Kali Bichromicum
van Constantine Hering — De leidende symptomen van onze Materia Medica
Grote zwakte van het geheugen.
Misanthropie en slecht humeur, zelfs tot levenswalging.
Veelvuldig wegvallen van gedachten; zinloos staren naar een voorwerp.
Lusteloosheid, matheid; grote tegenzin tegen mentale of lichamelijke arbeid.
Onverschillig of terneergeslagen na de minste ergernis, met een benauwd gevoel in de maag.
Slechtgehumeurd; terneergeslagen.
Afkeer van beweging; neiging om te gaan liggen.
Angst die uit de borst opkomt.
Anthropofobie; zwijgzaamheid; misanthropie.
SENSORIUM [2]
Licht gevoel in het hoofd, over het voorhoofd, bij bukken ; < 's morgens.
Plotselinge, voorbijgaande aanvallen van duizeligheid, bij het opstaan uit een stoel.
Duizeligheid, met misselijkheid, neiging tot braken ; pijn in het epigastrium.
Verwardheid en een zwaar gevoel in het hoofd.
HOOFD, INWENDIG [3]
Hoofdpijn in het voorhoofd boven een oog.
Spoedig na het middagmaal een dof, zwaar bonzen boven de ogen, alsof het hoofd zou barsten ; > door liggen, of het hoofd ergens tegen te drukken, of in de open lucht ; < bij bukken of zich bewegen.
Pijn die begint in de rechter supraorbitale rand en zich over een zijde van het hoofd uitbreidt, vroeg op de dag optredend en tien uur aanhoudend, met achterblijvende gevoeligheid van de hoofdhuid. θ Supraorbitale neuralgie.
Pijn in de linker slaap, zich uitstrekkend over het voorhoofd naar de rechter slaap en rond het oog en het jukbeen aan de rechterzijde ; volledig verlies van het gezichtsvermogen in het rechteroog, en een opgezette zwelling op het jukbeen tijdens de pijn ; de aanval begint om 9 uur 's morgens en verdwijnt in de namiddag. θ Supraorbitale neuralgie.
Schietende pijnen boven de wenkbrauw.
Acute kloppende pijn in het midden van de rechter wenkbrauw, beginnend in de ochtend, de hele dag aanhoudend en gepaard gaand met aanhoudend kokhalzen en braken van voedsel en gal, zonder verlichting. θ Migraine.
Pijn in de linkerzijde van het hoofd en boven het linkeroog ; < 's nachts ; pijn in de rechterzijde van de borst, vanaf het schouderblad rondom naar het voorste deel ; knagend gevoel in het epigastrium na de maaltijden ; menstruatie schaars ; leucorrhoe. θ Hoofdpijn.
Plotselinge hevige pijn in de slapen ; een naar buiten schietende pijn in de slapen en boven de ogen, dag en nacht aanhoudend, maar 's nachts minder ernstig ; < bij bukken, wat ook duizeligheid teweegbrengt ; geen neusverkoudheid. θ Hoofdpijn.
Stekende hoofdpijn in een slaap.
Blindheid, gevolgd door hevige hoofdpijn, moet gaan liggen ; afkeer van licht en geluid ; het gezichtsvermogen keert terug terwijl de hoofdpijn toeneemt.
Hoofdpijn waarbij de oogzenuw betrokken is ; komt 's morgens op, het zien is wazig ; naarmate de pijn toeneemt, neemt de wazigheid van het zien af ; komt en gaat met de zon en gaat gepaard met misselijkheid.
Brandende hoofdpijn met duizeligheid, waarbij alle voorwerpen in een gele nevel gehuld schenen ; > door warme soep.
Hevige pijn aan de linkerzijde van het hoofd, ter hoogte van het jukbeenuitsteeksel ; < bij erop liggen ; schiet naar binnen en naar de keel toe ; de keel iets rood, maar niet gezwollen ; maagsymptomen aanwezig. θ Hoofdpijn.
Periodieke aanvallen van halfzijdige hoofdpijn op kleine plekken die met de vingertop konden worden bedekt ; misselijkheid, oprispingen, braken.
Periodieke hoofdpijn met duizeligheid en misselijkheid, 's morgens bij het ontwaken, ook 's avonds ; vaak > door druk, in de open lucht, of door eten.
Pijn in het hoofd, op een punt.
's Morgens bij het ontwaken pijn in het voorhoofd en de kruin ; later breidt deze zich uit naar het achterhoofd.
Hoofdpijn door onderdrukking van afscheiding uit de neus.
HOOFD, UITWENDIG [4]
Hevige schietende pijnen van de neuswortel langs de linker oogkasboog tot aan de buitenooghoek, met wazig zien, alsof er een vlies op het oog ligt ; begint 's morgens, neemt toe tot de middag en houdt tegen de avond op.
Hoofdpijn in het voorhoofd ; gewoonlijk boven één oog ; met tussenpozen schietende pijn in de rechter slaap.
Eenzijdige hoofdpijn op kleine plekken, of langs het verloop van enkele zenuwen.
Schietende of zeurende pijnen aan één zijde ; vliegende pijnen.
Druk op de kruin, alsof er een gewicht op rust.
De beenderen van het hoofd voelen beurs aan ; stekende steken in de beenderen. θ Reumatische hoofdpijn.
Eczeem van de hoofdhuid, die overal en tot aan de wenkbrauwen rood, rauw en sijpelend van een dun vocht was, dat hier en daar opdroogt tot gele korsten ; het haar dun en verspreid staand, en bijna alles uitgevallen ; veel gekriebel, jeuk en schrijnen van de aangedane delen.
Scherp begrensde plekken van uitslag, sterk wisselend in grootte, beginnend in de supraorbitale streken en zich uitstrekkend over bijna de gehele hoofdhuid ; de uitslag bestaat uit een aantal zeer kleine, dicht opeenstaande blaasjes, gevuld met een heldere, kleverige vloeistof, die openbarsten en dikke, gelaagde korsten vormen, van een vuilgrijze kleur ; geen ontsteking of zwelling van de huid tussen de plekken van uitslag ; veel jeuk ; verkleving van de oogleden, en afscheiding van purulente stof uit de binnenooghoek ; plekken van uitslag in het gezicht, en dikke korsten rond de neusgaten ; de uitwendige oren zeer gezwollen, rood en glanzend, achter de oren ontvellingen met overvloedige afscheiding van sereus vocht ; plekken van uitslag van ongeveer 1 1/2 inch lengte, diep ingespleten, in de huidplooien van de nek, met seropurulente afscheiding ; prikkelbaar, rust slecht ; zuigt met moeite, door verstopping van de neusgaten ; vermagering ; groene, slijmerige diarree.
De uitslag begon op het oor en breidde zich uit over de halve zijde van het hoofd ; groenachtige korsten, met sijpelen van witachtige, dikke stof.
Uitslag van pijnlijke kleine steenpuisten op het achterhoofd.
ZICHT EN OGEN [5]
Fotofobie alleen bij daglicht; bij het openen van de oogleden trekken zij schokkend samen.
Verschillende kleuren en heldere vonken voor de ogen.
Brandende hoofdpijn met duizeligheid, waarbij voorwerpen schijnen alsof zij met een gele sluier bedekt zijn.
Oogbol gevoelig bij wrijven, vooral links; ziet de punt van een pen dubbel.
Zicht troebel, verward: vóór de hoofdpijn; met duizeligheid; met geel zien.
Onduidelijke omtrekken; figuren verdwijnen wanneer men ernaar kijkt.
Granuleuze oogleden, volledig pannus van het rechteroog zodat hij nauwelijks vingers kon tellen, en gedeeltelijke pannus van het linkeroog; aanmerkelijke afscheiding; alles scheen hem licht rood; > bij liggen op het gezicht. θ Trachoom met pannus.
Reumatische sclero-iritis, met overmatige pijn en fotofobie. θ Syfilis.
Gevolgen van iritis; prikkende, stekende, rondzwervende pijnen; meestal linkeroog; lymfe en pigment afgezet op de anterieure kapsel van de lens, of op de achterwand van het hoornvlies; fotofobie niet in verhouding tot de graad van ontsteking; oedeem van de oogleden; sterke neiging de oogleden te wrijven; conjunctivale chemosis met hier en daar kleine plekken als ecchymosen.
Indolente zweren van het hoornvlies; bleke ring rondom het hoornvlies.
Rechteroog ontstoken; oogleden geülcereerd; zweer op het hoornvlies; lichte blefarospasme.
Zweren en pustels van het hoornvlies zonder fotofobie, zonder roodheid.
Zweer met lichte fotofobie in de ochtend en verkleving; schrijnen < na wrijven; draderige afscheiding uit het oog. θ Ulceratie van het hoornvlies.
Hoornvlieszweren die de neiging hebben zich naar binnen uit te boren zonder zich zijdelings uit te breiden.
Kleine, witte, granuleuze pustels op het linker hoornvlies, met prikkende pijn.
Hoornvlies aangedaan met een grote troebele vlek, waarheen grote rode vaten vanuit de geïnjecteerde conjunctiva over de heldere rand liepen; een zone van fijne injectie van de oogbol rondom het hoornvlies. θ Catarraal-scrofuleuze ophthalmie.
Sterke injectie van de conjunctiva, zowel van de oogbol als van de oogleden van beide ogen; zeer rood aan de randen van het hoornvlies, en phlyctenula aan de rand; verscheidene diepe zweren op het hoornvlies; sterke fotofobie en tranenvloed; geen pijn. θ Scrofuleuze ophthalmie.
Lang aanhoudende dichte vertroebelingen van het hoornvlies.
Pustel op het linker hoornvlies, met omgevende indolente ontsteking.
Linkeroog sterk geïnjecteerd; hoornvlies troebel; veel fotofobie in beide ogen; op het rechteroog een oud litteken; eczema squamosum over het gehele lichaam; θ Conjunctivitis scrofulosa.
Matige gevallen van croupeuze conjunctivitis (een toestand tussen purulente en echte croupeuze ontsteking in), waarbij het valse membraan losjes vastzit, gemakkelijk loslaat, en de neiging heeft zich op te rollen en zich in flarden af te scheiden, die met de afscheiding meekomen en daaraan een draderig aspect geven; conjunctiva zeer sterk ontstoken, zelfs met chemosis; oogleden gezwollen en het hoornvlies kan wazig zijn.
Echte descemetitis; fijne puntvormige vertroebelingen in het membraan van Descemet, vooral over de pupil, met slechts matige irritatie van het oog.
Iris troebel en traag; hoornvlies zag er uitpuilend uit; fijne sclerale injectie eromheen, en enige conjunctivale injectie; zicht zeer troebel, als door gaas; tranenvloed bij blootstelling; stijfheid aan de buitenste ooghoek; brandende pijn in het bovenooglid bij aanraking. θ Reumatische ontsteking.
Kleine witte pustels in de conjunctiva.
Bij het openen van de ogen, tranenvloed en branden.
Jeuk en branden in beide ogen, tranenvloed en fotofobie.
Branden in de ogen.
Warmte en druk in de ogen.
Warmte en roodheid in de ogen, met neiging ze te wrijven.
Conjunctiva rood, doorlopen met grote vaten; of chemosis, met hier en daar kleine plekken, als ecchymosen.
