schaarse urineafscheiding. θ Hæmaturie.
Urine schaars, troebel. θ Apyrexie van intermitterende koorts.
Urine dik en schaars. θ Albuminurie.
Schaarse urine, met een bezinksel als baksteenstof. θ Hydrothorax acutus.
Urine na zweten, bruin, spoedig troebel, maar zonder bezinksel. θ Intermitterende koorts.
Urine zeer schaars ; zeer veel bezinksel. θ Anasarca.
Foetide urine. θ Dysenterie.
Urine als dik bier ; rotte geur. θ Tyfus.
Urine donker, als mestwater ; salpeterzuur doet albumine neerslaan. θ Waterzucht na scarlatina.
Urine troebel, vermengd met etter en bloed. θ Cystitis.
Bloederige urine. θ Hæmaturie. θ Aambeien van de blaas.
Urine troebel, sterk gekleurd, schaars, bleek, albuminehoudend. θ Pneumonie.
Albumine in de urine. θ Ziekte van Bright. θ Roodvonk.
Duidelijke albuminurie ; epitheel, vetdegeneratie of atrofie van de buisjes van Bellini, de kluwens en het kapsel van Muller. θ Morbus Brightii.
Suiker in de urine.
Urine overvloedig, bleek en helder als water. θ Intermitterende koorts. θ Reuma.
Frequent urineren tijdens het koude stadium. θ Intermitterende koorts.
Frequente aandrang, met overvloedige lozing.
Urine : donkerbruin ; donkergeel ; troebel ; bezinksel van rood zand ; vermengd met etter en bloed ; groenachtig.
Brandende pijn in de urinewegen. θ Hæmaturie.
Brandende pijn, vooral bij het begin van het urineren. θ Cystitis.
Tijdens het urineren branden in de urinebuis ; beklemming in de linker lies.
Na het urineren, gevoel van zwakte in het bovenste deel van de buik.
Mannelijke geslachtsorganen [22]
Mannelijke geslachtsorganen
Geslachtsdrift verhoogd.
Onwillekeurige zaadlozingen.
Geslachtsvermogen verloren.
Zaadlozing tijdens diarrheïsche stoelgang.
Tinteling aan de zijkant van de eikel.
Branden in de eikel van de penis tijdens de mictie. θ In de tussenpozen van epileptische aanvallen.
Eikel blauwrood, gezwollen en gebarsten.
Buitengewoon pijnlijke ontsteking en zwelling van de geslachtsorganen, toenemend bijna tot gangreen.
Erysipelateuze ontsteking van het scrotum.
Scrotum oedemateus.
Gevoeligheid van het scrotum, met een blauwachtig aspect. θ Kleine kinderen.
Hydrocele (scrofuleuze zuigelingen).
Ontsteking en zwelling van de geslachtsorganen, dreigend in gangreen over te gaan.
Kruipende zweren op de geslachtsorganen.
Chankers (na kwik), met al te weelderige granulaties, de randen van de zweren hard en bloedend bij de minste aanraking, met een dunne, stinkende afscheiding.
Phagedenische chankers, livide tint, met intens branden ; zelfs afsterving.
Constitutionele syfilis, met onbeschrijfelijk gevoel van zwakte, of met waterzucht en kwaadaardige ulceraties.
Bubo, wanneer deze een gangreneus aspect aanneemt.
Krampachtig snijdende koliek, schietend door de abdominale ring en het perineum ; testes gezwollen ; epididymitis.
Liesklieren pijnlijk, gezwollen en verhard.
Smetten bij kinderen, vooral in de liezen en zich uitbreidend naar het scrotum.
Vrouwelijke geslachtsorganen [23]
Vermeerderd seksueel verlangen, met onwillekeurige slijmafscheiding.
Brandende of spannende pijn in de eierstok.
Drukkende, stekende pijnen in de streek van de rechter eierstok.
Trekkende, stekende pijn vanuit de streek van de eierstok naar het dijbeen, dat gevoelloos en lam aanvoelt ; < door beweging, bukken of gebogen zitten.
Branden in de streek van de rechter eierstok, omschreven zwelling, koortsigheid, vale gelaatskleur, vermagering ; in plaats van menstruatie, een dunne, witachtige, stinkende afscheiding. θ Ovaritis
veroorzaakt door een schop.
Brandende pijn in de streek van de eierstokken. θ Eierstokwaterzucht.
Hevige brandende of spannende pijn in de eierstok, met grote onrust, enige verlichting door voortdurend de voeten te bewegen.
Gezwellen pijnlijk (brandend, lancinerend) of pijnloos.
Eierstoktumor, met pijn in het been, kan de voet niet stilhouden.
Eierstoktumor aan de rechterzijde, de gehele buikholte vullend, zij kon zich niet bukken om haar schoeisel aan te trekken.
Brandende, kloppende, lancinerende pijn in de streek van de uterus. θ Scirrhus. θ Brandende
pijn in de streek van de uterus. θ Metritis. θ Kanker van de uterus.
Hevige brandende pijn in de geslachtsdelen, met harde, knobbelige zwelling van de uterus, os uteri als een kussen gezwollen, hard, uiterst gevoelig ; schietende, stekende pijnen naar het bovenste deel van het abdomen ; brandende dorst en droogheid van mond en keel ; < door
elke beweging. θ Scirrhus uteri.
Poliep op de cervix uteri.
Menstruatie te overvloedig en van lange duur.
Menstruatie te vroeg en te overvloedig.
Menstruatie te frequent, met veneus bloed. θ Retinitis albuminurica.
Uitputtende menorragie.
Menorragie bij zwakke, cachectische vrouwen, lijdend aan rheumatisme, desorganisatie van uterus of eierstokken, bij eruptieve koortsen, en wanneer aften uitbreken, als teken van een sterk verzwakte toestand van het organisme.
Bloeding, met lancinerende brandende pijnen.
Plotselinge overvloedige vloeiing van donker bloed.
Pijnlijke menstruatie ; uitwendige warmte verlicht.
Tijdens de menstruatie, steken in het rectum, uitstralend naar anus en vulva ; stekende, snijdende pijn uitstralend van het epigastrium naar de onderbuik, de zijden van het abdomen en de rug ; tandpijn.
Na de menstruatie : afscheiding van bloederig slijm, of stinkende waterachtige afscheiding uit vagina en anus.
Onderdrukte menstruatie. θ Bloedspuwing. θ Intermitterende koorts.
Langdurig uitblijven van de menstruatie, bij vrouwen met bleke, wasachtige gelaatskleur, die zeer verzwakt zijn ; de minste inspanning veroorzaakt grote vermoeidheid ; onrustige slaap, met vermoeiende dromen.
Dunne, witachtige, stinkende afscheiding in plaats van menstruatie. θ Ovaritis.
Fluor albus, scherp, invretend, dik en geel, druipt eruit bij staan en bij het laten van winden.
Scherpe, invretende, brandende afscheidingen ; waterig ; licht of donker van kleur, vaak zeer stinkend. θ Kanker van de uterus.
Steken vanuit het abdomen omlaag naar de vagina.
Droogheid van de vagina. θ Scirrhus uteri.
Lancinaties van het rectum naar anus en schaamdelen. θ Dysmenorroe.
Ontsteking en zwelling van de geslachtsdelen.
Jeuk van de geslachtsorganen.
Zwangerschap. Bevalling. Lactatie [24]
Ochtendmisselijkheid tijdens de zwangerschap, met vlagen van flauwte; kokhalzen, bij lege maag, voorafgegaan door branden in maag en slokdarm.
Hevige bewegingen van het kind en koliek. θ Zwangerschap.
Metritis in het kraambed, met tekenen van bloedontbinding.
Ascites ten gevolge van puerperale peritonitis.
Bevordert de uitdrijving van vruchtmollen.
Na de bevalling, atonie van de blaas.
Brandende pijnen in de mamma; verlichting door beweging.
Kanker van de borst, brandende pijn; uitwendige warmte verlicht.
STEM EN STROTTENHOOFD. LUCHTPIJP EN BRONCHIËN [25]
Stem hees. θ Cholera Asiatica. θ Typhus. θ hartziekte.
Stem zwak, nauwelijks hoorbaar. θ Koliek tijdens de zwangerschap.
Afonie.
Stem laag, bevend, ruw, hees, grof, kraaiend of piepend. θ Typhus.
Stem: bevend; zwak; ongelijk, nu sterk en dan weer zwak; hees; ruw; hol; verlies van stem.
Spasme van de glottis.
Strottenhoofd voelt tijdens het hoesten vernauwd aan.
Gevoel van droogheid, met branden in strottenhoofd en luchtpijp. θ Larynxfthisis.
Gevoel alsof men stof inademde.
Bronchitis, met moeizame slijmafscheiding.
Strottenhoofd gevoelig voor druk; overdag hees; 's nachts verstikkingsaanvallen. θ Kroep.
Influenza bij kinderen; plotseling begin, grote uitputting, het kind ziet eruit alsof het al een week ziek is; hevig niezen, met bloederig getinte afscheiding.
Plotselinge catarrh, 's nachts met dreigende verstikking.
Kroepachtige ontsteking van het strottenhoofd, dat gevoelig is voor druk; overdag heesheid, 's nachts dyspneu en verstikkingsaanvallen. θ Kroep.
Kroep, met coryza; verstopping, kan niet door de neus ademen; erger 's nachts, met rusteloosheid.
Lijkt op membraneuze kroep; veroorzaakt door onderdrukte of uitblijvende uitslag, vooral galbulten of urticaria.
Gangreneuze kroep.
ADEMHALING [26]
Frequente neiging tot zuchten, met een kinderlijk huilerige stemming.
Verrot ruikende uitwasemingen.
Geruisloze, nauwelijks hoorbare ademhaling. θ Hartziekte.
Fluitende uitademing.
Piepende ademhaling, met hoest en schuimige expectoratie.
Reutelende ademhaling. θ Tyfus.
Diepe, snelle inademing, moeilijke, onderbroken uitademing.
Ademhaling snel, kort, luid reutelend. θ Ziekte van Bright.
Ademhaling kort en angstig. θ Tyfus.
Benauwdheid en kortademigheid. θ Tijdens de hitte na intermitterende koorts.
Hijgende ademhaling.
Kreunt en steunt bij de ademhaling. θ Hematemesis.
De ademhaling wordt steeds zwakker, totdat zij ten slotte alleen nog zeer zacht kan ademen en spreken door de borst voorover te buigen.
Gevoel alsof men stof inademt.
Praten verergert de symptomen. θ Intermitterende koorts.
Lachen veroorzaakt moeilijk ademhalen.
Elke geringe opwinding bezorgt haar een hysterisch astma.
Benauwdheid ; hij klaagt met hees stemgeluid. θ Hartziekte.
Onmiddellijk ademnood bij het gaan liggen, 's avonds, met fluitende ademhaling en vernauwing in de luchtpijp.
Na het naar bed gaan, beklemming op de borst, fluitende uitademing. θ Astma.
Omdraaien in bed beneemt hem de adem. θ Hydrothorax.
Ademhaling beklemd en pols onregelmatig. θ Retinitis albuminurica.
Bij lopen in de open lucht, verstikkend gevoel dat hem dwingt te hoesten.
Ademstilstand met hoest.
Moeizame inademing met voortdurende angst en korte kraaiende hoest. θ Anasarca.
Ademhaling angstig, gejaagd, moeizaam, snorkend, reutelend. θ Tyfus. θ Gele koorts.
Ademhaling beklemd, angstig, kort.
Branderigheid of gevoel alsof de borst geschuurd en rauw is.
Beklemming van de borst, met zielsangst ; erger bij bewegen.
Luchtwegen lijken vernauwd, kan niet volledig ademhalen.
In koude lucht, benauwdheid.
Winderig weer doet de dyspneu toenemen, zelfs goed beschut en terwijl men zich in een warme kamer bevindt.
Benauwdheid neemt toe : door stormachtig weer en zware lucht ; snel lopen ; stijgen ; warme en nauwe kleding ; vooral door overgang van warmte naar koude.
Na onderdrukte coryza : hijgende ademhaling, snakken naar lucht ; gevoel alsof er stof in de lucht is, erger omstreeks middernacht en door beweging, met kreunen en onrustig woelen. θ Astma.
Snakt naar adem, heeft het gevoel alsof zij zou stikken.
Bij het gaan liggen 's nachts voelt zij een beklemming op de borst, de ademhaling wordt kort, zij is genoodzaakt rechtop in bed te zitten ; < na middernacht ; het drinken van koffie of suiker met water verlicht enigszins ; klachten erger bij traplopen, raakt buiten adem. θ Astma.
Ademhaling astmatisch ; moet de borst voorover buigen ; moet 's nachts uit bed opspringen, vooral omstreeks 12 P. M.
Kramp in de borst (astma) zodra hij gaat liggen om te slapen, alsof alles te nauw is, de uitademing fluitend ; keel en borst alsof zij samen ingesnoerd zijn, zodat hij rechtop moest gaan zitten, voorovergebogen, waardoor hij enige verlichting kreeg ; geleidelijk werd de ademhaling steeds moeilijker en de uitademing moeizaam en fijn van toon, als het hoogste falset ; voelt een angst tot wanhoop en angstzweet over het gehele lichaam ; deze mate van heftigheid duurde drie of vier uur en nam pas na middernacht af.
Patiënte niet in staat te gaan liggen ; bij poging daartoe zodanige ademnood dat zij bijna stierf door verstikking. θ Waterzucht.
Astma bij vermoeidheid, als door zielsangst.
Hevige astma-aanval ten gevolge van een verkoudheid midden in de zomer.
Astma door onderdrukte schurft.