Ontsteking van de ogen; conjunctiva rood verkleurd, geïnjecteerd en chemotisch; veel tranenvloed; oogleden rood en verkleefd, met dikke stof aan de randen.
Conjunctivitis, congestie van oogleden en oogbol; geen fotofobie; gevoeligheid van de ogen < door lezen of gebruik van de ogen, met schrijnende tranenvloed bij gebruik.
Catarale ontsteking, draderige afscheiding, of schaarse secretie, < 's morgens bij het ontwaken.
Ontsteking van de ogen, met gele afscheiding en verkleving, in de ochtend.
Het oogwit vuilgeel, gezwollen, en bedekt met geelbruine puntjes.
Oogleden 's morgens verkleefd; gele stof in de ooghoeken.
Oedeem van de oogleden; sterke neiging ze te wrijven.
Zwaar gevoel van de bovenoogleden bij het ontwaken; er is inspanning nodig om ze te openen.
Oogleden rood, jeukend, gevoelig; tarsi lijken ruw, waardoor een gevoel ontstaat alsof er zand in de ogen zit; granuleuze oogleden.
Rand van de oogleden zeer rood.
Oogleden brandend, ontstoken, sterk gezwollen; granuleus.
Grote acute granulaties van de oogleden.
Grote poliep ontspringend uit de conjunctiva van het bovenooglid.
GEHOOR EN OREN [6]
Steken in linkeroor en linker parotisklier, met hoofdpijn.
Hevige steken in linkeroor, uitstralend naar het gehemelte, de zijkant van het hoofd en de nek; klieren gezwollen, nek pijnlijk bij aanraking.
Stekend gevoel vanuit de uitwendige gehoorgang naar het binnenste van het oor.
Pulserende pijn 's nachts, purulente otorroe; steken die zich uitbreiden naar de mond of omlaag langs de nek, vergrote parotis.
Pulserende pijn in de oren 's nachts, ook stekend; uitwendige gehoorgang gezwollen en ontstoken.
Dikke, gele, foetide afscheiding uit beide oren. θ Na scarlatina.
Chronische ettering; membrana tympani geperforeerd; cicatrisatie van de randen van de perforatie volledig; de weefsels lijken als in slijmvlies veranderd, en de afscheiding is vaak meer slijm dan etter; afscheiding geel, dik, taai, zodat zij in draden door de perforatie kan worden getrokken; lancinerende, stekende gewaarwordingen die met geen enkele mate van zekerheid gelokaliseerd kunnen worden.
Zweren op het trommelvlies, droog maar niet pijnlijk, behalve scherpe steken.
Hevig kriebelend gevoel en jeuk in de oren.
Uitwendige gehoorgang van het linkeroor gezwollen en ontstoken.
Roodheid; warmte en jeuk van de uitwendige oren.
Uitslag die beide oren bedekt, en een aanmerkelijk deel van de omgevende huid; warm en jeukend, met voortdurende uitzweeting van een waterachtige afscheiding. θ Eczeem.
Jeuk van de rechter oorlel, waardoor hij wakker wordt.
Bof aan de rechterzijde van de lip.
REUK EN NEUS [7]
Verlies van reuk.
Foetide geur uit de neus.
Droogheid van de neus.
Neus zeer droog, met gevoel van druk in de neusbeenderen.
Neus pijnlijk droog; lucht gaat er zeer gemakkelijk doorheen.
Droogheid van de neus; voortdurend gevoel van verstopt zijn; onaangenaam gevoel van branderigheid en zwelling, en soms werkelijke zwelling; gespannen gevoel alsof hij moet barsten; warme bovenlip; ogen aangedaan; < in warmte, > bij koele temperatuur. θ Chronische ontsteking van het neusslijmvlies.
Droogheid van de neus met drukkend gevoel aan de neuswortel, alsof een verstopte verkoudheid begint; drukkende pijn strekt zich uit naar de slapen en tast het hoofd aan.
Onaangenaam gevoel in de neus, alsof deze gezwollen was, slijmvlies droog; de wanden van de neus voelen stijf en fluweelachtig aan.
Gevoel van een harde substantie die tot neus snuiten dwingt, maar er komt geen afscheiding.
Gevoel alsof de neus gezwollen en stijf is; men moet een dikke substantie uitsnuiten, maar er komt geen afscheiding; voelt alsof er een zware last aan hangt.
Gevoel alsof de neusgaten van perkament zijn gemaakt.
Branden en bonzen binnen in de neuswortel; uitwendig warmte en duidelijk kloppen, ritmisch met de pols; neus bij de wortel gezwollen en warm zonder rood te zijn; neus leek dik en vol, "sprak erdoor"; vaak geneigd de neus te snuiten wegens het gevoel van een dikke substantie erin, maar er werd niets uitgedreven; neus droog; gevoel alsof er een zware last aan hing.
Hevige schietende pijnen van de neuswortel langs de linker oogkasboog naar de buitenooghoek, met wazig zien alsof er een vlies op het oog lag; beginnend in de ochtend neemt het toe tot de middag en zakt tegen de avond af. θ Ozæna.
Druk en drukkende pijn in de neuswortel.
Zeurende pijn aan de neuswortel, met bijtende afscheiding.
Gevoeligheid in de neus; gele korst aan de onderste (uitwendige) zijde van het septum; neusbrug pijnlijk bij aanraken.
Bij het neus snuiten hevige steken in de rechterzijde van de neus, alsof twee losse botten tegen elkaar werden gewreven.
De neus voelt te zwaar aan.
Uitgeademde lucht voelt heet aan in de neus.
Kriebeling, alsof van een haar, hoog in het linker neusgat.
Vaak niezen: in de ochtend; bij het naar buiten gaan.
Voortdurend snuiven bij warm, vochtig weer.
Waterachtige afscheiding, grote gevoeligheid en drukgevoeligheid van de neus.
Brandende, excoriërende, waterachtige afscheiding uit het rechter neusgat; witachtige korsten in het neusgat; gevoel van druk aan de neuswortel; ogen waterig, < in de wind; duizelig bij bukken en bij traplopen; vat gemakkelijk kou. θ Neuscatarre.
Waterachtige afscheiding met roodheid van de neus en rottingsgeur.
Schaarse, bijtende, slijmerige afscheiding uit de neus, die branderigheid van het septum veroorzaakt.
Vloeiende coryza, die neus en lip excorieert; neusgaten gevoelig, geülcereerd; ronde zweer of korsten op het septum.
Kleine perforerende zweer op het septum.
Drukkend ongemak en volheid door ontsteking in de voorhoofdsholten.
Coryza, met druk en beklemming aan de neuswortel; < 's avonds en in de open lucht; 's morgens verstopping en bloeding uit het rechter neusgat.
Hinderlijke coryza en verlies van reuk- en smaakzin; na syfilis en grote doses kwik.
Voortdurend lopen van ogen en neus, ernstige pijn in de voorhoofdsholten, enige koorts en grote zwakte; hoest verhindert het slapen; altijd < 's nachts.
Niezen, roodheid van het Schneideriaanse slijmvlies en de neusvleugels, geïnjecteerde ogen, tranenvloed, rauw gevoel in de keel en grote lusteloosheid. θ Hooikoorts.
Neus verstopt; vooral in het bovenste deel, met moeite om dik slijm los te krijgen, dat gemakkelijker via de achterste neusgaten passeert.
Vorming van proppen in de neusgaten.
Neus voortdurend vol dik slijm.
Harde korsten in de neus; als men ze enkele dagen laat zitten, kunnen ze gemakkelijk worden losgemaakt; maar als ze te vroeg worden weggetrokken, veroorzaakt dat gevoeligheid aan de neuswortel en lichtschuwheid.
Afscheiding van grote massa's dik, zuiver slijm uit de neus; als die ophoudt, krijgt hij hevige hoofdpijn; pijn van het achterhoofd naar het voorhoofd.
Knijpende pijn in de neusbrug, > door hard drukken; geringe, klonterige neusafscheiding; het grootste deel, dat taai en draadvormig is, loopt vanuit de achterste neusgaten in de keel en wordt met moeite en walging opgehaald. θ Neuscatarre.
Draadvormige, taaie afscheiding, vaak uit de achterste neusgaten; onaangenaam ruikend of niet.
Neuscatarre, met bijtende of dikke gele, draadvormige afscheiding uit de achterste neusgaten.
Voortdurende afscheiding van dikke gele materie uit het linker neusgat, meestal vroeg in de ochtend, en foetide geur, na elke nieuwe verkoudheid; hevige pijn omhoog langs de spieren van de linkerzijde van de hals tot een kleine plek aan de zijkant van het hoofd, opgewekt en verergerd door het neus snuiten; in het linker neusgat, halverwege naar boven, hevige schrijnende pijn, uitstralend naar het jukbeen onder het oog; constipatie; tong wit. θ Chronische ontsteking van het Schneideriaanse slijmvlies.
Afscheiding van taaie, groene massa's of harde proppen.
Bij het neus snuiten hevig stekend gevoel in de rechterzijde van de neus, alsof twee losse botten tegen elkaar schuurden; frequente afscheiding van groenachtig gekleurde massa's met onaangename geur, die, wanneer zij door de achterste neusgaten gaan, een zeer onaangename smaak hebben; rechter neusgat gevuld met harde massa's; kleine zweren aan de uitwendige randen van de neusgaten.
Slijm taai, draadvormig, groen, bloederig; in duidelijke massa's, en hevige pijn van achterhoofd naar voorhoofd als de afscheiding ophoudt.
Neusgaten gevuld met een droge, harde korst, aan de randen bloederig wanneer deze loskomt; jeukende pijnen in het zeefbeen; irritatie van de crista nasalis, of het septum narium, waarbij vaak het periost van de bovenkaak is aangedaan. θ Catarre.
Afscheiding van korsten, licht met bloed getint.
Inwendige ulceratie, met dunne, waterachtige afscheiding of ophoping van elastische proppen, die bij verwijdering grote pijn veroorzaken en de neus zeer gevoelig achterlaten.
Het slijmvlies van het septum bezaaid met kleine ulceraties.
Ulceratie van het septum narium; purulente ontsteking van het gehele neusslijmvlies.
Het gehele kraakbenige septum vernietigd en het gehele neusslijmvlies in een toestand van purulente ontsteking; de aandoening werd voor syfilis aangezien.
Septum narium volledig weggeülcereerd.
Zwelling van een zeer vaatrijk sponsachtig weefsel in het rechter neusgat, dat dit uitzet en schijnbaar omhoog groeit, zich uiteindelijk ook naar beneden uitbreidt en uitwendig naar voren puilt; het linker neusgat werd op dezelfde wijze aangedaan; de zachte delen van de alæ nasi betrokken, maar de benige structuur onaangedaan; zeer geringe en incidentele mucopurulente afscheiding; foetor; af en toe ernstige aanvallen van lancinerende pijn in de aangedane delen, waardoor hij het uitschreeuwde; door de aanhoudende groei en druk van de tumoren werden naburige weke delen geresorbeerd, met veel misvorming als gevolg; stem hees. θ Kwaadaardige ulceratie van de neus.
Syfilitische cariës van het septum narium.
Kleine zweren aan de randen van het rechter neusgat, hevig brandend bij aanraking.
Een plek in het rechter traanbeen is gezwollen en bonst; overvloedige afscheiding uit het neusgat.
Ulceratie van de voorhoofdsholten, met hevige hoofdpijn aan de neuswortel en in de voorhoofdsverhevenheden, als de afscheiding ophoudt.
Neuspoliepen, recent of reeds lang bestaand.
Dik, donkerrood bloed uit de neus; onregelmatige, kleine, samengetrokken pols.
Lupus van de neus.
Bovenste gelaatshelft [8]
Gezicht : bleek, gelig ; rood, in vlekken ; blozend ; uitdrukking angstig.
Gevoeligheid van de botten van de bovenkaak, onder de oogkas.
Schietende pijn in het linker bovenkaaksbeen, in de richting van het oor.
Schietend naar binnen in het linker jukbeen, met druk ; ook hetzelfde over de neusrug ; afwisselend warm en koud ; hoest < in de ochtend ; sputum groenig geel, bitter ; geneigd te huilen ; soms schietend in het bot boven het oog ; hoesten doet het pijnlijke deel van de wang pijn.
Dikke bruine korsten, waaronder gele materie gevormd is ; veel jeuk ; de uitslag strekte zich uit van de neuswortel tot de bovenlip. θ Syfilitische uitslag.
Twintig jaar tevoren verscheen een kleine tuberkel aan de rechterzijde van de neus ; deze verdween geleidelijk en vormde een zweer, die sindsdien langzaam in groeven is voortgekropen, terwijl zij erachter genas ; er is nu een onregelmatige sulcus aanwezig van anderhalve duim lang ; daarnaast zijn er korsten op de neus en littekens die de plaatsen van vroegere zweren aangeven ; hinderlijke jeuk. θ Lupus.
ONDERSTE DEEL VAN HET GEZICHT [9]
Trekken als gespannen draden in de linker gezichtshelft en nek, gevolgd door branderig gevoel, alsof zij haar verstand verloor.
Zweer op de linkerwang ter grootte van een grote amandel; bodem helder en rauw; overvloedige afscheiding van heldere, waterachtige vloeistof, zeer heet en schrijnend. θ Herpes exedens of lupus.
Pustels op wangen, voorhoofd en kin, die bedekt raken met een bruinachtige korst, zonder uitvloeien van etter; jeuk na het wassen.
Impetigineuze uitslag in het gezicht; pustels vormen zich vaak, scheiden een waterachtige etter af en laten een bruinachtige korst achter, gepaard gaand met veel jeuk.
Transpiratie op de bovenlip.
Onderlip gezwollen, gebarsten.
Ulceraties met verharde randen en stekende pijn op het slijmvliesoppervlak van beide lippen.
Borende pijn in de rami van de onderkaak.
Bof aan de rechterzijde.
Oorspeekselklieren gezwollen; pijn vanuit de oren naar de klieren toe.
TANDEN EN TANDVLEES [10]
Tandvlees van de rechter onderkaak sterk gezwollen, vuilwit van kleur en uiterst gevoelig bij aanraking; de tanden aan die zijde geheel los en verdragen niet de geringste druk; overvloedige speekselvloed; het tandvlees aan weerszijden van de mond ongewoon gevoelig; kan geen enkel voedsel kauwen; vloeibaar voedsel doet het tandvlees zeer pijnlijk aanvoelen en de tong ruw worden; tong beslagen, aan de zijden vuilbruin, in het midden rood en geïrriteerd uitziend; keel gezwollen en pijnlijk; zure smaak in de mond; voortdurend oprispen gedurende enige tijd na het eten; na de maaltijden zeurende pijn in het voorhoofd en achterhoofd, en een gevoel van duizeligheid en flauwte; lichte pijn dwars over het onderste deel van de borst, uitstralend tot tussen de schouderbladen, vooral bij het eten; is zeer zwak en vermagerd. θ Stomacace.
SMAAK, SPRAAK, TONG [11]
Smaak : koperachtig ; zoetig ; zuur ; bitter, 's morgens.
Tong droog, glad, rood, gebarsten ; droog en rood.
Tong breed en plat, met verheven, bijna geschulpte randen, oppervlak ruw en gelig, droog of vochtig, terwijl de tong onder deze gele ruwheid zeer rood is, waarbij het beslag dun is en op een rode ondergrond ligt. θ Dyspepsie.
Tong beslagen : gelig wit ; dik geel slijm, randen rood en vol kleine pijnlijke zweertjes.
Dik geel beslag naar de tongbasis toe. θ Maagcatarrh.
Papillen op de tongrug zeer lang ; met een bruin gekleurde plek.
Tong beslagen, dik bruin, alsof met dik geel vilt, aan de wortel ; papillen verheven.
Syfilitische zweren op de tong ; diep ; stekend ; gele bodem.
Diepe zweer aan de rand van de tong.
Stekende en prikkende pijnen in de tong.
Gevoel alsof er een haar op het achterste deel van de tong en het velum ligt ; niet > door eten of drinken.
MONDHOLTE [12]
Droogheid in de mond.
Droogheid van mond en lippen, > door het drinken van koud water.
Kleverig speeksel in de mond en in het bovenste deel van de keelholte, rond de huig.
Speeksel : vermeerderd, bitter, taai, schuimig, met zoute smaak.
In het voorste deel van het gehemelte afzonderlijke scherp begrensde plekjes, zo groot als een gerstekorrel, rood gekleurd, alsof zich kleine zweertjes wilden vormen.
Zweer op het gehemelte, met afstoting van weefsel. θ Syfilis.
Zweren met harde randen, schrijnend, op het slijmvlies van de lippen.
Afteuze zweren, diep invretend.
Syfilitische aandoeningen van mond en keelholte.
GEHEMELTE EN KEEL [13]
Het zachte gehemelte licht rood gekleurd ; huig verslapt, met gevoel van een prop in de keel, niet > door slikken.
Gevoel alsof een zure, scherpe vloeistof vanuit de achterste neusopeningen over het gehemelte liep, hoest veroorzakend.
Oedemateuze huig.
Diepe, uitgeholde zweer, met een roodachtige areola en bevattend een gele, taaie massa, aan de wortel van de huig ; keelbogen en gehemelte erythemateus, helderrood of donkerrood, of koperkleurig.
Huig en amandelen rood, gezwollen en pijnlijk, uiteindelijk geülcereerd wordend.
Gezwollen amandelen met doofheid bij kinderen.
Amandelen gezwollen ; hals uitwendig dik onder de kaakhoek ; buizen van Eustachius schijnen verstopt ; is zeer doof ; kon horloge niet horen, behalve wanneer het heel dicht bij het oor werd gehouden.
Scherpe, schietende pijnen in de linkeramandel, uitstralend naar het oor > door slikken ; ettering van de amandelen.
Indolente vergroting van de amandelen, waarbij weinig waarneembare ontsteking bestaat ; patiënt slap ; leucoflegmatisch gestel ; tong vuil beslagen ; verdikking van het neusslijmvlies en neiging tot korstvorming in de neusgaten.
Subacute ontsteking van de amandelen, met weinig koorts, maar neiging tot vorming van kleine zweren op de amandelen en het velum.
Zwelling van de amandel met vuile roodheid, hevige pijn bij het slikken ; geen ettering ; zeer weinig koorts.
Zweren op de amandelen en in de keel, waarvan het oppervlak scheen bedekt met een asgrauwe beslaglaag ; het omgevende slijmvlies donker, livide en gezwollen.
Congestie van alle vaten, zweren op de amandelen, puistjes op de huig, huig gezwollen en rood.
Gevoel van een haar in de keel.
Droogheid in mond en keel.
Droogheid en branderig gevoel in de keel, 's morgens ; vaak samenvallend met onvermogen om door de neus te ademen.
Keelpijnen erger bij het uitsteken van de tong.
Veel taai slijm, soms dik, gelatineus, 's morgens opgehaald.
Slijm zo viskeus dat het zich als een lange draad uit slokdarm en keel laat uittrekken ; voortdurend hinderlijk kokhalzen en hoesten.
Zeer pijnlijke keel, pijn veel < bij slikken ; keel vol taai slijm dat zij noch kon doorslikken noch ophalen ; pijn < bij het uitsteken van de tong ; pijn aan de zijkant van het hoofd ; schietende pijn in linkeroor ; linkerzijde van de hals pijnlijk bij aanraking en sterk gezwollen ; amandelen, vooral l. sterk gezwollen en ontstoken.
Branderig gevoel in de keelholte, uitstralend naar de maag ; vaste spijzen veroorzaken pijn bij het slikken en laten het gevoel achter alsof er iets is blijven zitten.
Achterwand van de keelholte donkerrood, glanzend, opgezet, met vertakkingen van bleekrode vaten zichtbaar ; links van het midden een klein kloofje, waaruit bloed sijpelt.
Twee zweren in het achterste deel van de keel, meer dan een halve duim (ca. 1,25 cm) in doorsnede, diep, gevuld met kaasachtig uitziende massa, de randen verheven, met scherp begrensde contouren ; ook één zweer die zich door het velum palati heen had gevreten en waaruit voortdurend materie als uit de andere sijpelde ; bleek ; vermagerd ; verlies van eetlust ; zeer zwak ; "overal ellendig." θ Ulceratieve keelpijn.
Folliculaire vergroting van het slijmvlies van de keelholte, met chronische coryza die verharde gele stukjes slijm vormt.
Zweren in de keelbogen, ook in de keelholte, die kaasachtige klonten van stinkende geur afscheiden.
Diep invretende zweren in de keelbogen, vaak syfilitisch.
Chronische zweer van de keelholte.
Amandelen rood, geülcereerd ; huig bijna geheel vernietigd, slechts een zeer klein deel blijft over ; grote zweer op het tandvlees, geleidelijk groter wordend, met vuile randen en vieze afscheiding ; vernietiging van het neustussenschot, stinkende ozæna, dikke, etterachtige afscheiding uit de neus ; bij het drinken van water komt dit door de neus naar buiten ; klieren van hals en onderkaak vergroot ; ernstige pijn bij het slikken ; stem hees, nasaal ; ondragelijke pijnen in de lendenen. θ Syfilis.
Ulceratie van de keelbogen in grote uitgebreidheid, met veel roodheid van het weefsel rond de geülcereerde delen ; op één plaats heeft de zweer het velum palati geperforeerd, waardoor een zuiver ovaal gat is ontstaan ; veel pijn bij het slikken ; hoest en dik, zwartachtig slijm in de ochtend ; vaak prikkelhoest ; zwelling en gevoel van volheid in de neus en gewaarwording van een stinkende geur. θ Syfilis.
Syfilitische, mercuriale keelpijn, vol crypten.
Vermeerderde roodheid van de gezonde delen van het slijmvlies van mond en keelbogen, met verhoogde gevoeligheid. θ Difteritis.
Keelholte rood en gezwollen ; dik, taai, asgrauw membraan, stevig en kleverig, op de amandelen en ertussen ; dik, gorgelend geluid, met een klapperend geluid alsof een los stuk membraan aanwezig was, hoorbaar over het strottenhoofd ; gezicht, en vooral voorhoofd, blauwachtig getint ; neus ingevallen ; mond vertrokken ; lichte koorts ; niet in staat te slikken. θ Difterie.