Bij astma van oude mensen, die incidentele aanvallen van ochtenddiarree, rheumatisme, schaarse urineafscheiding en al te heftige hartstoot hebben.
Astma omstreeks 2 uur 's nachts.
Grote dyspneu en pijn in de onderste borst bij volledige inademing.
Dyspneu bij ergernis.
Dyspneu neemt toe na hoesten, met gevoel van samentrekking van borst of maag. θ Astma.
Aanmerkelijke dyspneu. θ Bronchitis. θ Tuberculose. θ Hydrothorax.
θ Scarlatina. θ Post-scarlatinale waterzucht. θ Paraplegie.
Dyspneu < door beweging, kan niet op de rug of op de zijden liggen, moet voorovergebogen zitten, onderste extremiteiten zijn koud en oedemateus. θ Waterzucht na scarlatina.
Grote dyspneu ; gezicht cyanotisch en bedekt met koud zweet ; grote angst. θ Emfyseem.
Stilstand van de ademhaling en verstikkingsangst, soms met zwakte en overmatige uitputting, of 's nachts.
Verstikkingsaanvallen 's avonds, na het gaan liggen. θ Astma.
Bij het gaan liggen 's nachts, hoe voorzichtig ook, gevoel van verstikking. θ Hydrothorax.
Verstikkingsaanvallen, het meest 's nachts. θ Ascites.
Verstikkende benauwdheid 's nachts in bed ; met zwakte.
Moet rechtop zitten ; bij op de rug liggen verstikkingsaanvallen. θ Astma.
Bij het hoesten of onmiddellijk erna voelt hij zich samengetrokken en alsof hij stikt, en spant zich met grote moeite in om de vrije ademhaling te herstellen.
Aanvallen van verstikking. θ Kinkhoest.
Verstikkingsaanvallen, met hartkloppingen, 's nachts.
HOEST [27]
Beklemming en spasmen in de borst, met prikkelhoest. θ Rilling bij intermitterende koorts.
Diepe, droge, onophoudelijke hoest.
Ernstige, krampachtige hoest. θ Waterzucht na scarlatina.
Droge hoest. θ Tyfus.
Droge hoest, kort en prikkelend, met een gevoel van ontvelling in de borst, of gevoeligheid van de maagkuil naar boven toe, met korte, moeizame ademhaling.
Hoest na elke gemoedsbeweging; aan de hoestbuien gaan grote angst en onrust vooraf; braken van voedsel en drank zodra die zijn ingenomen; braken lokt hoest uit. θ Kinkhoest.
Hoest opgewekt door een rokerig gevoel, of als van zwaveldampen in het strottenhoofd, of door voortdurend kriebelen in het strottenhoofd.
Hoest, zonder expectoratie, vooral na drinken of eten; bij het gaan liggen; tijdens een wandeling in koude lucht.
Hoest na drinken, door voortdurende irritatie of kieteling in de bronchiën.
Hoest bij beweging, met ademnood.
Hoest bij het naar buiten gaan in koude, open lucht.
Nachtelijke hoest; moet rechtop gaan zitten zodra de hoest begint.
Kroepachtige hoest, met verstikkende aanvallen, < na middernacht. θ Na onderdrukte netelroos.
Hoest in de ochtend.
Helder klinkende, kraaiende of fluitende kinkhoest, opgewekt door een brandend kietelen in de luchtpijp en in de keelgroeve, als van zwaveldamp, 's nachts zonder expectoratie, overdag met expectoratie van slijm, schaars en doorgaans schuimig, of in klontjes, van
verschillende smaak en kleur (bitter, verrot, purulent, zoutachtig, aanstootgevend, grijsgeel), soms vermengd met helderrood bloed; periodiek terugkerend met toenemende heftigheid.
Kinkhoest, met cholera infantum.
Kinkhoest, met ademstilstand, taai slijm in de borst; opgeven van schuimig slijm in klontjes; astmatische verschijnselen; zwakte; koud lichaamsoppervlak.
Tijdens kinkhoest: hartkloppingen; de hoest keert periodiek terug met toenemende heftigheid; het kind jammert en huilt.
Hoest, voorafgegaan door schokken in de heupen, die de hoest schenen op te wekken.
De hoest wekt hem; alsof hij zou stikken; keel gezwollen.
Bij hoesten gevoeligheid in de borst en pijn alsof iets zich van voren naar achteren in de keel boorde.
Tijdens hoest: naar adem happen; gevoeligheid in de borst, steken in de zijden of in het epigastrium; hitte van het hoofd; opeenhoping van water in de mond.
Hoest: met ademstilstand; met taai slijm in de borst; met opgeven van schuimig slijm in klontjes, of zout smakend, overdag; zonder expectoratie 's nachts.
Een zwaar gevoel en zeurende pijn in de borst na het hoesten. θ Ziekte van Bright.
Hoest meestal met expectoratie, die gewoonlijk alleen overdag optreedt.
Hoest < 's nachts, en telkens wanneer hij op zijn rug ligt is de expectoratie overvloedig, wit, schuimig, soms dik en geel; hoestaanval gevolgd door zweet en grote zwakte. θ Bronchitis.
Expectoratie: moeilijk; schaars en schuimig; bestaande uit taai slijm, dat vastzit in de borst; schuimig speeksel ; dik geel; grijs, groen, bitter, zoutachtig; slijm,
met bloed doorstreept.
Taai slijm, moeilijk op te brengen, reutelend in de borst, bij oude mensen. θ Longcatarrh.
Vaak terugkerende hoest, met opgeven van met bloed doorstreept slijm; kokhalzen en braken van voedsel en drank; deze hoest onderbreekt vaak de weinige ogenblikken slaap die zij kan krijgen door haar hoofd voorover op een tafel voor zich neer te leggen. θ Waterzucht.
Hoest, met bloederig sputum.
Prikkelhoest elke ochtend, met opgeven van helderrood vloeibaar bloed, met branden in de linkerborst. θ Hemoptoë.
Hemoptoë 's nachts, met brandende hitte over het hele lichaam.
Schuimend helderrood bloed barst in een stroom naar buiten, met licht keelschrapen; opwelling en branden en volheid in de borst. θ Hemoptoë.
Hemoptoë na bloedverlies; brandende hitte overal, vooral met pijn tussen de schouderbladen; bij dronkaards, of na onderdrukte menstruatie.
BORST, INWENDIG EN LONGEN [28]
Gevoel alsof op het bovenste deel van beide longen een last rustte.
Beklemming van de borst, alsof deze met een hoepel was ingesnoerd.
Insnoering van de borst, met hevige angst en onrust, 's avonds; branden, of een gevoel alsof het geschuurd en rauw was.
Insnoering van de borst, met zielsangst en drukkende angst in de maagkuil.
Insnoering van de borst, bij het bergop gaan.
Grote benauwdheid en insnoering van de borst. θ Cholera Asiatica.
Insnoering van de borst. θ Rillingsstadium van intermittens.
Branden en hitte in de borst. θ Pneumonie.
Branden in borst en maag. θ Hemoptoë.
Pijn in de borst, met hoest en onrustige slaap. θ Ziekte van Bright.
Rillerigheid in de borst, 's avonds.
Grote hitte in de borst, zich uitstrekkend tot onder het middenrif.
Borstcatarrh, hevig verstikkingsgevoel; kind woelt in hevige angst heen en weer.
Piepende ademhaling in de borst, met beurse pijn tussen de schouderbladen.
Luide piepende reutels over elk deel van de borst. θ Bronchitis.
Steken : in de rechter bovenborst; in de linkerborst alleen tijdens de inademing; in het borstbeen, van beneden naar boven, bij hoesten.
Acute, stekende, gefixeerde of schietende pijn in de longtop en door het bovenste derde deel van de rechterlong.
Pleurale effusie, grote dyspneu bij de geringste beweging; kan alleen op de aangedane zijde liggen; tong dik beslagen, vuilgeel; voeten gezwollen. θ Ascites.
Chronische pleuritis; donkere en stinkende expectoratie; grote zwakte wanneer men probeert te bewegen of overeind te zitten.
Pneumonie door kou vatten tijdens een vermoeiende reis.
Pneumonie, met donker, stinkend sputum; grote zwakte, die pas wordt gevoeld wanneer men probeert te bewegen of overeind te zitten.
Branden en hitte in de borst; bleek gezicht; koude extremiteiten; angstig woelen. θ Pneumonie.
Achterste kwabben van beide longen aangedaan. θ Pneumonie.
Chronische pneumonie, met purulent sputum; astma.
Astmatische aanvallen, gepaard gaand met emfyseem.
Hydrothorax.
Gangreen van de longen, met groen, ichoreus sputum.
Dreigende verlamming van de longen; reutelen in de luchtpijp.
HART, POLS EN BLOEDSOMLOOP [29]
Kramp in het hart.
De hartslagen zijn prikkelbaar.
Harttonen, vooral de "choc", tamelijk hevig ; stemmen niet overeen met de pols.
Hartkloppingen alsof van verre. θ Anasarca.
Bevende, onregelmatige beweging van het hart. θ Hartaandoening.
Intermitterende slagen van het hart ; enigszins onregelmatige en intermitterende pols, gepaard gaand met een fluitend geluid. θ Hartaandoening.
Hevige, overmatige hartkloppingen, met grote zielsangst, vooral 's nachts.
Hartkloppingen met zielsangst ; kan niet op de rug liggen ; < bij het traplopen.
Hevige hartkloppingen, vooral 's nachts, zichtbaar en hoorbaar.
Hartkloppingen en bevende zwakte na de stoelgang ; moet gaan liggen.
Ernstige aanvallen van hartkloppingen of flauwteaanvallen bij endocarditis.
Onstuimige hartwerking, afwisselend met zwakke, onregelmatige slagen. θ Hydropericardium.
Hartkloppingen. θ Paraplegie. θ Dysenterie. θ Hydrothorax.
θ Hittestadium van intermittens. θ Mazelen.
Hartaandoening met vermagering.
Hartkloppingen na onderdrukte herpes of voetzweet.
Angina pectoris ; plotselinge beklemming boven het hart ; folterende precordiale pijn ; pijnen uitstralend naar nek en achterhoofd ; angst, benauwdheid ; ademhaling bemoeilijkt, flauwteaanvallen ; de geringste beweging doet hem buiten adem raken ; zit voorovergebogen of met het hoofd achterovergeworpen ; < 's nachts, vooral van 1 tot 5 uur 's morgens.
Rheumatisme dat het hart aantast, met grote uitputting, koud, kleverig zweet ; grote angst en benauwdheid ; brandend gevoel om het hart ; pols klein, snel en zwak.
Kleplijden met intermitterende pols, dyspneu, anasarca, klachten meer tegen de avond of 's nachts, bij het traplopen, na diepe inademingen of wanneer men kwaad wordt.
Rechterventrikel gehypertrofieerd. θ Retinitis albuminurica.
Vetdegeneratie van het hart.
Hydropericardium met grote prikkelbaarheid, zielsangst en onrust ; vooral bij uremie, enz.
Idiopathische hartaandoening.
Pols 's morgens zeer frequent maar 's nachts langzamer. θ Intermittens.
120-130 polsslagen per minuut. θ Hematemese.
Pulsatie door het hele lichaam. θ Hittestadium van intermittens.
Zeer kleine pols. θ Scarlatina.
Zeer snelle pols. θ Hepatitis.
Frequente, snelle, kleine pols. θ Mazelen.
Frequente, zwakke pols. θ Dysenterie.
Pols : versneld ; snel en klein ; snel en zwak ; klein en zwak ; onregelmatig ; bevend ; onvoelbaar.
Kleine, snelle pols. θ Waterzucht.
Pols zeer sterk versneld, klein en zwak ; soms intermitterend.
Pols klein, zacht, frequent. θ Recidief van intermittens.
Pols frequent, klein, bevend. θ Tyfus.
Pols te klein en frequent, met oedemateuze ledematen. θ Dysenterie.
Snelle, bevende, draadvormige pols. θ Hematemese.
Pols klein en golvend. θ Anasarca.
Pols zo frequent dat zij nauwelijks te voelen is. θ Dysenterie.
Pols nauwelijks voelbaar, en snel, bevend. θ Gastritis mucosa.
Pols soms onvoelbaar ; draadvormig.
Pols nauwelijks te voelen, met koude ledematen. θ Koliek.
Er is niets te voelen dan een bevende beweging van de pols. θ Waterzucht.
Pols onregelmatig, frequent, klein, bevend. θ Gele koorts.
Pols soms onderdrukt, met sterke hartslag.
BORSTWAND [30]
Steken en drukkend gevoel in het borstbeen.
Uitzetting van de borst. θ Kinkhoest.
Branden en jeuk in de borst.
Pijnlijk rauw gevoel in de borst, vanuit de maag omhoog.
Rillerigheid of koud gevoel in de borst.
Warmte, branden en jeuk in de borst.
Gele vlekken op de borst.
NEK EN RUG [31]
Stijfheid van de nek.
Nek stijf, als beurs of verstuikt.
Neuralgische pijnen aan de linkerzijde van de nek.
Blauwverkleuring van de hals door uitzetting van de aderen.
Kleurloze, schrijnende huiduitslag op nek, schouders en flanken.
Halsklieren vergroot, voelden aan als een reeks harde knobbels onder de huid.
De drukkende pijn wordt brandend en schietend; pijn in het sacrum als gebroken, angst, onrust, bloedaandrang, vooral naar het hoofd. θ Metritis.
Trekkende pijnen: tussen de schouderbladen, waardoor men moet gaan liggen; vanuit de lendenen naar de schouders.
Rugpijn na hard werken. θ Reuma.
Ondraaglijke rugpijn tegen de avond en bij het opstaan uit een zittende houding. θ Reuma.
Koude kruipt over de rug, 's avonds en 's nachts.
Een gevoel alsof warme lucht langs de wervelkolom opstijgt naar het hoofd. θ Gaat epileptische aanvallen vooraf.
Branden in de wervelkolom. θ Bij epileptische aanvallen.
Branden in de rug.
Brandende pijn in de rug terwijl men er rustig op ligt. θ Ovaritis.
Zeer uitgeput door seksuele excessen; trekkende en scheurende pijn in rug en benen; mierenkruipen langs de wervelkolom; vlees bleek, zacht, gezwollen.
Verlamming van het onderste derde deel van het ruggenmerg.
Spinale aandoening met gressus gallinaceus. θ Verlamming.
Lendenen alsof gebroken. θ Hemorroïden.
Beurse pijn in de lendenen, met gevoel van zwakte.
Verlies van kracht in de lendenen.
Stijfheid in de wervelkolom, beginnend in de streek van het os coccygis.
Ulceratie van het sacrum na tyfus.
BOVENSTE LEDEMATEN [32]
Hevige scheurende en rukkende pijnen in het rechter schoudergewricht en de schouder, uitstralend naar arm, ellebooggewricht en onderarm. θ Reumatiek.
Gevoeligheid in de oksel.
Reumatische pijnen van de elleboog omhoog tot in de schouder, > des nachts.
Pijn in de arm van de zijde waarop men ligt, des nachts.
Trekkende en verscheurende pijnen in de armen, vooral des nachts.
Klachten overwegend in de bovenarm.
Eigenaardige neuralgie in de linkerarm, plotseling na de maaltijden.
Hevige neuralgie van de linkerarm, gevolgd door een lam gevoel.
Bovenste ledematen zwak; de buigspieren van de vingers samengetrokken.
Verlammend gevoel in de bovenste ledematen. θ Pericarditis.
Pijnlijke knobbeltjes op de arm.
Zwelling van de arm, met verrot riekende zwarte blaren.
Trekkende en scheurende pijn van de elleboog omhoog tot in de oksel, des nachts.
Hevige reumatische pijnen in de rechter elleboog.
Kleine roodachtige plek op het linker ellebooggewricht, spoedig een blaar vormend, die binnen enkele uren zo groot wordt als een hazelnoot en zwart wordt; soortgelijke blaren verschijnen op de rechter elleboog en de volgende dag op het linkerbeen.
Handen en onderste helft van de onderarm donker en livide, als bij kwaadaardige cholera.
Zwelling op de onderarm, ter grootte van een ganzenei, viel eraf nadat zij rondom ontstoken was geraakt. θ Kankerinoculatie.
Beven van de handen.
Gevoel van zwelling en volheid in de handpalmen, des nachts.
Fistelopening in de handpalm, met afscheiding van ichoreuze etter; pijn en gevoeligheid zeer groot. θ Door een fijt.
Tintelingen in de vingers. θ Pericarditis.
De handen kunnen gestrekt worden, maar de vingers niet.
Branden en schietende pijn in een vinger, samenhangend met een geval dat was ontstaan doordat een wrat was uitgetrokken.
Gevoeligheid tussen de vingers.
Trekkende, rukkende en scheurende pijn van de vingertoppen tot in de schouder.
Met bloed gevulde blaasjes op de vingertoppen; zweren en korsten onder de nagels.
Brandende zweren op de vingertoppen.
Verhardingen in de weke delen tussen het metacarpus van duim en wijsvinger, en enkele langs de onderarm tussen radialis en supinator longus, ter grootte van een gewone boon. θ Kankerinoculatie.
Sponsachtige uitwas op de duim, ter grootte van een framboos, zeer pijnlijk; de geringste aanraking doet de pijn zeer sterk toenemen. θ Kankerinoculatie.
Onder de nagel van de duim een zeer gevoelige, uitstralende pijn, enkele dagen na het opereren van een kankerachtige mamma, waarbij de duimnagel te kort was afgeknipt.
Nagels verkleurd; eerst rood, dan zwart; later vervangen door nieuwe nagels, dun en doorschijnend.
Blauwe nagels. θ Rilling van intermitterende koorts.
Onderste ledematen [33]
Trekkende, stekende pijn vanuit de regio van de eierstok in de dij, die gevoelloos en lam aanvoelt; < door beweging. θ Ovaritis.
Paarden heuplam door ontsteking van de nieren, staan scheef, met de benen naar elkaar toe getrokken.
Pijn achter de grote trochanter, zich posterieur langs de dij naar beneden uitstrekkend, dan naar de knie; anterieur de patella omvattend, langs de tibia naar de enkel; pijn enigszins verlicht door buiging van de knie.
Diep trekkend, kokend gevoel; hopeloos, bleek, vermagerd; dyspneu of flauwteaanvallen bij de geringste inspanning. θ Sciatica.
Neuralgie in de heup, met ernstige brandende, scheurende en trekkende pijn, waardoor het aangedane deel geen ogenblik rust krijgt. θ Sciatica.
Sciatica ontstaan door verblijf in een vochtige, koude kelder.
Scheurende en schietende pijnen in heup, dij en lies.
Spiertrekkingen in de heupen. θ Kinkhoest.
Hevige trekkende, scheurende pijn in de heupen en de linkervoet.
Kramp in dijen, kuiten en tenen 's avonds in bed; gevolgd door lusteloosheid.
Klachten overheersen aan de binnenzijde van de dij.
Ondraaglijke jeuk aan de dijen.
Billen beurs bij aanraken.
Aanvallen van hevige pijn aan de achterzijde van de dij, in de kuiten en de hielen; < bij elke poging tot lopen, verlichting door buiging van knie- en heupgewrichten (buigen, enz., tegen de buik). θ Reuma.
Gressus gallinaceus.
Pijn in het kniegewricht, alsof geslagen.
Zwelling en pijn van de knieën.
Kraken van de knieën bij het lopen.
Stijfheid en onbeweeglijkheid van knieën en voeten. θ Scirrhus.
De knieën voelen alsof ze omzwachteld zijn.
Periodieke elastische zwelling van de knie; matige druk kan verdragen worden zonder dat de pijn toeneemt; zeer hevige pijn in de knie, zich uitstrekkend tot heup- en enkelgewricht, alsof er over de lange beenderen wordt geschraapt. θ Reuma.
Stijfheid van knieën en voeten, afwisselend met scheurende pijnen.
Jeukende herpes in de knieholten. θ Scabiës.
Jeukende tetter in de knieholte.
Koudegevoel, vooral in knieën en voeten.
Knieën koud, hoofd en oren heet.
Scheuren in de tibia.
Kramp in de kuiten.
Kramp en trekken in de kuitspieren. θ Koliek.
Veelvuldige kramp in de kuiten. θ Tussenpozen van epileptische aanvallen.
Onrust in de onderste ledematen; kan 's nachts niet stil liggen, moet voortdurend de stand van de voeten veranderen of rondlopen om verlichting te krijgen.
Gevoel alsof de onderste ledematen het zouden begeven bij het traplopen.
Vermoeidheid in de voeten.
Zwakte van de voeten, gevoelloosheid.
Gevoelloosheid, stijfheid en ongevoeligheid van de voeten, met incidentele zwelling en hevige pijn.
Trekkende pijn in de benen wanneer men zittend de voeten op de vloer laat rusten.
Doffe zeurende pijn in het rechterbeen onder de knie, enigszins toegenomen door lopen, maar vooral < 's nachts nadat men warm is geworden in bed; ovale verhevenheid op de tibia, ongeveer tien centimeter onder de knie, hard en onbeweeglijk en zeer gevoelig bij aanraken, met lichte roodheid; later soortgelijke pijn en drukgevoeligheid aan de buitenzijde van de rechterellepijp.
Pijn in de onderste ledematen. θ Wisselkoorts.
Witte zwelling van een ledemaat, met wisselkoorts en verzwakkende diarree. θ Phlegmasia alba dolens.
Zwelling van de onderste ledematen, met hevige pijn.
Oedemateuze zwelling van het linkerbeen.
Oedeem van de benen. θ Gonarthrocace.
Zwelling van de voeten. θ Ziekte van Bright.
Voeten oedemateus, gezwollen, ijskoud en gevoelloos. θ Hartziekte.
Oedemateuze voeten. θ Koortsvrije periode van wisselkoorts.
Oedemateuze extremiteiten. θ Albuminurie.
Oedemateuze wreef, been en dijen zeer gezwollen, de huid erysipelateus. θ Pyemie.
Oedemateuze zwelling van de voeten; grote uitputting.
Harde blauwrode zwelling van de voeten.
Zwelling van de voeten, hard, brandend, glanzend, met rode vlekken of blauwzwarte blaren.
Hete en glanzende zwelling van de voeten.
Paarden: zwelling van de voorvoeten; aandoeningen van de hoef of de hoefspleet.
Uitzetting van de aderen van de voeten. θ Varices.
Rechterledemaat gezwollen en vol etterende puistjes, met ondraaglijke jeuk.
Na onderdrukt voetzweet. θ Hartkloppingen.
Ondraaglijke jeuk van de voeten.
Jeukende zwelling van de voeten.
Oude zweren aan de onderste ledematen, met brandende en lancinerende pijnen.
Oude zweren aan de benen, met branden en steken.
Pijn in een geülcereerd been zo hevig dat zij er om 4 uur 's morgens van wakker werd en niet meer kon slapen.
Zweer op de voet, omgeven door een gangreneuze korst.
Na opening van een abces op de linkerhiel werden de wondranden gangreneus. θ Peritonitis van het hielbeen.
Scheuren in de hielen.
Verlies van kracht in de tenen; het lopen gebeurt op de voetzolen.
Steken waardoor zij huivert, van de linker kleine teen tot de grote teen.
Hevige scheurende, trekkende pijn van de enkelknobbels naar beneden over de hiel tot in de voetzool, alleen verlicht wanneer het been tegen de buik wordt gebogen. θ Reuma.
Koud gevoel in de voetzolen.
Voetzolen alsof zij van hout zijn en de grond niet voelen.
Etterende zweren of ulcera op voetzolen en tenen.
Blaren op de voetzolen, die 's nachts een lichtgeel, foetide vocht afscheiden.
Verscheurende pijn in de voetzolen.
Zich uitbreidende blaren vormen zweren op voetzolen en tenen.
Beurse pijn aan de teenballen tijdens het lopen, alsof zij stukgeschuurd zijn.
Tenen naar beneden getrokken.
Brokkelende, misvormde teennagels.
LEDEMATEN IN HET ALGEMEEN [34]
Zwaar gevoel in de ledematen. θ Intermitterende koorts.
Neuralgie van de extremiteiten.
Pijnlijk gevoel van vermoeidheid, doordringend tot in het merg van de beenderen van de ledematen. θ Reuma.
Jichtige en reumatische pijnen, trekkend en verscheurend, vooral in de ledematen, met onvermogen om op het aangedane deel te liggen, en vermindering van de pijnen bij beweging ervan.
Zeurende pijn in alle ledematen. θ Ziekte van Bright.
Neuralgische pijnen in onderarmen en benen, nemen geleidelijk toe en af; < door koude lucht of koud water.
Pijn in de ledematen, springend van de ene plaats naar de andere.
Onrust van de ledematen tijdens kinkhoest.
Algemeen gebrek aan wilskracht in de bovenste en onderste ledematen; gevoelloosheid of een zwaar gevoel.
Trillen van de ledematen. θ Bij dronkaards.
Spiertrekkingen; trillen; heftig opschrikken bij het inslapen.
Overmatige zwakte en uitputting van de ledematen dwingen hem te gaan liggen.
Samentrekking van de ledematen door verlamming van de strekspieren.
Handen en voeten alsof gemummificeerd; de huid hangt in plooien.
Stijve, lamme ledematen. θ Gele koorts.
Handen en voeten gezwollen, brandende pijn, maar voelen koud aan bij aanraking.
Ledematen koud. θ Cystitis. θ Pneumonie.
Koude handen en voeten, met af en toe een koud gevoel over het hele lichaam. θ Koliekpijn.
RUST. HOUDING. BEWEGING [35]
Door bergbeklimmen of andere musculaire inspanningen : kortademigheid, uitputting, slapeloosheid en andere klachten.
Kan niet in dezelfde houding blijven.
Liggend in bed : sombere voorgevoelens ; astma.
Op de rug liggend : pijn rond de navel < ; brandende pijn in de rug.
Liggen : moet wegens zwakte ; pijn erger.
Rechtop zittend in bed : tandpijn beter.
Moet rechtop in bed zitten : astma.
Zitten : stekende pijn in de aambeien.
Gebogen zittend : ovariële pijn erger.
Halfzittende houding : slaapt op die manier.
Beweging : opwellingen en rillerigheid met prikkelbaarheid ; gevoel alsof de hersenen tegen de schedel slaan ; hoofd verward bij paraplegie ; hoofdpijn < ; ogen pijnlijker ; ovariële pijn < ; beklemming van de borst < ; > jichtige en reumatische pijnen in de ledematen ;
veroorzaakt flauwte ; < warmte.
Lopen : wankelt met hoofdpijn ; verlicht pijn in de supra-orbitale streek en in de tanden ; hoofdpijn < ; stekende pijn in de aambeien ; hoest in open lucht ; veroorzaakt flauwte ; in de open lucht, huivering.
Stijgen : astma < ; beklemming van de borst ; verergert klepafwijkingen.
Moet bewegen : hoofd en voeten bij hemicranie ; kan niet stil liggen.
Vooroverbuigen : ovariële pijn erger.
Omhoogkomen in bed : bonzen in het hoofd < ; overmatige misselijkheid en braken.
Omdraaien in bed : kortademig.