Gehele keel sterk gezwollen ; dik, taai membraan dat beide amandelen bedekt en naar beneden langs de keelholte loopt, en ook naar neusgaten en ogen ; stinkende afscheiding uit de neus ; kouderillingen gevolgd door droge hitte ; volslagen uitputting. θ Difterie.
Difterie ; pseudomembraneuze afzetting, stevig, parelachtig, fibrineus, geneigd zich naar beneden uit te breiden tot strottenhoofd en luchtpijp ; blaasvormig aspect van de huig, veel zwelling, maar weinig roodheid.
Gehele keelholte bedekt met een taaie, grijsachtige pseudomembraan van stinkende geur ; harde, stridoreuze ademhaling ; stem gedeeltelijk onderdrukt ; rauwe hoest. θ Difterie.
Tijdens het verloop van difterie, kroephoest ; epiglottis aan top en zijkanten bedekt met membraan ; ademhaling bemoeilijkt ; kon niet liggen ; hoest hard, expectoratie bestaande uit lang, taai slijm ; 's nachts aanvallen van verstikking ; grote slaperigheid. θ Difteritische kroep.
Plek op de rechteramandel, kroephoest, vieze geur uit de mond, geen eetlust ; temperatuur 101 ; pols 100. θ Difteritische kroep. (Kali bich. overdag en Spongia 's nachts).
Schelle kroephoest, af en toe fluitend en piepend ; ruwe, hese klank van de stem met bemoeilijkte ademhaling, alsof de longen met katoen waren volgestopt ; keel paars, met talrijke geïsoleerde plekken van groenachtig gele exsudatie over de gehele keelbogen ; tong, wangen, tandvlees ruikend naar bedorven vlees ; pijn die uitstraalt naar het rechteroor bij het slikken ; expectoratie vaak met bloedstrepen ; exsudatie taai en vasthechtend, zich naar boven uitbreidend in de neusgaten en naar beneden in het strottenhoofd ; neiging tot difteritische afzettingen op slijmvliezen elders ; grote zwakte ; cachectisch uiterlijk ; gezwollen klieren. θ Difterie.
Bijna bewusteloze toestand ; wanneer daaruit gewekt of wanneer ontwaakt uit schijnbare slaap, klaagt hij het meest of voelt zich erger ; wordt vaak wakker met drang om te hoesten of losgeraakte delen van de difteritische afzetting op te halen ; terwijl hij deze poging doet, stoot hij taai, draderig, geel, verkleurd slijm uit ; zeer grote stank ; de afzetting bedekt keel, huig, amandelen en zelfs het gehemelte en is geelgrijs van kleur ; wordt hees ; tong óf geheel rood, óf bedekt met een dikke, gele substantie ; de (r.) oorspeekselklier is veel kleiner en bij het slikken schiet de pijn naar het oor en langs de hals aan de aangedane zijde omlaag. θ Difterie.
Difterie : pijn in het oor uitstralend naar de gezwollen oorspeekselklieren en naar het hoofd ; tong geel beslagen, vooral aan de wortel ; prikken in de amandelen en schrapend gevoel met steken in de keel ; branderig gevoel in de keel ; na misbruik van Iod. of Mercury.
Hevige steken in linkeroor, uitstralend naar het gehemelte, naar de overeenkomstige zijde van het hoofd en naar dezelfde zijde van de hals, die pijnlijk was bij aanraking en waarvan de klieren gezwollen waren. θ Difterie.
Difterie op een verwond gehemelte ; grote uitputting ; exsudatie zag eruit als schimmel op brood ; afscheiding uit de neusgaten.
Uitgebreide, goed georganiseerde afzetting, die veel hoest opwekt.
Komt overeen met die vorm van ziekte waarbij de plantaardige parasiet, gevonden in de difteritische afzetting, op de spirobacteriën lijkt.
APPETIJT, DORST. VERLANGENS, AFKEER [14]
Appetijt verdwenen ; dorst vermeerderd ; beslagen tong ; lusteloosheid.
Verlangen naar bier ; naar zure dranken ; dit verlangen neemt toe.
Afkeer van vlees.
ETEN EN DRINKEN [15]
Voedsel ligt als een last op de maag; gevoel na een volle maaltijd alsof de spijsvertering stil lag. θ Dyspepsie.
Druk en zwaar gevoel in de maag, onmiddellijk na het eten. θ Dyspepsie.
Na het middagmaal uitwendige stekende pijnen in het epigastrium en de borst tot in de tepel (man), en in het rechter hypochondrium.
Secundaire schadelijke gevolgen van moutdranken; vooral van lagerbier.
HIK, OPRISPINGEN, MISSELIJKHEID EN BRAKEN [16]
Foetide oprispingen.
Oprispingen van lucht, die een onbehagen in de maag verlichten, als door opgesloten gas ter hoogte van de grote curvatuur.
Plotselinge misselijkheid.
Misselijkheid : gevoel van warmte over het hele lichaam, met duizeligheid, bloedaandrang naar het hoofd ; < bij rondlopen, 's morgens, bij het zien van voedsel, na de maaltijden en na de stoelgang ; uitgelokt door drinken en roken ; > door eten en in de open lucht.
Misselijkheid, met brandende pijn in de anus, en erecties die een half uur aanhouden.
Duizeligheid, gevolgd door braken van een zure, witte, slijmerige vloeistof, met druk en branden in de maag. θ Maagzweer.
Bijna onmiddellijk na het eten braakt zij al haar voedsel uit, zuur ; appetijt goed ; tong in het midden rood ; bittere smaak ; constipatie.
Braken : zuur, onverteerd ; van gal, bitter ; van rozige, taai-slijmerige vloeistof ; van slijm en bloed ; van bloed, met koud zweet op de handen, gezicht heet ; van geel purulent slijm.
Misselijkheid en braken van dronkaards.
MAAGKUIL EN MAAG [17]
Zwelling van de maag (avond), met volheid en druk ; verdraagt geen strakke kleding ; tong geel.
Druk en zwaar gevoel in de maag ; onmiddellijk na het eten.
Het voedsel ligt als een last op de maag ; de spijsvertering ligt stil.
Wordt met een schok wakker ; hitte in de maagkuil en bloedspuwen ; 2 uur 's nachts.
Werd wakker met onrust, pijnlijkheid en drukgevoeligheid, vooral op een kleine plek links van het zwaardvormig kraakbeen ; hoofdpijn op een kleine plek.
Gevoel van koudheid in maag en darmen.
Pijnen en onrust in de maag, afwisselend met pijnen in de ledematen.
Maagpijnen > na het eten en de reumatische pijnen keren terug ; wanneer de maagsymptomen heviger worden, nemen de reumatische pijnen af.
Organische cardialgie ; oprispingen ; misselijkheid als bij zeeziekte ; gevoel van volheid, zwaar gevoel ; malaise na een maaltijd ; rillerigheid ; opblazing ; knagende, brandende, samentrekkende pijn in maag en hypochondrieën, < 's morgens en tijdens beweging, > door eten.
Na het eten, verstikkingsgevoel, alsof er over de hele slokdarm iets hards zat, dan de hik, en een opspringen en schudden alsof de maag omhoog werd gerukt, niet pijnlijk ; daarna een merkwaardig gevoel alsof iets in de darmen vrat ; omhoogkomen van voedsel, onveranderd en niet zuur, met pijn dwars door het midden van de rug ; constipatie. θ Maagaandoeningen.
Voortdurende misselijkheid en soms braken ; verstikkend gevoel, als een haar achter in de keel, komt plotseling op en veroorzaakt misselijkheid ; voortdurende scheurende pijn in het epigastrium ; branderige pijn tussen de schouderbladen ; vieze smaak ; tong wit ; duizeligheid bij het opstaan. θ Maagstoornis.
Gebrek aan eetlust ; volheid in de borst, veel flatulentie ; smaak van rotte eieren die in de mond opkomt, met voortdurende misselijkheid ; grote afkeer van vet vlees ; tong roodachtig en ruw ; scherpe, schietende, stekende pijnen door het hele hoofd, < namiddag en avond ; constipatie ; warmte van het hele lichaam bij het lopen ; ogen zwak ; pijn in de oogbollen ; slaperigheid en loomheid overdag, slapeloosheid 's nachts ; vaak scherpe, schietende, zeurende pijnen in de zijden en de rug.
Misselijkheid bij bewegen of een korte wandeling ; vaak het gevoel dat misselijkheid uit de maag opstijgt naar de keelkuil ; bleekheid van het gezicht ; water in de mond lopen ; koperachtige smaak ; gevoel van flauwte en algemene koudheid, en verlangen om te gaan liggen ; vaak pijn in het epigastrium, stekend door naar de rug, ongeveer een half uur aanhoudend ; dorst ; bruine tong in de ochtend ; darmen zeer verstopt ; abdomen opgezet ; aanhoudende honger en trek ; melk valt slecht ; bijna dagelijks hoofdpijn, schietend van achteren naar voren ; pijnen in beide hypochondrieën bij het lopen ; overmatige loomheid en tegenzin tegen lichamelijke en mentale inspanning ; slaap niet verkwikkend. θ Maagaandoening.
Pijn in de rechter hypochondrische streek, naar het epigastrium toe, < bij aanraken en lopen ; 's morgens braken van groenachtig, waterachtig slijm ; dikke gele beslaglaag op de tong ; geen eetlust. θ Maagontregeling.
Eetlust gering, maar moet vaak eten ; omdat zij zich anders flauw voelt ; misselijkheid, > na een maaltijd ; brandend maagzuur ; niet veel flatulentie ; oprispingen na voedsel ; metaalachtige smaak in de mond ; pijn of zwaar gevoel in de maag onmiddellijk na het innemen van voedsel, vooral na vlees ; hoofdpijn en duizeligheid ; constipatie ; sterk gekleurde urine ; abdomen opgeblazen ; tong te rood en droog, maar met een gelige of bruinige beslaglaag erop ; gehemeltebogen rood ; menstruatie onregelmatig en overmatig ; grote zwakte ; rheumatisme zelfs wanneer zij zich goed voelt. θ Dyspepsie.
Nadelige gevolgen van overmatig gebruik van bier of andere moutdranken ; groot zwaar gevoel in de maagkuil ; flatulentie ; verlies van eetlust ; het voedsel drukt onmiddellijk na het eten ; misselijkheid, verward gevoel, vooral 's morgens, en braken van slijm ; slecht humeur.
Na de middagmaaltijd om 6 uur 's avonds ontstaan ongeveer drie uur later waterbranden, voortdurend slijmopgeven, braken van al het voedsel dat nog in de maag is, en men slaapt zelden voor middernacht, doordat het slijm verstikt ; hoest ; constipatie, ontlasting hard en met enige inspanning geloosd. θ Maagaandoening.
Braken van voedsel, zuur, met misselijkheid, optredend een uur na het eten ; pijn in de maagkuil, als een steen ; tong wit en slap ; darmen verstopt ; vlees, thee of koffie wordt onmiddellijk uitgebraakt. θ Dyspepsie.