ZENUWSTELSEL [36]
Kan nergens rust vinden; verandert voortdurend van houding; wil steeds van de ene plaats naar de andere en ligt nu hier, dan weer daar.
Onrustig, beweegt voortdurend hoofd en ledematen.
Het was voor haar onmogelijk in dezelfde houding te blijven, en bij de geringste verandering van houding van het aangedane lidmaat moest zij schreeuwen. θ Acuut rheumatisme.
Tijdens aanvallen onrustig; beweegt hoofd en ledematen heen en weer en meent daardoor enige verlichting te krijgen. θ Migraine.
Woelt van de ene zijde op de andere. θ Zomerdiarree.
Grote onrust, kan niet blijven zitten, rent rond, kruipt op handen en voeten. θ Cystitis.
Grote onrust met vrees en angst.
Onrustig, geprikkeld, doodsangst. θ Hoofdpijn.
Grote onrust en angst, voortdurend bewegen van hoofd en ledematen, terwijl de romp stil ligt wegens al te grote zwakte. θ Tyfus.
Angstige onrust. θ Gastritis. θ Peritonitis. θ Ovariële waterzucht. θ Baarmoederkanker. θ Panaritium. θ Scarlatina.
Grote onrust met veel dorst. θ Rheumatische iritis.
Grote onrust en uitputting. θ Prosopalgie.
Grote onrust na onderdrukte netelroos.
Grote onrust. θ Neuralgie van de nervus trigeminus. θ Scheurbuik. θ Maagkanker. θ Dysenterie. θ Cystitis. θ Ovaritis.
θ Dysmenorroe. θ Longoedeem. θ Astma.
θ Chronische darmcatarrh. θ Coxalgie. θ Eclampsie.
θ Mazelen. θ Pokken. θ Karbonkel.
θ Herpes.
Onrust en angst. θ Tijdens het hittestadium van intermitterende koorts.
Algemeen onbehagen. θ Vóór intermitterende koorts.
Beven. θ Hematemesis. θ Chlorose.
Beven van de ledematen. θ Dysenterie. θ Tyfus. θ Bij dronkaards. θ Bij hoest.
Subsultus tendinum.
Rukken in het lichaam bij het inslapen, als elektrische schokken.
Na verdriet, clonische spasmen; gezicht en ledematen trokken krampachtig samen, hij stiet onwillekeurig een brul uit terwijl hij bij bewustzijn was; een man, æt. 65.
Clonische of tonische spasmen op verschillende plaatsen. θ Cholera Asiatica.
Spasmen, voorafgegaan door brandende hitte van het hele lichaam. θ Eclampsie.
Hysterische spasmen, gevolgd door uitputting.
Voor de spasmen trekken in de ledematen, verlangen om te gaan liggen; wanneer zij optreden, een plotselinge schok door het lichaam of een ijzige koude van het hoofd langs de rug naar beneden; bewustzijnsverlies, hij strekt zich uit en kronkelt en trekt daarna de ledematen samen; het abdomen gaat snel op en neer met gerommel; soms vervorming van de gelaatsspieren. θ Tetanus.
Epileptische convulsies, voorafgegaan door het gevoel van warme lucht die langs de wervelkolom naar het hoofd opstijgt, duizeligheid, bewustzijnsverlies en neervallen.
Convulsie met opisthotonos; schuim voor de mond.
Convulsies. θ Bij kinkhoest.
Epileptische aanvallen (vaker bij Calcarea arsenica).
Tetanus.
Stijfheid en onbeweeglijkheid van alle gewrichten.
Onvermogen enige beweging te maken. θ Tyfus.
Voelt zich overal uiterst moe.
Waant zich sterk totdat hij probeert op te staan. θ Buiktyfus.
Vermoeid, afkerig van elke lichamelijke inspanning; de vermoeidheid neemt zo toe dat hij niet kan slapen.
Uitputting door de geringste inspanning, moet gaan liggen.
Grote uitputting. θ Dysenterie. θ Baarmoederkanker. θ Tuberculose.
θ Gonarthrocace. θ Ascites. θ Scirrhus mammae. θ Hematemesis.
Het kind is zeer zwak; de geringste inspanning lijkt het uit te putten, zoals braken, enz.
Zwakte die hem dwingt te gaan liggen; dan voelt hij zich sterker.
Grote zwakte en onrust. θ Aambeien. θ Hemoptoë.
Grote vermoeidheid en zwakte. θ Intermitterende koorts.
Pijnen zijn zeer uitputtend. θ Kiespijn.
Overmatige zwakte. θ Scheurbuik. θ Karbonkel. θ Chlorose.
Grote zwakte en flauwte. θ Rheumatisme. θ Karbonkel.
Zwakte door overmatige arbeid.
Snelle en volledige prostratie.
Prostratie, duizeligheid, suizen in de oren, slechthorendheid. θ Tyfus.
Uiterste prostratie. θ Migraine. θ Maagkanker. θ Chronische darmcatarrh. θ Astma. θ Pneumonie. θ Tuberculose.
θ Verlamming. θ Tyfus. θ Scarlatina.*
Uiterste prostratie en snelle vermagering. θ Tyfus. θ Intermitterende koorts.
Afasie; linkerarm en -voet verlamd. θ Na een apoplectische toestand met grote prostratie.
Grote prostratie, met wasachtige bleekheid en koude van de huid.
Verslapping van de spieren.
Krachteloosheid in de voeten.
Door ziekte spoedig geprostreerd. θ Gastritis.
Plotselinge prostratie. θ Darmcatarrh. θ Cholera Asiatica.
Overmatige prostratie; algemeen snel wegzinken van de krachten.
Grote inzinking van de krachten. θ Apyrexie van intermitterende koorts. θ Mazelen. θ Pokken.
Plotselinge inzinking van de krachten. θ Later stadium van peritonitis. θ Metritis.
Zeer snelle inzinking van de krachten. θ Intermitterende koorts. θ Gele koorts.
Plotselinge inzinking van de krachten; koud zweet, doodsangst.
Zakt in bed naar beneden. θ Tyfus.
Veelvuldig flauwvallen.
Heftige diepe flauwteaanvallen.
Flauw, angstig en zwak, vroeg in de ochtend.
Flauwvallen met duizeligheid en zwelling van het gezicht.
Flauwvallen. θ Hematemesis. θ Gastralgie. θ Intermitterende koorts.
θ Dysenterie. θ Chlorose.
Soms kort na de aanval flauwteaanvallen, vooral als zij aandrang tot stoelgang heeft. θ Teruggekeerde intermitterende koorts.
Flauwvallen door beweging, door rondlopen, door hoesten of spreken. θ Hematemesis.
Lichte aanvallen van flauwteachtige zwakte met beklemming op de borst. θ Acuut gewrichtsrheumatisme.
Flauwteaanvallen met uitputting. θ Tyfus.
Flauwvallen door zwakte, met nauwelijks waarneembare pols.
Elektromusculaire contractiliteit verminderd.
Gebrek aan lichamelijke prikkelbaarheid.
Paraplegie.
Volledige paraplegie, huid van de benen koud, zacht, slap; de geringste spontane beweging is onmogelijk.
Kan niet spreken, linkerarm en -voet lam na een apoplectische toestand met grote prostratie.
Paraplegie; huid van de benen koud, slap; grote prostratie.
Verlamming: met gressus gallinaceus, ook door loodvergiftiging; na neuralgie; van ledematen die tevoren oedemateus waren; vooral van de extensoren; met atrofie van de spieren; meestal beiderzijds; vooral van de onderste extremiteiten; vaker dan apoplexie.
Slaap [37]
Gapen en uitrekken.
Frequent krampachtig gapen. θ Paraplegie.
Om de twee of drie seconden moet zij gapen; meisje, æt. 7. θ Zomerdiarree.
Onvermogen om naar bed te gaan.
Schokken van de ledematen bij het inslapen; soms opgewekt door pijnen die in verafgelegen delen worden gevoeld.
Overdag, tijdens het zitten, frequente aanvallen van slaperigheid.
Halfsluimer, onderbroken door kreunen en tandenknersten. θ Tyfus.
Slaperigheid onderbroken door onrustige dromen en grote angst.
Sluimer en lichte delirische toestand.
Van middernacht tot de ochtendschemering lichte sluimer, verstoord door veelvuldig ontwaken met een brandende of beurse pijn in de borst. θ Astma.
Wanneer de koude rilling afneemt, valt hij in een diepe slaap; wordt weer wakker nadat de hitte een tijdlang heeft geduurd. θ Intermitterend.
Sopor, waaruit zij dikwijls ontwaakt, maar slechts voor korte tijd. θ Tyfus.
Sopor in de avond.
Slaap vol vermoeiende dromen; niet verkwikkend.
Dromen: vol zorg, verdriet en vrees; over onweer; over vuur; over zwart water en duisternis; over de dood en dode personen; tegenslagen; verlegenheden en ergernissen.
Praat in zijn slaap, verklapte een geheim dat anders niet over zijn lippen zou zijn gekomen. θ Kankerinoculatie.
Beven in de slaap; grijpt naar het hoofd. θ Tyfus.
Grijpen naar pluisjes.
's Nachts slaap, afwisselend met ijlen en verschillende visioenen.
Slechts half in slaap, voortdurend verstoord door kreunen en tandengeknars.
Frequent opschrikken in en uit de slaap.
Springt uit bed.
Erger tijdens de slaap.
Pijnen worden vooral 's nachts gevoeld, tijdens de slaap of na het gaan liggen.
Vermoeidheid ogenschijnlijk vermeerderd door slaap.
Onrustig, angstig, < 's nachts. θ Reuma.
Onrustige slaap, verstoord door vreselijke dromen. θ Intermitterend.
Onrustige nachten, zwak, vermoeid, grijsgeel gelaat; geen eetlust. θ Intermitterend.
Erger 's nachts. θ Koliek. θ Pericarditis. θ Karbonkel,
enz.
Pijnen < 's nachts. θ Scirrhus uteri.
Klaagt 's nachts over pijn en onrust. θ Scrofuleuze oftalmie.
Jeuk en branden < 's nachts. θ Crusta lactea.
Nachtelijke brandende pijn als vuur met grote onrust. θ Scirrhus mammae.
's Nachts branden of een vreselijke jeuk. θ Eczeem.
Ernstige brandende pijn < 's nachts. θ Herpes.
Branden alsof heet water door de bloedvaten stroomde, met angstige hitte en onrust, en met verlangen zich bloot te dekken.
Slaap angstig, onrustig.
Slaap in halfzittende houding.
Bij het 's nachts wakker worden, moeite om opnieuw in slaap te vallen.
Wordt soms wakker met vreselijke angst, hartkloppingen en onrust, doodsangst.
Ontwaakt uit onrustige slaap met angst en hartkloppingen, nadat verbetering is begonnen. θ Intermitterend.
Ontwaakt na de hitte uit de slaap met zingen en suizen in de oren, en zeer weinig zweet. θ Intermitterend.
Wordt door pijnen gewekt; vooral rond middernacht.
Erger rond middernacht. θ Difterie. θ Peritonitis. θ Darm-
catarrh. θ Chronische catarrh van de darmen. θ Metritis. θ Dysmenorroe.
θ Baarmoederkanker. θ Panaritium. θ Ischias.
θ Mazelen. θ Œdema pulmonalis. θ Tyfus.
θ Gastralgie.
Slaap verstoord na 3 uur 's morgens; zij staat verschrikt op.
De avondlijke verergering houdt aan tot na middernacht. θ Acuut reuma.
Werd omstreeks 3 uur 's morgens wakker, zich inwendig brandend heet voelend, hoewel uitwendig koel bij aanraking; daarna kwam een zware lumbale hoofdpijn, met zwaar gevoel en benauwdheid in de maag. θ Oftalmie.
Slapeloos tot 3 uur 's morgens.
Grote onrust tijdens de slaap; voortdurend woelen en draaien ; alles schijnt te verontrusten.
Slapeloosheid, met onrust en kreunen.
Nachtelijke onrust, met grote zielsangst in de hartstreek.
Slapeloos van zielsangst, rusteloos, woelend, < na middernacht.
Slapeloos, pols 100, 's nachts delirant, onlesbare dorst en verlies van eetlust. θ Pyemie.
Slapeloze nachten met coryza.
Slapeloosheid. θ Gonarthrocace.
Slapeloos, en tegen de morgen een sluimer met vreselijke dromen. θ Ziekte van Bright.
Slapeloosheid < in de nacht vóór een aanval. θ Apyrexie bij intermitterende koorts.
Slapeloosheid. θ Zweer op de hiel; periostitis van het os calcis.
Na bergbeklimmen of andere musculaire inspanningen: kortademigheid, uitputting, kan niet slapen, en andere aandoeningen.
Nachtelijk zweten.
Na de slaap en aan het einde van de hitte, grote begeerte naar iets verfrissends; zij wil wijn met water, koffie, enz. θ Gerecidiveerde intermitterende koorts.
Na de slaap, grote vermoeidheid. θ Intermitterend.
Na de slaap voelt hij zich alsof hij niet genoeg had geslapen; de ogen zijn moe; kan niet uit bed komen.
TIJD [38]
Avond : periodiek kloppen in het hoofd ; gezwollen voorhoofdsverhevenheden < ; oorpijn < ; verlies van adem ; beklemming van de borst en angst ; rillerigheid in de borst ; kramp in de benen ; sopor ; kruipend gevoel.
Om 2 uur 's middags : hoofdpijn begint af te nemen.
Om 3 uur 's middags : koude rilling.
Om 10 uur 's avonds : oogontsteking afgenomen.
Om 12 uur 's nachts : springt uit bed met astma.
Na middernacht : onrust en angst < ; oogontsteking < ; diarree < ; astma > ; koude van de extremiteiten < ; hitte met angst.
Nacht : periodiek kloppen in het hoofd ; pijn van erysipelas < ; pulserende steken in de ogen ; pijn in en boven de ogen bereikt haar hoogtepunt ; diarree < ; aambeien pijnlijker ; kroep < ; hoest < ; geen expectoratie ; hæmoptoë ; hartkloppingen
< ; kleplijden verergert ; reumatische pijnen in de arm < ; kan niet stil liggen ; pijn < ; onrust < ; jeuk en branden < ; rillerigheid ; hitte.
Dag en nacht : koliek.
Van middernacht tot de ochtend : onrustige sluimerslaap.
Om 2 uur 's nachts : kramp in de maag ; astma ; koorts en zweet.
Van 1 tot 5 uur 's nachts : angina pectoris.
Tot 3 uur 's nachts : slapeloos.
Omstreeks 3 uur 's nachts : wordt wakker door koorts en rugpijn.
Na 3 uur 's nachts : slaap verstoord.
Na 4 uur 's nachts : geen slaap door pijn in geülcereerde been.
Ochtend : periodiek kloppen in het hoofd ; verrot-zoete smaak ; diarree ; kriebelhoest ; flauw, angstig, zwak, zweet ; koude rilling met kramp in de borst.
Om 5 uur 's morgens : oogontsteking begint.
Om 7 uur 's morgens : hoofdpijn begint.
Van 10 tot 11 uur 's morgens : koude rilling.
Om 11 uur 's morgens : hoofdpijn bereikt hoogtepunt.
Voormiddag : koude ; koortsaanvallen beginnen meestal.
Middag : oogontsteking op het hoogtepunt ; koortsparoxysme.
Koude rilling in de namiddag tegen 4 uur : conjunctivitis periodiek.
Overdag : expectoratie ; koude rilling, 's nachts zweet.
TEMPERATUUR EN WEER [39]
Afwisseling van warmte en koude: benauwde ademhaling.
Koud wassen: kloppingen in het hoofd >.
Koude vochtige kelders: lokken aanvallen van ischias en astma uit.
Koud weer: pijnlijke neus < ; wekt tandpijn op.
Stormachtig weer: benauwde ademhaling.
Koud water: maakt de tanden gevoelig.
Baden in zee: lokken vele klachten uit.
Open lucht: hoofdpijn < ; zwaar gevoel in het hoofd > ; hoofd gevoelig voor open lucht ; oogontsteking > ; gesuis in de oren > ; verstikkende hoest bij het lopen.
Ontbloten; hoofd <.
Warme omslagen: hoofd >.
Warme toepassingen: in het algemeen > oogontsteking.
Warme kleding: benauwde ademhaling <.
Warme kamer: gesuis in de oren <.
Warmte: aambeien >.
Hete kachel: tandpijn >.
KOORTS [40]
Het paroxysme begint met uitrekken, gapen, een onaangenaam gevoel, grotere vermoeidheid en lichte kruipingen over de rug na het drinken. θ Intermitterende koorts.
Gapen, uitrekken, een onbehaaglijk gevoel en grote vermoeidheid, moet gaan liggen, vóór het paroxysme. θ Recidief van intermitterende koorts.
Elke ochtend uitrekken van de ledematen, gapen, leegte in het hoofd, dorst, en na het drinken onmiddellijk rillerigheid en kruipingen. θ Dagelijkse intermitterende koorts.
Vóór de koude fase, flauwte, snijdende pijn in het abdomen als van messen, loze oprispingen met maagpijn, het begint met angst ; frequent braken van gelig-bitter water ; braken van voedsel met voortdurende misselijkheid ; braken van gal en slijm met hevig persen : wanneer de koude fase
overgaat, vallen zij in een diepe slaap. θ Intermitterende koorts.
Koude, gapen, hoofdpijn en grotere zwakte ; spoedig daarna schudkoorts met hoofdpijn. θ Intermitterende koorts.
Aanvallen beginnen met duizeligheid, grote prostratie, geleidelijk toenemende hitte, eindigend in langdurig zweet. θ Intermitterende koorts.
Zuigelingen hebben geen duidelijke koude fase ; moeten toegedekt worden ; zeer dorstig.
Inwendige koude, terwijl de huid niet koud aanvoelt.
Huid koel. θ Ascites.
Koude droge huid. θ Dysenterie.
Koude over het gehele lichaam. θ Hematemesis.
Koude van het lichaam met veel dorst. θ Typhus.
Koude van het lichaam. θ Gele koorts.
Tijdens zitten, of in bed, zijn de voeten koud. θ Intermitterende koorts.
Koude van de extremiteiten ; < na middernacht.
Gevoel van koude in zweren.
Koude van het gehele lichaam, bleek, ingevallen gelaat, zeer ziekelijke aanblik, lippen bleek, schudkoorts, pijnen in de ledematen, samentrekking van de borst, ademhaling belemmerd, onrustig, bevend. θ Dagelijkse koorts.
Koude 's nachts, uitrekken, hoofdpijn, en pijn in de rechter oogbol, lastig bij het bewegen van het oog. θ Intermitterende koorts.
Begeleidende verschijnselen van de koude fase : koliek en dunne stoelgang, misselijkheid, hoofd verdoofd, bewusteloosheid, scheurende pijn in de onderste ledematen, trekkende pijn in alle ledematen, alsof de dijen beurs geslagen zijn, krampen in de borst, moeilijke ademhaling, uitrekken van de ledematen, aandrang tot urineren en frequent
urineren, honger. θ Intermitterende koorts.
Met rillingen en koude treden pijnen of andere klachten op. θ Intermitterende koorts.
Kruipingen in de avond met uitrekken van de ledematen en angstige onrust.
Huiveren : vooral na het drinken, met rillerigheid ; na het middagmaal ; bij lopen in de open lucht ; aan het begin van de koorts vóór de koude fase.
Voelt zich kouwelijk en blijft dicht bij de kachel. θ Migraine.
Congestieve koude rillingen.
Koude fase die geleidelijk toeneemt tot schuddende schudkoorts.
Hevige koude fase met beven ; elke middag om 3 uur, of 's avonds.
Koude fase zonder dorst om 10 of 11 uur 's morgens, schuddende koude gevoeld alsof zij langs zijn rug naar beneden liep, blauw verkleurde huid, verschrompelde huid. θ Intermitterende koorts.
Nachtelijke rillerigheid, alleen in gelaat en voeten.
Koude fase alsof koud water langs de rug druppelt.
Koude fase in het onderlichaam.
Koude en koude fase keren terug na het drinken en na het eten. θ Intermitterende koorts.
Drinken verergert de koude fase en veroorzaakt braken. θ Intermitterende koorts.
Koude fase : > na eten ; meer honger dan dorst ; > na het opstaan uit bed ; < buitenshuis.
Klonische spasmen tijdens de koude fase.
Blauwe nagels en lippen tijdens de koude fase.
Verbetering van de pijnen na de koude fase. θ Intermitterende koorts.
Tijdens koude fase en hitte worden vele van de begeleidende symptomen verergerd.
Koude fase en geen dorst, 10 uur 's morgens ; huid verschrompeld ; lippen en nagels blauw.
Tijdens koude fasen in het algemeen geen dorst. θ Intermitterende koorts.
Kort na prodromale koude van het lichaam, blauwe nagels, koude in de rug, schudkoorts, inwendig beven, met hevige pijnen in rug en sacrum, samentrekking van de borst, moeilijke ademhaling en leegte in het hoofd. θ Recidief
van intermitterende koorts.
Koude in de voormiddag, ziekelijk uiterlijk, blauwe lippen, hevige hoofdpijn, schudkoorts, tandengeklapper, samentrekking van de borst. θ Intermitterende koorts.
Zodra de schudkoorts afneemt, krijgt zij een onweerstaanbare honger, zij moet iets eten, hoewel zij weet dat dit de koude fase opnieuw opwekt. θ Recidief van intermitterende koorts.
Vaak schudkoorts met kippenvel. θ Waterzucht.
Koud als ijs.
Onduidelijke ontwikkeling van koude en hitte ; hetzij gelijktijdig, hetzij afwisselend.
Kouwelijk en koortsig, meestal tegen zonsondergang.
Hitte vermengd met koude. θ Intermitterende koorts.
Frequente rillerigheid wisselt af met hitte. θ Rheumatisme.
Inwendige koude, met uitwendige hitte en rode wangen.
Inwendig brandende hitte, met een koud uitwendig oppervlak. θ Scarlatina.
Vanbinnen koud en vanbuiten brandend heet. θ Intermitterende koorts.
Koude fase zonder dorst gevolgd door hitte met veel dorst en geen zweet ; of zweet komt uren later, waarop alle klachten toenemen ; lever en milt zijn gezwollen. θ Waterzucht.
Een uur na de koude fase hitte overal, brandend, droog, zeer vaak drinken. θ Intermitterende koorts.
Intermitterende koorts begint met koude fase of dorst, gevolgd door hitte vroeger of later, met veel dorst en geen zweet, of zweet op een later uur, waarop alle eerdere klachten toenemen.
Na nachtelijke koude gedurende twee uur, droge hitte, droge mond, dorst ; onrustig, angstig, bonzen en kloppen door het hele lichaam ; slapeloos. θ Intermitterende koorts.
Koude fase zonder dorst gevolgd door hitte met veel dorst en geen zweet, of zweet op een later uur, waarop alle eerdere klachten toenemen ; lever en milt zijn gezwollen, zelfs waterzuchtige verschijnselen doen zich voor. θ Intermitterende koorts.
Afwisselende koude rillingen, koorts en zweet. θ Tuberculose.
De hitte na de koude fase is droog, ondraaglijk, duurt drie of vier uur, met pijnlijke spanning en druk in beide hypochondrieën ; volheid in het epigastrium ; drukkende pijn in het voorhoofd ; onrust, angst en dorst. θ Recidief
van intermitterende koorts.
Na koude, hitte, met branden door het hele lichaam, het gloeit heet door alle aderen ; angst, onrust, grote vermoeidheid ; dorst en verlangen naar zure dingen ; pijn in het linker hypochondrium. θ Dagelijkse
intermitterende koorts.
Met koude fase, heet voorhoofd, hitte in het gelaat en koude handen. θ Intermitterende koorts.
Koude voeten en hete handen.
Koude van de knieën, met hitte van hoofd en oren.
Uitwendige koude, met koud, klam zweet. θ Kinkhoest.
Algemene koude, met perkamentachtige droogheid van de huid, of met overvloedige, koude, klamme transpiratie.
Overdag koude fase, 's nachts zweet.
Koude of zweet op zieke delen.
Koude, droge huid, afwisselend met koud zweet. θ Dysenterie.
Droge, brandende hitte.
Aanhoudende brandende hitte van de huid. θ Mazelen. θ Hepatitis.
Hevig branden. θ Karbonkel.
Hitte overheerst, duurt van twee tot vier uur, hevig branden, bijna ondraaglijk, gloedhitte over het hele lichaam. θ Intermitterende koorts.
Inwendige brandende hitte.
Klaagt tijdens het braken over hevige inwendige hitte en dorst.
Hitte 's nachts, alsof heet water over iemand heen werd gegoten.
Gevoel alsof het bloed in de slagaders kokend heet was.
Inwendig branden, droge hitte ; neiging zich bloot te leggen.
Bij koorts wil de patiënt toegedekt blijven ; drinkt weinig en vaak ; koud water verdraagt hij niet, het veroorzaakt rillerigheid, pijn, onmiddellijk braken.
(Bij zieken :) Brandende hitte, met onlesbare dorst.
Brandende koorts, grote dorst, weinig maar vaak drinken ; duidelijke prostratie ; droge, uitgedroogde tong. θ Intermitterende koorts.
Dorst alleen tijdens het hete stadium, drinkt vaak een weinig.
Droge hitte 's avonds en 's nachts, met dorst en frequent drinken van telkens slechts een kleine hoeveelheid.
Hitte, met verlangen om te drinken, maar geen dorst.
Intense hitte, branden, delier en bewusteloosheid.
Gevoel van hitte, met angst na 12 uur 's middags.
Inwendige hitte, droog brandend, met angstigheid 's nachts.
Hitte en onrustige angst. θ Icterus.
Hitte neemt geleidelijk toe, met onrust, angst en spanning, met druk in de milt. θ Intermitterende koorts.
Grote hitte en onrust, met neusbloeding.
Hitte 's nachts zonder dorst en zonder zweet.
Hitte verergert door beweging, spreken, hoesten, bij lopen ; vermindert door koffie.
Inwendige hitte, met branden in de aderen. θ Kinkhoest.
Hitte neemt geleidelijk toe, met onrust, angst, pijn in de milt ; volheid in de maagkuil ; dorst naar zure dranken. θ Intermitterende koorts.
Hitte, met afnemen van de hoofdpijn ; onrustig ; dorstig ; grote vermoeidheid en slaap. θ Intermitterende koorts.
Nadat de hitte begint, verminderen pijnen en andere klachten die met de koude fase begonnen zijn, of zij worden door nieuwe symptomen vervangen. θ Intermitterende koorts.
Tijdens de hitte : angst, onrust ; branden ondraaglijk ; dorst, vooral naar warme dranken ; spanning ter hoogte van de milt ; neusbloeding.
Begeleidende verschijnselen van de hitte : onrust, angstigheid ; uitgaand van de maagkuil ; bonzen en pulseren door het hele lichaam ; ijlend ; pijnlijke spanning in de hypochondrieën, het meest links ; knagende pijn en branden in de streek van de
maag ; pijn in botten, lendenen, voorhoofd ; misselijkheid, moeilijke ademhaling ; huid droog en brandend ; dorst, droge mond, met frequent drinken, maar niet veel, soms een groot verlangen naar zure dingen en aangezuurde dranken. θ Intermitterende koorts.