Maagklacht wanneer er pijn is in de leverstreek en de tong er doorweekt uitziet, zonder veel zuurheid of andere symptomen, behalve algemeen onbehagen en soms witte ontlasting.
Maagcatarrh met zuur braken ; plotselinge dyspepsie tijdens het eten.
Dyspepsie en braken door chronische maagcatarrh ; tong dik beslagen, gelig.
Chronische maagcatarrh.
Ulceratie van maag en duodenum.
Ronde maagzweer.
HYPOCHONDRIËN [18]
Doffe pijn of steken in het rechter hypochondrium, vooral wanneer deze tot een kleine plek beperkt zijn ; kleikleurige ontlasting ; metaalachtige smaak ; verwardheid in het hoofd.
Wordt 's avonds overvallen door een hevige, aanhoudende, zeurende pijn, die haar naar beneden trekt, in het rechter hypochondrium, zich uitstrekkend van het epigastrium rond naar de schouder ; moet zich onmiddellijk uitkleden, hoewel er geen waarneembare zwelling is ; grote benauwdheid van de ademhaling ; de pijn houdt verscheidene uren aan en neemt geleidelijk af, zonder stoelgang of het laten van wind ; soms gaat zij gepaard met misselijkheid en enig braken ; tong vlak en beslagen ; stoelgang regelmatig ; gelaatskleur niet geel.
Pijn op een kleine plek in het rechter hypochondrium ; tamelijk constant, maar < tot een scherpe steek bij plotselinge beweging na zitten ; appetijt goed en de gezondheid niet sterk aangetast.
Pijn in het hypochondrium, onder de ribben, niet beïnvloed door eten, druk of ademhaling, < door kou vatten, of grote lichamelijke inspanning.
Aanhoudende doffe, zeurende pijn in de rechter hypochondriale streek.
Krampachtige aanvallen zoals die welke galstenen begeleiden.
Doffe, zware druk of steken in de leverstreek.
Steken in de miltstreek, uitstralend naar de lumbale streek, < door beweging of druk.
ABDOMEN EN LENDEN [19]
Tympanitis; het abdomen voelt opgeblazen aan, gevolgd door oprispingen.
Gevoeligheid van het abdomen voor de geringste druk.
Steken door het abdomen, uitstralend tot in de wervelkolom.
Snijdende pijn, als van messen, spoedig na het eten; koliek, afwisselend met snijdende pijn in de navelstreek, gedurende de nacht.
Snijdende pijnen in de onderste darmen, en gerommel van gas in het bovenste deel.
Doffe, koliekachtige pijn rond de navel, optredend na elke blootstelling aan koude wind.
Bijna onmiddellijk na het eten klaagt hij over koude en misselijkheid, ziet bleek en heeft pijn in het abdomen, daarna braken van voedsel, onveranderd, soms zuur of met gal vermengd; het braken geeft verlichting; gedurende de rest van de dag lusteloos, slaperig en klaagt over koude, hoewel het lichaam heet is; frequente koliekpijnen in het abdomen; tong wit, beslagen; dorst; de darmen komen meerdere malen per dag in beweging; ontlasting bleek en vloeibaar. θ Gastro-intestinale irritatie.
Aanvallen van periodieke krampachtige samentrekking van de darmen, met misselijkheid, gevolgd door een brijige ontlasting en branden in de anus, met tenesmus.
Pijn als bij enteritis; braakt snel achtereen gallige, bloederige materie; het bloed helder en gestold; lusteloze, onverschillige, matte stemming. θ Intussusceptie.
Gastro-intestinale ontsteking, hier en daar krampen, < in de kuiten en aan de binnenzijden van de dijen.
Chronische ulceratie van het slijmvlies, gepaard gaand met braken van ingenomen voedsel, hectiek en vermagering.
ONTLASTING EN RECTUM [20]
Waterachtige, gutsende diarree in de ochtend; wordt wakker van hevige aandrang; gevolgd door hevige tenesmus, die haar verhindert op te staan; later branden in het abdomen, misselijkheid en heftig braakpersen.
Diarreïsche ontlasting van bruin, schuimig water, met uiterst pijnlijke druk, aandrang en tenesmus in de anus.
Frequente ontlasting, kleikleurig, dun, met klonten en bloedstrepen, veel persen; weinig eetlust, geen dorst, geen koorts; grote eilandvormige plekken op de tong.
Kleikleurige ontlasting. θ Chronische diarree.
Chronische ochtenddiarree; hoest; vroeg in de ochtend schietende pijnen door de rechterlong, van onder de mamma naar de rug onder het rechter schouderblad; zeer acute schietende pijnen van achter de linkerheup omlaag langs de buitenzijde van het linker dijbeen, en soms tot in de kuit; ernstige acute pijnen rond het linkeroog en de l. zijde van het voorhoofd.
Chronische witachtige diarree met leverstoornis bij kinderen.
Diarree < door lagerbier.
Ontlasting: zwartachtig, waterachtig; gelig, waterachtig; kleikleurig, waterig en klonterig; geleiachtig; onwillekeurig en vaak pijnloos en reukloos; bloederig en uiterst pijnlijk.
Dysenterie: bruinachtig, schuimig, waterig, of frequente bloederige ontlastingen, knagend gevoel rond de navel, tenesmus; tong glad, rood, gebarsten; na een brandwond.
Diarree of dysenterie na reuma.
Periodieke dysenterie elk jaar; in het begin van de zomer.
Nadat Canthar. ontlasting als schraapsels heeft doen verdwijnen, kunnen soms geleiachtige ontlastingen verschijnen; Kali bich. zal dan de genezing voltooien. θ Dysenterie.
Voor de ontlasting: buikpijn; erecties.
Tijdens de ontlasting: pijnlijke aandrang; branden en persen in de anus; succus prostaticus; knagend gevoel rond de navel; pijn in de miltstreek; metaalachtige smaak in de mond; stinkende adem; verwardheid in het hoofd.
Na de ontlasting: vermindering van de klachten; tenesmus; brandende gevoeligheid of trekkende pijn in de anus met misselijkheid.
Brijige ontlasting, met veel gerommel in de darmen.
Constipatie, zwakte, beslagen tong, hoofdpijn, koude extremiteiten; ontlasting droog, keutelig.
Ernstige constipatie; ontlasting te groot van omvang en zeer pijnlijk om uit te drijven; grote eilandvormige plekken op de tong.
Ontlasting in één massa, uiterst hard.
Harde, droge, keutelige ontlasting, moeilijk uit te drijven.
Harde ontlasting, gevolgd door branden en druk in de anus.
Schaarse, klonterige ontlasting, gevolgd door branden in de anus.
Gewoonlijke constipatie; ontlasting schaars, keutelig, gevolgd door pijnlijk samentrekken van de anus.
Ontlasting droog, met branden aan de anus.
Neiging tot constipatie, vooral wanneer daardoor een verergering van de algemene symptomen ontstaat.
Periodieke constipatie om de drie of zes maanden.
Tijdens het laten van wind uit de anus zweet over het hele lichaam, maar vooral in het gezicht, waar het in stromen afloopt.
Verzakking van het rectum.
Drukken en persen in de anus, met tenesmus.
Branden in de anus na droge en keutelige ontlasting.
Gevoel van een prop in de anus, kan nauwelijks gaan zitten.
Gevoeligheid aan de anus, waardoor lopen zeer pijnlijk wordt.
Volheid in de hemorroïdale vaten.
Pijnlijke droge aambeien, die na de ontlasting naar buiten puilen.
Bloeding uit de darmen; krachten sterk verminderd; lippen geheel verbleekt; hartkloppingen bij de geringste inspanning; drukgevoeligheid over het cecum; ontlasting soms normaal, soms slijm met bloedstrepen, soms bijna zuiver bloed; abdomen enigszins opgezet; vaste ontlasting veroorzaakte nooit pijn, maar wanneer er slijm of bloed was, bestond er enige tenesmus.
URINEWEGEN [21]
Pijn dwars over de rug, met rode urine.
Schietende pijn in de nierstreek, kleine pols, uitputting; onderdrukte urineafscheiding.
Aanhoudende zeurende pijn in de nierstreek, < aan de rechterzijde, waar de pijn vaak schietend naar de darmen trok; gevoeligheid in de maagstreek en zuurheid; urine sterk gekleurd en schaars.
Aanhoudende aandrang om overdag te urineren.
Veelvuldige lozing van waterachtige urine, sterk riekend, waardoor hij 's nachts wakker wordt.
Onderdrukking van de urineafscheiding, met veel pijn in de nierstreek.
Onderdrukking van de urineafscheiding na cholera.
Schaarse, roodachtige urine.
Schaarse, sterk gekleurde urine, met overvloedig, witachtig bezinksel en pijn in de rug.
Schaarse urine, met een wit vliesje en witachtig bezinksel; slijmerig sediment.
Urine alkalisch en draderig.
Pijnlijk trekkend gevoel van het perineum naar de urinebuis.
Voor het urineren : pijn in het stuitbeen, uitstralend naar de urinebuis.
Tijdens het urineren : hitte in de urinebuis; branden in het deel van de urinebuis in de eikel, dat nog lang aanhoudt; branden in de fossa navicularis of in de bulbus van de urinebuis; rugpijn.
Na het urineren : branden in het achterste deel van de urinebuis, met het gevoel alsof er één druppel is achtergebleven, met vergeefse poging die uit te lozen; steken in de urinebuis.
MANNELIJKE GESLACHTSORGANEN [22]
Geslachtsdrift ontbreekt bij gezette personen.
Insnoerende pijn aan de wortel van de penis ; 's morgens bij het ontwaken.
Jeuk in de behaarde delen, de huid raakt ontstoken, er ontstaan kleine pustels ter grootte van een speldenkop.
Diep ulcererende sjankers.
Verharde sjanker.
Prikken en jeuk aan de eikel van de penis ; zweren.
Stekende pijnen in de prostaat bij het lopen, moet stilstaan ; prostaatvocht ontsnapt bij de stoelgang. θ Chronische prostatitis.
Chronische urethrale afscheiding, overvloedig, draderig of geleiachtig.
Vrouwelijke geslachtsorganen [23]
Baarmoederverzakking, schijnbaar door warm weer.
Subinvolutie van de baarmoeder.
Membraneuze dysmenorroe.
Menstruatie: te spoedig, met duizeligheid, hoofdpijn, misselijkheid en koortsigheid; hardnekkige onderdrukking van de urine of rode urine.
Gevoeligheid en schraalheid in de vagina.
Zwelling van de geslachtsdelen.
Jeuk, branderigheid en opwinding rond de vulva; echte pruritus.
Leucorroe, geel, draderig; pijn en zwakte over de onderrug, en doffe, zware pijnen in het hypogastrium.
Leucorroe die in lange draden kan worden uitgetrokken; geel, draderig, het linnengoed verstijvend.
Ophoping van dik, taai slijm.
Opwellingen in het gezicht, tijdens de climacterische periode.
Zwangerschap. Bevalling. Lactatie [24]
Plotselinge misselijkheid; geel beslagen tong; inwendige koude en hitte van het gezicht; constipatie; hevige buikpijn; gevoel van flauwte. θ Braken tijdens de zwangerschap.