Aan het einde van de hitte vaak misselijkheid, braken, vooral na het drinken ; vermoeidheid en slaap. θ Intermitterende koorts.
Nadat de hitte is verminderd, grote slaperigheid en zweten in de slaap. θ Dagelijkse intermitterende koorts.
Zij voelt zich na de hitte zeer uitgeput en valt ten slotte in slaap. θ Recidief van intermitterende koorts.
Na de koorts, aanval van hoofdpijn.
Koorts en zweet elke namiddag.
Hitte 's nachts, met zweet van gelaat en voeten.
Koorts om 2 uur 's nachts ; zweet in het gelaat en op de voeten, en spanning in de hypochondrieën en het epigastrium, waardoor angst en koliekpijnen ontstaan.
Eerst hitte, dan zweet.
Zweet aan het einde van de koorts, met ophouden van alle voorgaande symptomen.
Zweet komt enige tijd na de hitte, of helemaal niet. θ Intermitterende koorts.
Zweet dat bruinachtig geel vlekt.
Zweet koud, klam, zuur riekend, of onaangenaam ; met uitputting.
Koud, klam zweet. θ Peritonitis. θ Typhus. θ Gele
koorts. θ Cholera Asiatica.
Koud zweet. θ Cystitis. θ Zomerdiarree. θ Dysenterie.
θ Pericarditis. θ Apyrexie bij intermitterende koorts. θ Scarlatina.
Zweet, met afkeer van zich bloot te leggen.
Zweten bij het inslapen ; verdwijnt nadat men een weinig heeft geslapen.
Nachtelijk zweten.
Zweet in de ochtend, na nachtelijke hitte.
Overvloedig ochtendzweet, dat geen verlichting geeft. θ Rheumatisme van de knie.
Zweet dat na de slaap afneemt.
Periodiek zweet.
Zweet te gemakkelijk, of tijdens zitten, tijdens eten, en na eten of drinken.
Zweet vermindert door beweging.
Zweet verschijnt helemaal niet. θ Intermitterende koorts.
Zweet niet vóór de nacht, en schaars, vaak alleen in het gelaat en op de borst, van korte duur. θ Recidiverende intermitterende koorts.
Zweet op achterzijde, achterhoofd, hals, enz.
Overvloedig zweet rond de knieën, 's nachts.
Zweet op het onderlichaam.
Alle symptomen van de eerste stadia > tijdens het zweten. θ Intermitterende koorts.
Alleen pijnvrij tijdens het zweten. θ Rheumatisme.
Zweet verschijnt niet tijdens de hitte, maar later, gepaard gaand met dorst, vaak suizen van de oren, zwaar gevoel in het hoofd ; duizeligheid en beven. θ Intermitterende koorts.
Begeleidende verschijnselen van het zweet : angst ; spraakzaamheid ; gelaat bleek of rood ; misselijkheid, bitter braaksel ; onlesbare dorst ; neusloop ; vingers als dood ; zwelling van de voeten.
Slaap na het zweet.
Koud zweet, met grote prostratie.
Hoest eindigt met zweet. θ Kinkhoest.
Koud en klam zweet, met grote uitputting door de geringste inspanning.
Zweet verzwakkend, zelfs tot flauwte.
Paroxysmen onregelmatig, meestal dagelijks, 's morgens, soms een of twee dagen overslaand.
Aanvallen beginnen meestal in de voormiddag. θ Intermitterende koorts.
's Morgens schudkoorts, met kramp in de borst ; later droge, brandend hete huid ; pols klein, zwak, frequent ; klaagt over hoofdpijn ; droge mond en lippen ; onophoudelijk drinken, maar weinig ineens ; grote begeerte naar zure dingen ; onrustig en kreunend ; hitte
duurde drie uur ; tegen de avond na de koorts ; grote zwakte en gevoeligheid in de ledematen ; geen zweet, maar frequent drinken. θ Intermitterende koorts.
De derde dag, in de voormiddag, koude, bleek gelaat, schudkoorts, beven, onrust en huilen, gevolgd door hitte, met slaap en kreunen ; ten slotte een weinig zweet en frequent drinken. θ Een
jongen met intermitterende koorts.
Paroxysme dat omstreeks 12 uur 's middags, of 1 uur 's middags optreedt. θ Intermitterende koorts.
Bij de verschillende stadia van de koorts treden altijd andere symptomen op. θ Intermitterende koorts.
Na het paroxysme : zwakte, volheid in de bovenbuik ; minder appetijt ; verlangen naar iets verfrissends, of wijn of koffie ; trage, ontoereikende stoelgang. θ Intermitterende koorts.
's Avonds na het paroxysme onwel, humeurig ; meerdere diarreeachtige stoelgangen. θ Een jongen met intermitterende koorts.
Na het paroxysme grote vermoeidheid en zwakte, geen appetijt ; voortdurend verlangen naar zure dingen of iets verfrissends. θ Dagelijkse koorts.
Icterus na intermitterende koorts.
Tijdens de apyrexie nooit geheel vrij van symptomen. θ Intermitterende koorts.
Dagelijkse en andere intermitterende koortsen.
Koude fase in de namiddag, gevolgd door droge avondhitte, en later zweet.
Dagelijkse, tertiaire en quartaire koortsen, met onduidelijke rillerigheid en hitte, met grote onrust en dorst, of anders zonder dorst tijdens rillerigheid en hitte.
Intermittent incompleta ; koude vermengd met hitte, of hitte en rillerigheid volgen elkaar snel op.
Ontbreken van koude, hitte of zweet. θ Intermitterende koorts.
Intermitterende koorts die na quinine recidiveert.
Koortsen die intermitterend zijn en naar een tyfoïde toestand neigen.
Tyfoïde koorts : trage, langdurige gevallen, met licht delier ; verlies van bewustzijn ; grote angst ; erethisme, zelfs bij de grootste prostratie ; hippocratisch gelaat ; wangen brandend heet, scherp begrensd rood ; gelaat vertrokken ; ogen glanzend, starend
of ingevallen, of gesloten door kleverige afscheiding ; lippen droog, gebarsten, zelfs zwart ; mond bekleed met een bruin of zwart slijmig beslag ; grote dorst, maar telkens weinig drinken ; vloeistoffen rollen hoorbaar in de maag ; ontlasting waterig, stinkend, vaak onwillekeurig ; beklemming ; droge
hoest, foetide adem ; witte, miliaire uitslag ; petechiën ; bloed sijpelt uit de droge lippen en uit de anus ; huid heet, droog, perkamentachtig ; of bedekt met koud, klam zweet ; lijkengeur van het lichaam ; zwakte zo groot dat hij in bed omlaag glijdt ; onderkaak
hangt naar beneden.
Putride koorts.
Gele koorts ; zwart braaksel ; onverschilligheid, stupide uitdrukking ; delier, enz.
Irritatieve koorts ; hectiek ; duidelijke vermagering ; overdag hete, droge huid, 's nachts zweten ; buitengewoon prikkelbaar, zowel geestelijk als lichamelijk.
Hectische koorts. θ Gonarthrocace.
Tyfoïde verschijnselen. θ Scarlatina.
Asthenische gevallen van pokken.
AANVALLEN, PERIODICITEIT [41]
Typhus tertianus anteponens.
Periodieke klachten; terugkeer van klachten wanneer het jaar weer rond is.
Elke ochtend: strekken van de ledematen, geeuwen; leegtegevoel in het hoofd.
Elke namiddag: brandende pijnen in de ogen; hevige rilling met beven; koorts en zweet.
LOKALISATIE EN RICHTING [42]
Rechts : pijn in de oogbol ; otorroe ; brandend slijm uit een neusgat ; pijn in het hypochondrium ; pijn in het abdomen en de lies ; pijn in de eierstok ; steken in het bovenste deel van de borst ; hypertrofie van de hartkamer ; scheurende pijn en schokken in de schouder ;
reumatische pijn in de elleboog ; been gezwollen en bedekt met etterende puistjes.
Links : pijn in hoofd en gezicht ; pijn in de supra- en infraorbitale streken ; otorroe ; kankerachtige zweer op de bovenlip ; trekkende pijn rond de onderrand van de ribben ; trekkende, stekende pijn onder het hypochondrium ; samentrekkende pijn in de lies ; branden in de borst ;
steken in de borst tijdens de inademing ; neuralgie in de linkerarm ; roodachtige vlek op het ellebooggewricht ; blaren op het been ; verlamming van arm en voet ; gewrichten van de hand misvormd ; abces in de hiel.
Van beneden naar boven : steken in het borstbeen ; warme lucht die langs de wervelkolom omhoog stroomt.
GEWAARWORDINGEN [43]
Alsof er iemand naast hem stond die alles deed wat hij deed ; alsof de hersenen bewogen en tegen de schedel klopten ; als een hete draad die door de vertakkingen van het vijfde zenuwpaar werd gestoken ; als van zand in de ogen ; alsof de neus en het voorhoofd beurs waren, alsof het hoofd zou barsten ; de hersenen alsof zij in stukken werden gereten ; alsof katten de hersenen in stukken scheurden ; alsof de ogen in het hoofd werden getrokken ; alsof de ogen geen ruimte in de oogkas hadden ; alsof de oogleden droog waren en over de oogbol wreven ; de onderlip alsof verbrand ; als van roodgloeiende naalden in de gezwollen bovenlip ; alsof de tanden verlengd en los zaten ; de tong alsof verlamd ; alsof de tong te zwaar was ; de tong alsof verbrand ; alsof maag en slokdarm rauw werden gemaakt door een zure, corroderende stof ; rechter lies alsof verstuikt ; alsof zij zand door het rectum uitscheidde ; de borst alsof rauwgeschaafd ; alsof de borst met een hoepel was omsnoerd ; de nek alsof beurs ; alsof heet water door de bloedvaten stroomde ; alsof men niet genoeg had geslapen ; alsof koud water langs de rug naar beneden sijpelde ; alsof er iets losgescheurd was in het linker hypochondrium, ook in de maagkuil, bij gapen ; alsof de darmen samengebonden waren (koliek) ; alsof het abdomen vóór de ontlasting zou barsten ; alsof men stof inademde ; alsof iets zich van voren naar achteren in de keel boorde ; alsof zij een last had in het bovenste deel van beide longen ; alsof de onderste ledematen het zouden begeven bij het opgaan van de trap ; een gevoel van warme lucht die langs de wervelkolom omhoog stroomt ; onderrug alsof gebroken ; knieën alsof ingebandageerd ; als van schrapen over de lange beenderen van het been ; voetzolen alsof van hout.
Pijnlijk gevoel van vermoeidheid, dat tot in het merg van de ledematen doordringt.
Als koud water dat langs de rug naar beneden loopt.
Het loopt heet door alle aderen. θ Hitte bij wisselkoorts.
Onbepaalde pijn : in de ogen ; in de oogleden ; in epigastrium, maag en abdomen ; rond de navel ; in de rechterzijde van het abdomen, uitstralend naar de rechter lies en het scrotum ; tussen de schouderbladen ; in de arm waarop men heeft gelegen ; in het sacrum ; in de lever ; in de knieën ; in de onderste ledematen ; in de milt ; in gangreneuze zweren.
Ondraaglijke pijn : van de precordiale streek naar nek en achterhoofd.
Lancinerend : in de maag ; in de borst ; en brandend in het abdomen ; in de baarmoederstreek, van rectum naar anus en schaamdelen ; in oude zweren op de benen ; in ontstoken zwellingen ; in scirrhus.
Snijdend : als messen in het abdomen, schietend door de liesring.
Verscheurend : in de armen ; in de onderste ledematen.
Schietend : door het bovenste deel van de rechterlong.
Doorborende pijn : in de spieren.
Borend : in de rechter supraorbitale streek ; boven het oog tot in de tanden ; op een klein plekje in de slaap ; in maag en darmen.
Steken : in het hoofd ; vanuit de linker gehoorgang naar buiten ; in epigastrium en maag ; in de milt ; in het rechter hypochondrium ; in de leverstreek ; in het linker hypochondrium ; vanuit het abdomen in de vagina ; in de liezen ; in aambeien ; in de nierstreek ; in het rectum ; in de zijden ; in de rechter bovenborst ; in de linkerborst ; in het borstbeen ; steken vanuit de eierstok naar de dij.
Stekend : in een zweer op de cornea ; in de oogleden.
Priemend : van het voorhoofd naar de ogen ; in de oogleden ; in een zweer op de rechter neusvleugel ; in het gezicht ; in de bovenlip ; in de slokdarm ; in de maag en het epigastrium ; in het abdomen ; in aambeien ; in oude zweren op de benen.
Prikkend : occipitale hoofdpijn ; links infraorbitaal ; in een zweer op de cornea ; in het rectum ; in de eikel ; in de oogkas.
Schietend : in de vinger, na verwijdering van een wrat ; in de heup.
Scheurende pijn : in de rechter supraorbitale streek ; boven het oog tot in de tanden ; in de hersenen ; rond de ogen ; vanuit de linker gehoorgang naar buiten ; in de linker gelaatshelft ; in maag en darmen ; in het abdomen ; in de urinebuis ; in rug en benen ; in de rechter schouder en het gewricht en langs de arm omlaag ; van de elleboog naar de axilla ; van de vingertoppen naar de schouder ; in de heup ; in de linkervoet ; in knieën en voeten ; in de tibia ; in de hielen ; in de gewrichten.
Rijtend : in de voetzolen ; in de spieren.
Trekkend : in het gezicht ; van de maagkuil rond de onderrand van de linkerribben ; onder het linker hypochondrium ; in de benen ; tussen de schouderbladen ; van de onderrug naar de schouders ; in de armen ; van de elleboog naar de axilla ; van de vingertoppen naar de schouder ; van de eierstok naar de dij ; ischias ; in de heup ; in de benen ; in de linkervoet ; in de ledematen ; in de gewrichten.
Trekkend stekend : van de streek van de rechter eierstok naar de dij.
Trekkend drukkend : in de rechterzijde van het voorhoofd ; van het voorhoofd naar de ogen.
Brandend : in de rechter supraorbitale streek ; boven het oog tot in de tanden ; in het voorhoofd ; erysipelateus in het hoofd ; op het hoofd ; in de ogen ; boven de oogkas ; in een zweer op de cornea ; op de oogleden ; aan de neusgaten ; in de neus ; in een zweer op de rechter neusvleugel ; in de wangen ; in de bovenlip ; in kankerzweren in het gezicht ; in puistjes en blaasjes in het gezicht ; in het tandvlees ; op de tong ; in de mond ; in de keel ; in het epigastrium ; in de maag ; in de darmen ; in de pylorusstreek ; in de leverstreek ; in het rechter hypochondrium ; in de navelstreek, in anus en rectum ; in de darmen ; in aambeien ; in de urineblaas ; in de urinebuis ; in de eikel ; in de eierstokken ; in de baarmoederstreek ; in de geslachtsdelen ; in de mamma ; in borstkanker ; in het strottenhoofd en de luchtpijp ; in de borst ; in de linkerborst ; rond het hart ; in de wervelkolom ; in de rug ; in de vinger ; in zweren op de vingertoppen ; in de heup ; in oude zweren op de benen ; in de aderen ; in de huid ; in de gewrichten ; in ontstoken zwellingen ; in zweren ; in scirrhus ; in karbonkel.
Schrijnend : aan de neusgaten, erupties aan nek, schouders en zijden.
Gevoeligheid : van de oogleden ; in de borst ; in de axilla ; tussen de vingers ; in de bal van de tenen.
Rauw gevoel : in de borst.
Kloppend : in de ogen.
Drukkend : als van een last op de hersenen ; in het voorhoofd ; in het achterhoofd ; in het voorhoofd naar de ogen toe ; in het epigastrium en de maag ; in beide hypochondria ; in het borstbeen.
Spannend drukkende pijn : van voorhoofd en slapen naar achterhoofd en nek ; in de milt.
Drukkend stekende pijn in de rechter ovariumstreek.
Rukkingen : tandpijn ; in het tandvlees ; van de vingertoppen naar de schouder ; door het gehele lichaam ; van de ledematen bij het inslapen.
Knijpend : in de maag en het abdomen.
Gravend : in de liezen.
Knaagend : in de maagkuil.
Invretend : in maag en darmen.
Kokend : in het been (ischias).
Kronkelend of draaiend : in het abdomen.
Kramp : in de maag ; in de darmen ; in de buik ; in de borst ; in het hart ; in de dijen, kuiten en tenen.
Insnoering : van de keel ; van de slokdarm ; van de maag ; in het abdomen ; in de navelstreek ; in de linker lies ; van de borst.
Neuralgische pijn : in de hersenen ; in de ogen ; aan de linkerzijde van de nek ; in de linkerarm ; in de heup ; in de onderarmen en benen.
Reumatische pijnen : van de elleboog omhoog naar de schouder ; in de rechterelleboog ; in de ledematen.
Jichtachtige pijnen : in de ledematen.
Verstuikt gevoel : in de nek.
Beurs gevoel : over de neus en in het voorhoofd ; in de gezwollen submandibulaire speekselklieren ; in de onderrug ; tussen de schouders ; in de nek ; in het kniegewricht en de dijen alsof geslagen.
Zeurende pijn : in de eerste onderste premolaar ; in de maag en het epigastrium, zich uitbreidend naar de borst ; na hoesten in de borst ; dof in het rechterbeen onder de knie ; in alle ledematen.
Doffe pijn : in het linker hypochondrium.
Spanning : in beide hypochondria ; in het abdomen ; in de eierstok ; rond de milt ; in het epigastrium.
Beklemming : van de borst ; boven het hart.
Volheid : in de maagkuil ; na het eten ; in de borst ; in de handpalmen ; in de bovenbuik.
Zwaar gevoel : in het hoofd ; in de maag ; in de borst ; van de ledematen.
Gewicht : in het hoofd, het voorhoofd ; als van een steen in de maag.
Bonzend : in de ogen boven de neuswortel ; in het voorhoofd ; pijn in het hoofd ; in de oogbol en rond de oogkas ; in de tandwortels ; in de baarmoederstreek ; in het gehele lichaam (hitte van de wisselkoorts).
Trekkingen : in de ogen ; van de aangezichtsspieren ; in de heupen.
Beven : in de maagkuil.
Schommelen of klotsen in de hersenen.
Kruipend gevoel : in de maag ; in de ledematen.
Tinteling : in de vingers.
Formicatie : langs de wervelkolom.
Stijfheid : van de nek ; van de knieën en voeten.
Gevoelloosheid : van de tanden ; van de voeten ; van de dij.
Zwakte : in het hoofd ; in de maagkuil ; in de rug ; in de voeten.
Vermoeidheid : in de voeten.
Uitputtende pijn : boven het linkeroog.
Onrust : in de onderste ledematen.
Gevoel van verlamming : in de bovenste ledematen.
Bedwelmend gevoel : hoofdpijn.
Hitte : in het hoofd ; in de ogen ; in de slokdarm ; in de maag en het epigastrium ; over het gehele lichaam ; in de borst.
Koude : ijskoud gevoel op de behaarde hoofdhuid ; in de maag ; in het abdomen ; in de borst ; in de voetzolen ; inwendig ; in zweren ; in de rug ; van het lichaam ; van de ledematen.
Jeuk : in de behaarde hoofdhuid ; op het hoofd ; van het gezicht ; in de bovenlip ; in puistjes en blaasjes in het gezicht ; van de geslachtsdelen ; in de borst ; van de dijen ; van de voeten ; van de huid.
WEEFSELS [44]
Bloedingen, helderrood of zwart, vloeibaar; het bloed stolt langzaam of helemaal niet.
Na grote bloedverliezen uit de uterus. θ Metritis.
Na aderlating of ander bloedverlies. θ Hemoptoë.
Anemie.
Chlorose met beven, frequent flauwvallen, uiterste zwakte.
Pyemie.
Septische veranderingen van het bloed, exanthemata, ecchymosen, petechiën, decubitus. θ Tyfus.
Ontsteking rondom verhardingen op de onderarmen en een sponsachtige excrescentie op de punt van de duim. θ Kankerinoculatie.
Branden in huid en aderen. θ Hemorroïden.
Branden in de aderen. θ Metritis.
Flebitis met tyfoïde symptomen.
Ontstekingszwellingen met brandende pijnen.
Opgezette aderen van de voeten.
Varices branden als vuur, vooral 's nachts.
Trombose.
Hevige pijn in de streek van de liezen, trombose van de grote aderen in die streek. θ Pyemie.
Chronische ontsteking van de sereuze vliezen, met overvloedige, sereuze effusie.
Koude zwelling van klieren.
Scrofuleuze aandoeningen; verharde klieren, enz.
Scrofuleuze ontsteking.
Ziekten van de slijmvliezen.
Scherpe afscheidingen.
Ontsteking van het periost; scheurende pijn in de beenderen; ziekten van de beenderen.
Scheurende, brandende pijn in de ledematen, vooral in de gewrichten, met bleke zwelling van de aangedane delen, waardoor slaap verhinderd wordt. θ Reuma.
Scheurende, trekkende pijnen in alle gewrichten van de linkerzijde, met zwelling; gewrichten van de vingers en de linkerhand misvormd, gecontraheerd, onbeweeglijk. θ Reuma.
Rukkende, stekende pijn in de spieren.
Spieren en huid stijf.
Spieren verslapt. θ Terugval van intermitterende koorts.
Elastische zwellingen.
Ontstekingszwellingen, met brandende, lancinerende pijnen.
Gezicht, abdomen en alle ledematen, vooral de benen, zijn waterzuchtig gezwollen.
Ascites.
Waterzucht in verschillende lichaamsdelen, albumine in de urine. θ Brightse ziekte.
Waterzucht met onlesbare dorst.
Waterzucht na roodvonk. θ Ascites.
Waterzucht met troebele urine.
Waterzuchtige zwelling overal. θ Ovariële waterzucht.
Waterzuchtige aandoeningen. θ Scarlatina.
Algemene anasarca, ascites en hydrothorax, met albuminurie.
Algemene anasarca, met wasachtige huid en grote zwakte.
Algemene anasarca; huid bleek, wasachtig of aardkleurig; grote dorst. θ Albuminurie.
Anasarca, gevolgd door olieachtig, zoetig geurend zweet.
Snelle vermagering, groot verlies van vlees, met koud zweet; zwakte.
Vermagering en verschrompeling van de aangedane delen.
Grote vermagering, leemkleurig gezicht, blauwe randen rond de ogen, grote zwakte van alle ledematen, geen lust om iets te doen en voortdurende neiging om te rusten; diarree; soms droge prikkelhoest en nachtzweten. θ Atrofie van kinderen.
Snelle vermagering; atrofie van de voeten en vingertoppen.
Vermagering bij kinderen, met indigestie en diarree, < in de voormiddag en na middernacht; kleine, gele, waterachtige, stinkende ontlasting, met dorst naar kleine hoeveelheden water; daarna treden droge prikkelhoest en nachtzweten op.
Vermagering. θ Kanker van de maag. θ Chronische darmcatarrh. θ Ovaritis.
θ Scirrhus mamma. θ Coxalgia. θ Gonarthrocace.
θ Tyfus.
Vermagering, met gebrek aan eetlust, of liever afkeer van voedsel. θ Paarden.
Atrofie van kinderen; marasmus; tering.
Een sponsachtige excrescentie op de duim wordt steeds groter en de pijn steeds heviger, zodat deze uiteindelijk naar het hoofd uitstraalt. θ Kankerinoculatie.
Ulceratie die zich voortdurend in de breedte uitbreidt.
Oppervlakkige zweer, die dagelijks dieper doordringt, in omtrek toeneemt, met randen die meer en meer naar buiten omkrullen.
Scherpe, brandende, corroderende afscheidingen, vaak uiterst stinkend.
Zweren branden als vuur; pijn zelfs tijdens de slaap; overvloedige bloederige etter of ichor; basis blauw, zwart of lardeus; wild vlees; > door warmte.
Zweren breiden zich meer in de omtrek uit dan in de diepte.
Zweren met gebrekkige ettervorming; met dunne korst en lichte bloeding bij verbinden.
Verandert de lancinerende, brandende pijnen; of, bij ulceratie, de stinkende, excorierende afscheidingen. θ Scirrhus.
Vertraagt ontbinding (bij dodelijk vergiftigden).
Anthrax, brandend als vuur; koude, blauwe huid, droog als perkament, afschilferend in grote schubben.
Sphacelus: delen zien zwart en branden als vuur; foetide geur.
Gangraena senilis sicca, met koude, verlangen naar meer bedekking; > door warmte.
Gangreen: > door warmte; (< door warmte, Secale).
Gangreneuze zweren van een halve duim breed, die ondraaglijke pijn veroorzaken, omgeven en gedeeltelijk bedekt door een gangreneuze korst. θ Periostitis van het os calcis.
AANRAKING. PASSIEVE BEWEGING. VERWONDINGEN [45]
Aanraking : hoofdhuid gevoelig ; tandvlees gevoelig ; maag gevoelig ; miltstreek beurs ; abdomen pijnlijk.
Kan niet op het aangedane deel liggen : jicht en reuma.
Wrijven : > beurse pijn in het voorhoofd.
Op het hoofd slaan : > tandpijn.
Verlangt toegedekt te zijn : tijdens koorts.
Verlangt onbedekt te zijn : tijdens het zweten.
Het kind > wanneer het snel rondgedragen wordt.
Vergiftiging door rottende, ziekelijke of dierlijke materie, door inoculatie, inademing of inslikken.
Dissectiewonden.
Na opening van een abces op de hiel werden de wondranden gangreneus. θ Periostitis van het os calcis.
Na een beet in de arm door een razende kat trok de pijn op naar de schouder ; delier ; droge brandende koortshitte ; neiging tot braken.
Na een hevige trap van een koe tegen de rechter eierstok, zeurende, schietende pijn uitstralend omlaag naar het dijbeen ; het ledemaat voelt verdoofd en lam aan ; > in rust en 's nachts ; < door beweging ; < bij zitten, gebogen of bij bukken ; brandende pijn, koorts, wasachtig gezicht ; vermagering ; in plaats van
menstruatie, dunne, stinkende ichor.
HUID [46]
Overgevoeligheid van de huid.
Branden en jeuk. θ Schurft.
Brandende jeuk, delen pijnlijk na het krabben.
Jeuk verergerd door krabben.
Jeuk van de huid; als men krabt tot er een plek rauw is, blijft een branderig gevoel achter. θ Eczeem.
Jeuk van de huid na onderdrukte uitslag. θ Amaurose.
Huid scherp aanvoelend, heet en droog. θ Typhus.
Bij ziekte zonder koorts, droogheid van de huid.
Perkamentachtige droogheid van de huid.
Huid droog, verschrompeld, gerimpeld.
Huid ruw, droog en vuil uitziend.
Koudheid en blauwheid van de huid.
Kind vermagerd tot een skelet; huid wit, droog en als perkament. θ Scrofulose.
Huid droog en schilferig.