Langdurig en aanhoudend braken tijdens de zwangerschap; kan geen voedsel in de maag verdragen; sterke vermagering en zwakte.
Melk, alsof die uit de borst vloeit, heeft het voorkomen alsof zij uit draderige massa's en water is samengesteld.
STEM EN STROTTENHOOFD. LUCHTPIJP EN BRONCHIËN [25]
Ruwe, hese of nasale stem.
Heesheid en ophoping van slijm in het strottenhoofd, 's morgens.
Heesheid tegen de avond.
Chronische heesheid met laryngitis.
Keel droog en ruw, met sterke heesheid of afonie.
Kriebelen in de keel veroorzaakt hoest.
Ophoping van taai slijm in het strottenhoofd veroorzaakt keelschrapen.
Schraapt 's morgens overvloedig, dik, blauw slijm op.
Gevoel als van ulceratie in het strottenhoofd.
Frequente aanvallen van heesheid, hoest en slikmoeilijkheden ; keelpijn en gevoel van een prop, gedeeltelijk > door slikken ; heesheid en stemverlies ; hoest met zwartachtig sputum, vooral 's morgens, met pijn aan het borstbeen "als spelden en naalden".
Pijn in de keel en gevoel van zwelling in het strottenhoofd ; hese, schorre stem ; hoest met sputum dat moeilijk loskomt ; hoest en dyspneu 's morgens ; pijn dwars over het epigastrium en abdomen ; constipatie. θ Aandoening van het strottenhoofd.
Na kou te hebben gevat, gevoel van droogheid in de keel, soms overgaand in een branderig gevoel, dat zich tot het strottenhoofd uitstrekte ; stem ruw, hees ; soms korte, droge hoest ; grijswit beslag op de achterwand van de keelholte ; zwakte en matheid. θ Laryngitis.
Beklemming van de borst ; zonder hoest opgeven van bloed vermengd met slijm, opgewekt door elke inspanning, of door luid lezen of spreken of lachen ; < 's morgens ; kan geen strakke kleding over borst of keel verdragen, anders ontstaat een gevoel van flauwte ; rauw, schrijnend gevoel aan de linkerzijde van de keel, enigszins > door slikken ; gevoel alsof de keel met zeemleer bekleed is ; > droge, warme lucht ; < bij vochtig weer, warm zowel als koud. θ Aandoening van fauces en strottenhoofd.
Catarrale laryngitis en catarrale afonie ; < tegen de avond en wanneer het weer gaat omslaan, en na lang spreken.
Aanvallen van dyspneu, en in meerdere of mindere mate steeds moeite met het inademen ; taaie, kwalijk riekende expectoratie ; voortdurende heesheid ; eetlust gering ; vermagering. θ Chronische ontsteking van het strottenhoofd en de luchtpijp.
Keelholte blauwachtig met variceuze aderen ; stembanden en achterste delen van het strottenhoofd rood en gezwollen en bedekt met grijsachtig slijm ; gevoel van droogheid ; kriebelen in het strottenhoofd bij het spreken ; stem ruw en hol ; hoest met schaarse, draderige expectoratie, opgewekt door spreken en lachen ; chronische laryngitis.
Chronische laryngitis, met congestie ; zwelling van de weefsels en vermeerderde afscheiding van een kleverige vloeistof ; < tegen de ochtend, wanneer taai slijm hem bijna verstikt. θ Folliculaire laryngitis.
Geleidelijk en sluipend begin ; aanvankelijk slechts lichte ademhalingsmoeilijkheid wanneer de mond gesloten is ; naarmate de ziekte voortschrijdt ontstaan koorts, toenemende ademhalingsmoeilijkheid, hese stem, voortdurende hoest in aanvallen ; hoest hees, droog, blaffend, metaalachtig ; slikken pijnlijk ; tonsillen en strottenhoofd rood, gezwollen, bedekt met vals membraan, moeilijk los te maken, met expectoratie van taai, draderig slijm ; ten slotte wordt de ademhaling alleen nog verricht door de buikspieren en die van hals en schouders ; hoofd achterovergebogen, adem kwalijk riekend ; temperatuur verminderd, prostratie, stupor en dood door asfyxie, indien geen verlichting wordt gebracht. θ Membraneuze kroep.
Kroepachtige hoest ; moeizame en snelle ademhaling ; epiglottis licht bedekt met een bleek, parelmoerig beslag ; hoest droog en hevig ; pijn en gevoeligheid in het strottenhoofd ; gelatineuze expectoratie. θ Membraneuze kroep.
Koorts, waterige neusloop, kroepachtige hoest, < 's morgens ; membraan door de gehele fauces, met neiging zich neerwaarts tot in het strottenhoofd uit te breiden ; epiglottis licht bedekt ; hoestte taai, klonterig slijm op. θ Membraneuze kroep.
Op de vierde dag van een lichte aanval van difterie, plotselinge kroepachtige hoest ; ademhaling moeizaam ; kon niet liggen ; hoest hard ; expectoratie van lange, taaie slijmdraden ; zeer slaperig ; epiglottis aan top en zijkanten met membraan bedekt. θ Difteritische kroep.
Kroepachtige hoest en moeilijke ademhaling, met piepen ; expectoratie van geel, enigszins draderig slijm, dat met de vinger verwijderd moest worden ; tonsillen en fauces bekleed met een wit, parelmoerig beslag, dat tot in het strottenhoofd doorloopt ; < rechts. θ Membraneuze kroep.
Na het rijden tegen een koude westenwind in, verkoudheid in hoofd en keel, gevolgd door kroepachtige hoest ; toegenomen droogheid van de keel 's nachts, de ademhaling kon duidelijk door het hele huis worden gehoord ; hoest in aanvallen, na het slapen vreselijk verergerd. θ Kroep.
Membraneuze of difteritische kroep die het strottenhoofd, de luchtpijp en zelfs de bronchiën aantast ; stem hees, onvast, hoest hees, metaalachtig ; slikken pijnlijk, tonsillen rood, gezwollen, of bedekt met vals membraan dat moeilijk loskomt, met expectoratie van taai, draderig slijm ; hoest afgietsels op van elastische, fibrineuze aard ; luide slijmreutels ; piepend gerochel in de slaap ; sluipende aanvang ; dikke, mollige, lichtblonde kinderen.
Vroeg, vormend stadium van kroep ; < 2 tot 3 uur 's nachts ; taai slijm verstikt hem.
Gevoel van een prop in het bovenste deel van de luchtpijp, en van haren dwars over de tongbasis, dat noch door keelschrapen, noch door slikken, noch door eten verlicht wordt.
Catarre van fauces en luchtpijp ; grote ophoping van draderig slijm ; heesheid ; hoest ; gedempte stem ; branderig gevoel van het slijmvlies, zich omhoog uitstrekkend tot in de neusgaten ; tonsillen vergroot, waardoor het gehoor verminderd is ; ulceratie van keelholte en strottenhoofd ; benauwde ademhaling.
Branderig gevoel in luchtpijp en bronchiën.
Gevoel van droogheid in de bronchiën, 's morgens.
Hevige, schelle hoest ; moeilijke, gelig witte expectoratie ; brandende, rauwe pijn langs de keel en langs het borstbeen ; dyspneu en piepen, moet half overeind in bed zitten ; pols snel en klein ; de hele nacht geen slaap. θ Acute bronchiale catarre.
Voortdurende hoest, die hem de hele nacht wakker houdt, en veel lijden veroorzaakt door pijn in de borst, die hij beschreef als scheurend en brandend ; voortdurende loopneus ; pijn in de voorhoofdsholten ; algemeen gevoel van matheid en loomheid. θ Catarre van de borst.
Frequente hevige hoestaanvallen, met een losse, piepende klank, geen sputum ; transpiratie < 's nachts ; luid piepen en gerochel ; dyspneu bij liggen. θ Bronchiale catarre.
Hevige hoestaanvallen, met weinig expectoratie, en dan van draderig slijm, waardoor de patiënt buitengewoon uitgeput raakt, soms vergezeld van droog kokhalzen. θ Bronchitis.
Acute capillaire bronchitis.
Om de twee of drie weken, na de geringste blootstelling, wordt hij bevangen door rillerigheid en loomheid, met blozend gezicht, hoofdpijn en hete handen gedurende een halve dag ; daarna hitte van het hele lichaam ; verstoorde slaap en schreeuwen 's nachts, gevolgd door hoestaanvallen, met braken van taai slijm als eiwit en van gele, zure vloeistof ; daarna gedurende verscheidene dagen hoest ; gebrek aan eetlust ; beslagen tong ; constipatie. θ Bronchiale aanvallen na kinkhoest.
Gewone bronchitis, wisselend tussen een acuut en een torpide, hardnekkig karakter van de ziekte, en vooral wanneer vergezeld van periostale of reumatische pijnen van chronische aard.
Hevige, beklemmende, droge hoest, < overdag, en steeds opgewekt door enige blootstelling aan rook ; piepen 's nachts in bed. θ Chronische bronchitis.
Gerochel in de borst, dyspneu bij liggen. θ Chronische bronchitis.
Chronische bronchitis sinds vele maanden ; hoest gering, maar veel viskeuze expectoratie, in grijze klonten ; lichte keelpijn ; pijn in het epigastrium ; flatulentie.
Na kou te hebben gevat, een jaar geleden, hoest, met grote beklemming van de borst en zwelling van de aderen van de hals ; sputum in taaie, zwarte klonten ; hoest < na eten of drinken ; dyspneu bij inspanning. θ Chronische bronchitis.
Draderige expectoratie ; gevoel van verstikking bij liggen. θ Chronische bronchitis.
Chronische bronchitis veroorzaakt door inademing van arseendamp.
Subacute en chronische ontstekingsprocessen in strottenhoofd of bronchiën, met congestie en zwelling van de buizen en vermeerderde afscheiding van kleverig slijm, dat de stem versluiert en verandert.
Bronchiëctasie met foetide adem en expectoratie.
ADEMHALING [26]
Benauwde ademhaling, wordt om 2 uur 's nachts wakker; hartkloppingen; orthopneu, zit voorovergebogen; veroorzaakt door slijm, kroep, kroepachtige difterie, chronische bronchitis, membraneuze bronchitis, of door verstoorde circulatie; koud gevoel en beklemming om het hart, onderste gedeelten van de longen bekneld.
Druk en zwaarte op de borst, als van een gewicht; wordt 's nachts met dit gevoel wakker en het wordt verlicht na het opstaan.
Als een zware last op de borst bij het ontwaken uit de slaap.
Piepende, hijgende ademhaling bij het ontwaken; daarna hoest die hem dwingt rechtop te gaan zitten, voorovergebogen.
Piepende ademhaling 's nachts na kinkhoest.
Dyspneu.
Lichte dyspneu, alsof het slijmvlies van de bronchiën verdikt was, bij het opstaan in de ochtend.
Beklemming ter hoogte van de splitsing van de bronchiën.
Gevoel van verstikking bij het gaan liggen.
HOEST [27]
Hoest opgewekt door: kieteling in het strottenhoofd of bij de bronchiale bifurcatie; door beklemming in het epigastrium of ophoping van slijm in het strottenhoofd.
Droge, korte, aanhoudende kriebelhoest en pijn in het strottenhoofd, alsof van een zweer afkomstig.
Hoest, gepaard gaand met een inwendige gevoeligheid in de borst, vooral op één plek, alsof daar een zweer zat.
Hoest, met pijn, vanuit het midden van het borstbeen door naar de rug; ernstige stekende pijn, of zwaar gevoel en gevoeligheid in de borst.
Droge hoest, met steken in de borst, pijn in de lendenen, duizeligheid, dyspnoe, schietende pijnen in de borst.
Tijdens de hoest: bloederige smaak in de mond; misselijkheid; ulceratieve pijn in de keel; druk in borstbeen en strottenhoofd, uitstralend naar het tongbeen; brandende pijn in het borstbeen, uitstralend naar de schouders; zwaar gevoel, gevoeligheid en pijn in de borst; hartkloppingen met reutelen in de keel; pijn in de zijden en lendenen > door druk.
Luide, ruwe hoest, in afzonderlijke hoeststoten, op verschillende tijdstippen, gedurende een uur of twee, en daarna enkele uren niet, het meest 's morgens bij het ontwaken.
Hoest 's morgens bij het ontwaken, met dyspnoe, > door te gaan liggen.
Hoest, vooral 's morgens, met opgeven van wit slijm, "taai als pek", dat tot draden kan worden uitgetrokken.
Aanhoudende prikkelhoest, soms met opgeven van bloed; nachtelijke transpiratie; de nacht door hoest verstoord; kietelende irritatie in het strottenhoofd; geen appetijt; bleek; phthisische habitus.
Aanhoudende hoest, met opgeven van bloed; prikkel tot hoesten uitgaand van het strottenhoofd; zweten in de slaap 's nachts.
Hoest < : bij het uitkleden; 's morgens bij het ontwaken; na het eten; bij diepe inademing; > nadat men warm is geworden in bed.
Piepende ademhaling en hijgen, daarna hevige hoest, met kokhalzen en moeilijke opgave van slijm, zo taai dat het in draden tot aan de voeten kan worden uitgetrokken.
Hoest veroorzaakt door eten; droge hoest na het middagmaal.
Hoest met gladde of folliculaire inflammatoire roodheid van keelholte en fauces.
Dyspnoe en droge hoest gedurende zes weken, gevolgd door opgeven van donkergrijs slijm met de consistentie van eiwit, met gevoeligheid en beklemming van de borst.
Hoest resonerend, fluitend, met misselijkheid en opgeven van dik slijm; fluitend, luid reutelen in de borst.
Verstikkende hoest, met taai, draderig slijm, dat aan keel, mond en lippen kleeft.
Hoest hees, metaalachtig, bij kroep (membraneus of difteritisch), met opgeven van taai slijm of fibro-elastische afgietsels.
Volzittende hoest met pijn op de borst en opgeven van gelige, zware, taaie materie.
Hoest met opgeven van geelgroene taaie materie.
Hoest met dikke, zware opgave, blauwachtige klonters slijm.
Hoest met transparant, vuil, leigekleurd sputum.
Na kinkhoest, zes maanden tevoren, hield de hoest nog steeds aan, los en reutelend en 's nachts in aanvallen met kieteling; overdag piepen zonder hoest; incidenteel slijmerig braken.
Kinkhoest; slijm zo taai dat het zich in lange draden uit de mond tot op de grond uitstrekte.
De opgave is zeer glutinieus en kleverig; hecht aan fauces, tanden, tong en lippen en verlaat ten slotte de mond als een lange, draderige en zeer taaie massa.
Opgave met sporen van bloed.
BORST, INWENDIG, EN LONGEN [28]
Pijnen van de rug naar het borstbeen ; of vanuit het midden van het borstbeen schietend naar tussen de schouders.
Jeuk achter het borstbeen, veroorzakend een hevige, uitputtende, paroxismale hoest.
Gezicht licht blozend ; neusslijmvlies prikkelbaar, hetzij droog, hetzij overvloedig geel slijm afscheidende ; ogen nu gezond, vaak katarrh in de ooghoeken ; alle tanden verwoest (mercuriale nawerking) ; tong aan de punt schoon, maar bedekt met rode puntjes, de wortel dik geel beslagen ; grote droogheid van de mond, afwisselend met speekselvloed ; tandvlees livide ; fauces en keelholte bedekt met rode granulaties, doortrokken met witte strepen en zich uitstrekkend tot in de slokdarm ; voortdurende prikkeling, alsof door een vreemd lichaam in de keel, soms ernstig branden en schrapen ; smaak zuur, vaak metaalachtig ; grote dorst ; maag opgeblazen, met gevoeligheid, volheid en druk ; braakt soms ; streek van het rectum gevoelig voor druk ; urine zeer zuur ; ontlasting hard en de stoelgang moeilijk ; dysmenorroe ; doffe percussieklank over het rechter bovenste anterieure en posterieure deel van de borst ; zwak, reutelend ademgeruis in de apex van de r. long ; dezelfde symptomen aan de linkerzijde, alleen zwakker ; hoest meestal droog, maar hinderlijk, vooral 's morgens na het aankleden en laat in de avond ; dik, taai, wit sputum ; hitte en kriebeling in het strottenhoofd vóór het hoesten, veroorzakend onrust en ongeduld. θ Consumptie.
Hoest, met overvloedige, gele, draderige expectoratie en veel zweten ; pijn alsof van ulceratie van het strottenhoofd, veroorzakend hoest bij bijna elke inademing ; gevoel van stijfheid in het strottenhoofd. θ Phthisis pulmonalis.
Scirrheuze degeneratie van beide longen, expectoratie zo taai dat zij bijna een meter uit de mond kon worden getrokken ; hoest zeer hevig, slaap en rust verhinderend.
Hemoptoë ; pneumonie.
HART, POLS EN CIRCULATIE [29]
Koud gevoel ter hoogte van het hart ; beklemming op de borst ; dyspneu.
Druk op het hart na het eten.
Stekende pijn in de hartstreek.
Hartkloppingen, dyspneu, versnelde pols, hitte ; wordt plotseling met een schok wakker, 2 uur 's nachts.
Hypertrofie van het hart ; insufficiëntie van de aortakleppen.
Pols : onregelmatig, klein, samengetrokken, met neusbloeding ; versneld, vaak zacht, zwak, zelfs fladderend.
Pulsatie gevoeld in alle slagaders.
BORSTWAND [30]
Doffe pijn aan de rechterzijde, op een scherp begrensde plek, < bij inademing.
NEK EN RUG [31]
Stijfheid van de nek bij het buigen van het hoofd.
Bruine vlekken op de hals als sproeten.
Stekende pijn van de derde halswervel tot de vijfde rugwervel, naar voren doorschietend door de borst tot in het borstbeen, < bij beweging; niet in staat de wervelkolom na bukken weer te strekken.
Pijn in de rug, doorschietend tot in het borstbeen, met hoest en opgeven van taai, zwart slijm.
Pijn in de onderrug.
Scherpe, schietende pijnen, eerst in de linker-, daarna in de rechter nierstreek, zich uitstrekkend langs de dijen omlaag, < bij beweging.
Scherpe, stekende pijnen in de nierstreek.
Zeurende pijn in de rug en langs de linkerzijde omlaag tot in de heup.
Pijn: als van een mes, door de lendenen; kan niet lopen.
Pijnen dwars over de lendenen met koude van de extremiteiten.
Reumatische pijnen in de rug; bij het bukken gevoel alsof er iets over het sacrum barstte; kan niet bukken of bewegen van de pijn, die zelfs in rust voortdurend aanwezig blijft, maar < bij de geringste beweging van romp of benen.
Hevige zeurende pijn, "als van een rijpend abces", op een kleine plek in het sacrum, een aanhoudende, bonzende pijn, 's nachts het sterkst gevoeld en belemmert de slaap; > overdag, wanneer hij op is en rondloopt, maar niet in staat iets op te tillen.
Pijn in het sacrum; kan zich niet oprichten.
Snijdende pijn aan de buitenzijde links van het sacrum, schietend omhoog en omlaag.
Pijnen in het os coccygis, < door lopen of aanraking, en na het opstaan na lang zitten.
Pijn in het stuitbeen tijdens het zitten.
BOVENSTE LEDEMATEN [32]
Reumatische pijnen in beide schouders, < 's nachts.
Steken aan de onderste hoek van het linker schouderblad.
Stijfheid van het schoudergewricht.
Pijnlijke stijfheid van de rechterarm.
Gevoel van lamheid in de rechterarm, alsof hij in slaap was geraakt.
Brandende pijn midden in de onderarm, zich uitbreidend tot aan de pols.
Zwelling van de arm, gevolgd door een op een furunkel lijkende verhevenheid, die overging in een grote zweer met overhangende randen.
Pustels op de armen, ter grootte van een gehalveerde erwt, met een haar in het midden.
Jeuk aan de onderarmen en handen, daarna ondraaglijke pijn en vorming van talrijke zweren, waaruit bij stevig bekloppen van de arm meer dan een dozijn bijna vaste ettermassa's loskwamen, zodat de zweren schone, droge holten achterlieten, die zich langzaam vulden en genazen.
Reumatische pijnen in ellebogen en polsgewrichten; stekende pijn in de l. elleboog.
Papuleuze eruptie op de onderarmen, enkele dagen aanhoudend en vaak terugkerend.
Roodheid, zwelling en jeuk op een plek aan de pols; daarna hevige pijn; na enige tijd vormde zich etter en brak door de huid heen, en bleef twee of drie maanden uitvloeien; daarna genas het, met achterlating van een ingezonken litteken alsof het was uitgehold.
Grote zwakte van de handen.
Krampachtige samentrekking van de handen.
Psoriasis diffusa van de handen, die na enige tijd ontaardt in impetigo.
Handen geheel bedekt met ingezonken littekens, die eruitzien alsof zij met een pons waren uitgestanst.
De handen worden bedekt met diepe, stekende littekens.
Beenderen van de handen als beurs bij druk; zweren op de vingers, met botcariës.
Reumatische pijnen in de vingergewrichten.
Na roodheid en zwelling van een vinger, met enige kloppende pijn, vormde zich boven het gewricht van de wijsvinger een zweer, met witte, overhangende randen en donkere, gangreneuze centrale punten; huid en onderhuids celweefsel waren beweeglijk alsof zij van hun aanhechtingen waren gescheiden.
Kleine pustels aan de nagelwortels, zich over de handen uitbreidend tot aan de polsen; de arm werd rood en de okselklieren etterden; kleine pustels op de handen scheidden bij openbreken een waterachtige vloeistof af; werd deze niet aangeraakt, dan verdikte zij zich tot een gele, taaie massa.
Pijnlijke zweer onder de duimnagel.
ONDERSTE LEDEMATEN [33]
Reumatische pijnen in heupgewrichten en knieën, bij lopen of bewegen, ook met rusteloosheid, bij difterie.
Pijn in het verloop van de linker ischiaszenuw, van achter de grote trochanter tot in de kuit ; > door beweging.
Steken in de rechterzijde van de borst en in de linker ischiaszenuw.