De aandoening begon als een rode vlek, breidde zich enigszins uit als ringworm: bedekt met zilverachtige schubben; behaarde hoofdhuid bedekt met een dikke korst. θ Een soort lepra.
Zemelachtige, droge, schilferige erupties, met jeuk en branden; dit laatste vermeerderd door krabben, gevolgd door bloeding.
Uitslag als visschubben.
Huid vervelt in grote schubben.
Schubben vallen voortdurend af, waardoor het haar verloren gaat.
Droge, schilferige eruptie, soms met een foetide, purulente afscheiding. θ Eczeem.
Huid bleek. θ Apyrexie van intermitterende koorts.
Wasachtige, vuilwitte huid. θ Intermitterende koorts.
Huid zeer wit en deegachtig van aanzien, later geel, schilferig.
Gele huid. θ Typhus.
Donkerbruine kleur van het gehele lichaam.
Bruinachtig-witte vlekken op de huid.
Geschikt voor patiënten met levervlekken, wier huid op door kleding bedekte delen een bruin, modderig, ongewassen uiterlijk heeft.
Blauwe vlekken, vooral op abdomen, genitaliën en oogwit.
Huid gerimpeld, droog, koud, blauw. θ Cholera asiatica.
Donkere blaren aan vingers of tenen, brandend als vuur: zich uitbreidend, met donkere randen.
Zeer pijnlijke zwarte eruptie.
Zwarte blaasjes die brandende pijn veroorzaken.
Rode, scorbutisch uitziende eruptie.
Eruptie lijkend op rode petechiën, van de grootte van een vlooienbeet tot die van een linze.
Op vele plaatsen met bloed gevulde blaren. θ Aambeien.
Petechiën, miliaire eruptie of netelroos. θ Dysenterie.
Petechiën, vermengd met scarlatina.
Zwarte ecchymosen onder de huid op verschillende plaatsen; gezwollen tandvlees. θ Morbus maculosus.
Petechiën. θ Typhus.
Witte, miliaire eruptie. θ Typhus.
Witte uitslag. θ Febris puerperalis.
Eczeem; rauw brandend. θ Na scarlatina.
Roseolavlekken op borst en abdomen. θ Typhus.
Acne simplex.
Furunkels.
Erupties meestal droog.
Fijne jeukende eruptie, als zand.
Eruptie veroorzaakt door ongeschikt voedsel, zoute vis, gezouten vlees.
Mazelen, aanhoudend brandende huid; uitslag komt te vroeg, of verdwijnt plotseling; gelaat bleek, vaal of opgeblazen; spruw in de mond; zwarte mazelen, met plotselinge inzinking van de krachten en nerveuze rusteloosheid.
Aanvallen als kroep die optreden in plaats van de gebruikelijke uitslag van galbulten of netelroos.
Urticaria, met veel branden en rusteloosheid; ook na het terugtreden ervan. Zie kroep.
Erysipelas; ook rond gewrichten.
Scarlatina, eruptie blijft uit, of verbleekt plotseling, wordt livide, of vermengt zich met petechiën; kwaadaardige keelpijn; waterzucht; of eruptie goed doorgekomen, maar met onevenredige zwakte, licht delier, braken, enz.
Waterzucht na scarlatina; wasachtige huid; morbus Brightii.
Vesiculaire erupties; jeukachtige puistjes.
Hardnekkige gevallen van schurft.
Met bloed gevulde blaasjes aan de toppen van de vingers; zweren, met korsten onder de nagels.
Op romp en ledematen blaren gevuld met geëxtravaserd bloed. θ Aambeien.
Puistjes en blaasjes. θ Crusta lactea.
Grote bleekrode pustels, 's nachts het pijnlijkst.
Puistjes branden hevig en veroorzaken bijna ondraaglijke angst.
Spitse, witachtige puistjes, gevuld met waterachtige vloeistof, beginnend met jeuk en branden, vooral op abdomen en handen, en tussen de vingers.
Pustuleuze erupties. θ Schurft.
Kleine pustels, jeukachtige verhevenheden, breken open en scheiden een corroderende vloeistof af, die invretende zweren vormt.
Rode pustels, overgaand in ichoreuze, korstige, brandende en zich uitbreidende zweren.
Variola, asthenische gevallen; pustels zakken in, areolae worden livide, ook in hemorragische en septische vormen.
Psoriasis guttata.
Tetterige, korstige eruptie.
Herpetische eruptie, jeukend en brandend.
Herpes, met blaasjes en heftig branden, vooral 's nachts; bedekkingen als visschubben. θ Ichthyosis.
Suppurerende herpes, met brandende pijnen.
Vertraagde eruptie. θ Scarlatina.
Wanneer het scharlakenexantheem van het oppervlak verdwijnt en naar longen en hart gaat, onheilspellende hartklopping met steken in het epigastrium.
Eruptie wordt plotseling bleek, livide. θ Scarlatina.
Te vroege en plotselinge verdwijning van de uitslag. θ Mazelen.
Pustels zakken in en hun areolae worden livide. θ Pokken.
Acute erupties verdwijnen plotseling met snelle prostratie.
Na onderdrukte mazelen of scarlatina. θ Pericarditis.
Na onderdrukte herpes circinatus. θ Hartklopping.
Eruptie op alle delen van het lichaam behalve gelaat en handen; begon als een kleine rooskleurige vlek, breidde zich snel uit, enigszins op de wijze van ringworm, en werd spoedig bedekt met zilverachtige schubben die soms konden worden afgewreven en werden vervangen; behaarde hoofdhuid bedekt met een dikke
korst; geen gewaarwording behalve wanneer een olieachtige substantie werd aangebracht, wanneer er lichte jeuk was; er waren honderd of meer van deze plekken, variërend van de grootte van een erwt tot die van een zilveren dollar. θ Lepra; kind
æt. 7.
Brandende zweren.
Branden in de zweer dwingt tot krabben en wrijven, wat het erger maakt.
Het gehele oppervlak van de zweer brandt en is zeer gevoelig. θ Kankerzweer.
Pijnlijke gevoeligheid van oude zweren.
Zweren: kankerachtig, vooral pijnlijk in de ochtend, met branden in en aan de rand; met verheven randen; met dunne, bloederige pus; met foetide ichor en wild vlees; vlak met een blauwachtig-witte basis; gelijk met het oppervlak, met overvloedige afscheiding van een
kadaverachtige geur; vlak met overvloedige afscheiding; aan de benen; oud, met branden en steken; met verheven eeltachtige randen; met rode, glanzende halo; met foetide, waterachtige afscheiding of wild vlees; hard aan de randen, stekend, brandend, sponsachtig; met wild
vlees: zwart wordend; pus dun, ichoreus (kankers); afscheiding van zwart, gecoaguleerd bloed; met een dunne schurf op het oppervlak en gemakkelijk bloedend bij verbinden; met foetide ichor en wild vlees die spoedig verrot, blauw en groen worden; klein, ichoreus over het gehele lichaam,
pijnlijk gevoelig; met afscheiding van dikke, groenachtige, kwalijk riekende ichor, hevige jeuk en branden, < 's nachts, > door warmte, < door koude lucht; phagedenisch, zich voortdurend in de breedte uitbreidend.
Zweer op het been bedekt met grijze korst en omgeven door een ontstoken rand.
Oppervlak van zweren onrein, zwartachtig, stinkend, met uitscheiding van bijtende ichor; dikke randen bedekt met pustels, hard, rand ontstoken. θ Zweren aan de benen.
Afscheiding van foetide pus. θ Gonarthrocace.
Lijklucht vervult de kamer. θ Typhus.
Gangreen; sphacelus; kankerzweren; karbonkel.
Antrax brandend als vuur.
Roodachtig blauwachtige vlekken die gangreneus worden. θ Karbonkel.
Gangreneuze blaasjes op sereuze zwelling.
Gangreneus aspect van zweren.
Panaritium met gangreneus aspect.
Serpigineuze zweren.
Gangreneuze toestand van het slijmvlies van de neusholten. θ Nasleep van mazelen.
Gangreneuze zweren; aangedaan deel heet, hevige pijn, ontsteking rond de zweer; rond de blaasjes is het deel pijnlijk, stekend, scheurend; een blaasje ter grootte van een hazelnoot werd zwart.
Pijnlijke gangreneuze zweren nadat een abces op de linkerhiel geopend was.
Oude littekens branden.
Wratten.
LEVENSFASE, CONSTITUTIE [47]
Hydrogenoïde constitutie.
Jonge, anemische mensen. θ Scrofuleuze constitutie.
Tuberculeuze syfilitische huidziekte.
Vrouw, æt. 35, sedert enkele jaren na onderdrukking van een uitslag op de hoofdhuid, schilferend en zeer jeukend. θ Trachoom met blefaritis.
Moerassige lucht. θ Intermitterende koorts.
Jongen, æt. 3, na verscheidene dagen humeurig te zijn geweest, geneigd tot slapen, verlies van eetlust en dunne ontlasting. θ Intermitterende koorts.
Meisje, æt. 15, van meet af aan buitengewoon zwak en uitgeput, moet voortdurend gaan liggen. θ Intermitterende koorts.
Meisje, æt. 18, stevig gebouwd. θ Derdedaagse intermitterende koorts.
Een jonge vrouw met sanguinisch temperament leed aan een derdedaagse intermitterende koorts, moest kinine innemen en toch keerde de koorts terug.
Een multipara; nerveuze constitutie, melancholisch temperament, na verkeerde behandeling met Chin. sulph.; recidieven van de herfst van 1851 tot 17 maart 1852.
Man, æt. 40, mager, cachectisch; drinkt sterke drank. θ Dagelijkse intermitterende koorts sinds een week.
Man, æt. 40, sterk, groot. θ Na catarre, intermitterende koorts.
RELATIES [48]
Antidota bij giftige doses : melk, albumine, enz., moeten eerst worden gegeven om het gif te omhullen totdat een antidotum of een braakmiddel verkregen kan worden. Wek braken op met braakmiddelen van mosterd, zinksulfaat of kopersulfaat, enz., maar vermijd braakwijnsteen en andere stoffen
die het slijmvlies van de maag sterk prikkelen. Kalkwater is nuttig doordat het de oplosbaarheid van arsenigzuur vermindert. Verzachtende dranken in grote hoeveelheden zijn nuttig. Om dat deel van het arsenicum tegen te gaan dat niet uit de maag is verdreven, moet vers klaargemaakt ferrihydraat of
magnesia in grote hoeveelheden worden gegeven. Ricinusolie is het best purgeermiddel om arsenigzuur uit de ingewanden te verwijderen.
Chemische antidota, zoals : dierlijke kool, gehydrateerd ijzerperoxide, magnesia en kalkwater kunnen nuttig blijken.
Opium is van nut als dynamisch antidotum. Indien de maag het afstoot, dien het dan toe in de vorm van clysmata. Hepar is een nuttig antidotum.
Gebruik brandewijn en stimulerende middelen wanneer er veel neerslachtigheid en collaps is.
Als de urine onderdrukt is, geef dan grote hoeveelheden water dat zoete salpetergeest bevat.
Antidota tegen potenties van arsenicum : Camphor., Cinchon., Chin., Sulph., Ferrum., Graphit., Hepar., Iodine., Ipec., Nux vom., Sambuc., Tabac., Veratr .
Arsenicum antidoteert : Carb. veg., Cinchon., Ferrum., Graphit., Hepar., Iodum., Ipec., Laches., Mercur., Nux vom., Sambuc., Tabac., Veratr .
Arsenicum is nuttig gebleken bij aandoeningen door : pruimtabak kauwen, alcoholisme, zeebaden, worstvergiftiging, dissectiewonden, miltvuurgif, Strychnia., Phosphor., Digit., Plumbum ; Iodine., Cinchon., Ipec., Carb.
veg., Graphit., Laches ., en Veratr .
Arsenicum heeft genezen nadat hadden gefaald : Agar . (oscillatie van de oogbollen) ; na Bellad., Chamom., Cicut . en Calomel (bij inoculatie
tijdens de operatie wegens scirrhus van de mamma).
Arsenicum is van nut gebleken na : Morphia bij scirrhus uteri.
Arsenicum is passend na : Acon., Arnic., Bellad., Cinchon., China., Ipec., Laches., Veratr .
Middelen die nuttig zijn na Arsenicum : Aran. diad., Nux vom., Iodium , Sulphur (retinitis albuminurica, scrofuleuze ophthalmie, amaurosis, enz.).
Complementair : All. sat., Carb. veg., Phosphor .
Arsen. alb . is het meest gelijkend op Arsen. met .
Vergelijk met : Acon . (arteriële opwinding, angina pectoris, enz.) ; Apoc . (waterzucht door hartaandoening) ; Arg. nitr . (diarree, dysenterie) ; Bellad.,
Bismuth . (haastig drinken, braken) ; Calc. carb . (delirium tremens) ; Cann. ind . (delier) ; Carb. veg . (astma, collaps) ; Cinchon .,
(verzwakking, gelig bleek gezicht, enz.) ; Ferrum (waterzucht na misbruik van kinine, maar het slijmvlies is bleek) ; Hyosc . (onderdrukking van de urine) ; Ipec . (misselijke maag, braken,
astma, enz.) ; Kreosot . (braken) ; Laches . (gangreen, erysipelas, enz.) ; Lycop . (hoest, enz.) ; Nux vom . (alcoholisme) ;
Phosphor . (vetdegeneratie, verzwakking, enz.) ; Pulsat . (gastralgie, enz., door ijsroom, gebak, enz.) ; Rhus tox . (tyfus) ; Silic .
(onderdrukt voetzweet) ; Tabac . (dodelijke misselijkheid, koud zweet) ; Veratr . (oesofagitis).