Ischias : bij mannen ; linkerzijde, pijn die van de heup naar de knie loopt ; zwervende, grillige pijnen, stekende pijn in knie en heupgewricht, zeurende pijn in het been, met trillen ; de pijnen komen snel op en nemen spoedig af ; schokkende, zeurende pijn in de heup ; pijn > door lopen en het been te buigen ; < bij warm weer, door staan, zitten of in bed liggen ; druk doet de pijn langs de gehele lengte van de zenuw schieten. θ Ischias.
Ernstige pijnen in de heup en langs de buitenzijde van het dijbeen naar beneden ; < in de namiddag en avond, > in bed ; < bij iedere weersverandering. θ Ischias.
Pijn verergerd door staan, zitten of in bed liggen ; > door lopen en het been te buigen ; druk deed de pijn langs de gehele lengte van de zenuw schieten ; linkerbeen aangedaan. θ Ischias.
Ischias nadat haar kleren vochtig waren geworden ; pijn in de linkerheup, > door beweging.
Pijn in de rechterheup, uitstralend naar de knie.
Zwaar gevoel in de benen ; zeurende pijn en zwakte in de kuiten bij lopen of traplopen.
Uitslag op benen en dijen van roodachtige, harde knobbels, van de grootte van een speldenknop tot die van een gehalveerde erwt, met een ingezonken, donkere korst in het midden, met een ontstoken basis.
Hevige pijnen in de scheenbeenderen en branden, zich omhoog uitbreidend langs de benen ; zeurende en schietende pijn aan de voorzijde van de dijen en knieën ; < 's nachts, zonder zwelling.
Pijn in de pezen van de kuitspieren, alsof zij uitgerekt waren, waardoor men mank loopt.
Scheurende pijn in de rechter tibia.
Scheurende pijnen in de tibia, door tertiaire syfilis.
Pijn in het midden van de tibia.
Periostitis na een slag op de huid, waarbij op die plaats een zweer ter grootte van ongeveer een shillingstuk achterbleef, huid en celweefsel eromheen sterk ontstoken ; hevige pijn in het been wanneer hij staat ; hevige pijn die omhoogschiet naar de knie ; stijfheid van de buigspieren van de knie.
Rode, pijnlijke, deegachtige zwelling op het rechter scheenbeen ; gevoelig bij aanraking en na staan, maar vooral pijnlijk 's nachts, wanneer knagende en schrapende pijnen haar wakker houden ; witte vloed en jeuk van de vulva. θ Syfilitische periostitis.
Een aantal kleine, onregelmatige zweren op het been, die bij genezing een ingezonken litteken achterlaten. θ Syfilis.
Kleine puistjes op de benen, die zich uitbreiden tot grote scharlakenrode vlekken, met afscheiding van gele materie.
Gevoel van ontwrichting in de linker enkel.
Hevige brandende hitte rond enkel en hiel, diep gelegen en de slaap belemmerend ; drie kleine, onregelmatige, oppervlakkige zweren ; obstipatie ; hartgefladder.
Gevoeligheid van de hielen bij lopen.
Blaar, gevuld met serum, op de voetzool van de rechtervoet.
Zweren op eerder ontstoken voeten.
LEDEMATEN IN HET ALGEMEEN [34]
Schietende, stekende pijnen, < in de ochtend.
Frequente en ernstige pijn in de ledematen, vooral in de armen, vergezeld van kramp in de handen; wanneer hij vrij was van pijn in de ledematen, had hij pijn en onrust in de maag en pijn in de jukbeenderen.
Periodieke, rondzwervende pijnen, ook langs de beenderen; doorgaans zonder gelokaliseerd ontstekingsproces.
Pijn in de ledematen die van plaats tot plaats verschuift.
Beenderen voelen beurs aan; kraken in de gewrichten bij beweging.
Overal stijf, kon zich 's morgens nauwelijks bewegen.
Alle ledematen stijf, met schietende pijnen, < in de ochtend.
Rheumatisme van de ledematen, vooral in de gewrichten.
Reumatische pijnen: in de ledematen; in heupen en vingers, < overdag.
Chronisch rheumatisme van een koude soort; de beenderen voelen pijnlijk en beurs aan.
Periostaal en syfilitisch rheumatisme.
Hoorbaar kraken in de gewrichten bij lichte beweging van polsen, enkels en wervelkolom, < door beweging.
RUST. HOUDING. BEWEGING [35]
Liggen : bonzen boven de ogen > ; op de pijnlijke zijde < ; dyspneu ; gevoel van verstikking ; hoest > ; ischias < ; pijn van de knieschijf tot in de voet <.
Liggen op het gezicht : pannus van de ogen >.
Buigen van het hoofd : stijfheid van de nek.
Hoofd achterovergebogen : membraneuze kroep.
Draaien van het hoofd : tijdens epileptische aanval.
Moet gaan liggen : wegens hevige hoofdpijn.
Neiging om te gaan liggen.
Kon niet gaan liggen : tijdens difterie.
Bukken : licht gevoel in het hoofd ; bonzen boven de ogen < ; schietende pijn in de slapen en boven de ogen < ; duizeligheid ; gevoel alsof er iets dwars over het sacrum kraakte.
Na bukken : kan de wervelkolom niet weer rechten.
Opstaan na de slaap : gevoel van zwaarte op de borst >.
Opstaan uit zittende houding : duizeligheid.
Zitten : pijn in het stuitbeen ; ischias < ; overvloedig zweet op de rug.
Na opstaan na lang zitten : pijn in het os coccygis <.
Kon nauwelijks gaan zitten : gevoel van een prop in de anus.
Moet half rechtop in bed zitten : wegens dyspneu.
Zit voorovergebogen : orthopneu ; wegens piepende ademhaling.
Staan : ischias < ; hevige pijn in het been.
Na staan : deegachtige zwelling op het rechter scheenbeen.
Beweging : afkeer van ; organische cardialgie < ; plotseling, na zitten, een scherpe steek in het rechter hypochondrium ; pijn door de borst heen tot aan het borstbeen < ; schietende pijn in de nierstreek < ; reumatische pijn < bij beweging van romp en ledematen ; reumatische pijnen in heupgewrichten en knieën ; pijn in het verloop van de ischiaszenuw > ; kraken van de gewrichten.
De geringste beweging : pijn in de bloedzweer aan de rechterzijde van de wervelkolom.
De geringste inspanning : veroorzaakt hartkloppingen ; opgeven van bloed vermengd met slijm ; dyspneu.
Zich bewegen : bonzen boven de ogen < ; misselijkheid <.
Kan niet bukken of bewegen : wegens pijn dwars over het sacrum, die zelfs in rust constant blijft.
Tong uitsteken : pijn in de keel <.
Trap opgaan : duizeligheid ; zeurende pijn in de kuiten.
Been buigen : pijn in de heup >.
Lopen : warmte van het hele lichaam ; pijn in beide hypochondrieën ; pijn in de rechter hypochondrische streek ; pijnlijk wegens gevoeligheid van de anus ; steken in de prostaat, moet stil blijven staan ; pijn in het sacrum > ; pijn in het os coocygis < ; reumatische pijnen in de heupgewrichten en knieën ; rukkende, zeurende pijn in de heup > ; zeurende pijn in de kuiten ; gevoeligheid van de hielen.
Moet de hele nacht de kamer op en neer lopen wegens brandende jeuk van een papulaire jeukuitslag.
Kan niet lopen : wegens pijn door de lendenen heen.
Woelen met de armen : tijdens de slaap.
ZENUWEN [36]
Grote vermoeidheid en algemeen onbehagen; zwakte, met verlangen om te gaan liggen.
Vermoeidheid in de ledematen naarmate de pijnen afnemen.
Uitputting; gezicht bleek, koud zweet op gezicht en lichaam.
Neuralgie elke dag op hetzelfde uur.
Epileptische aanvallen; handen worden lam; misselijkheid gevolgd door koude rilling, gapen, een gevoel van flauwte en hoofdpijn; verliest het bewustzijn met de hoofdpijn; knipperen met de oogleden tijdens de aanval; draaien van het hoofd; luid schreeuwen; gezicht wisselend, nu bleek, dan rood; schuim op de mond; taaie, draderige vloeistof loopt uit de mond, kon tot een draad van zes el lang worden uitgetrokken.
SLAAP [37]
Grote neiging om te geeuwen en zich uit te rekken.
Slaperig in de open lucht.
Onverkwikkende slaap; voelt zich verzwakt, vooral in de ledematen.
Tijdens de slaap frequent opschrikken, onsamenhangend praten, met de armen gooien.
Wordt wakker: met aandrang om te urineren; door dyspneu; door hartkloppingen; door hitte; door hoofdpijn.
Erger bij het ontwaken: vooral de hoofd- en borstklachten.
TIJD [38]
De meeste symptomen treden 's morgens op, of zijn dan het hevigst.
Om 2 uur 's nachts : hitte in de maagkuil en bloedspuwen ; benauwde ademhaling wekt hem ; schrikt wakker.
Van 2 tot 3 uur 's nachts : kroep <.
's Morgens : licht gevoel in het hoofd < ; pijn aan één zijde van het hoofd komt op ; acuut kloppen in de wenkbrauwen, de hele dag aanhoudend ; het zien is wazig ; bij het ontwaken, hoofdpijn ; pijn in voorhoofd en kruin ; lichte fotofobie ; catarrale ontsteking < bij het ontwaken ; oogontsteking met verkleving ; veelvuldig niezen, verstopping en bloeding uit het rechter neusgat ; dikke, gele afscheiding uit het linker neusgat ; hoest < ; smaak koperachtig, zoetig, zuur, bitter ; droogheid en branden in de keel ; veel taai slijm wordt opgehaald ; zwart slijm uit de keel ; misselijkheid < ; organische cardialgie < ; bruine tong ; verward gevoel ; waterachtige, gutsende diarree ; chronische diarree ; pijnscheuten door de rechterlong ; bij het ontwaken, samentrekkende pijn aan de wortel van de penis ; heesheid en ophoping van slijm in het strottenhoofd ; haalt overvloedig, dik, blauw slijm op ; hoest met zwartachtig sputum ; hoest en dyspneu ; ophoesten van bloed vermengd met slijm < ; chronische laryngitis < tegen de ochtend, wanneer taai slijm hem bijna verstikt ; koorts en kroepachtige hoest < ; droogheid van de bronchiën ; bij het opstaan, lichte dyspneu ; luide, rauwe hoest < ; hoest met dyspneu ; hoest < ; ledematen stijf met schietende pijn < ; grote dorst.
Om 9 uur 's morgens : aanval van hoofdpijn begint, verdwijnt in de namiddag.
Begint 's morgens, neemt toe tot de middag, houdt tegen de avond op ; hevige schietende pijn van de neuswortel naar de buitenooghoek.
Overdag : schietende pijn in de slapen en boven de ogen ; slaperigheid en loomheid ; continue aandrang om te urineren ; hevige, strakke hoest < ; piepende ademhaling zonder hoest ; zeurende pijn in het sacrum > ; rheumatisme van heupen en vingers <.
In de namiddag : stekende pijnen door het hele hoofd ; ischias <.
's Avonds : hoofdpijn ; coryza < ; zwelling van de maag ; stekende pijnen door het hele hoofd ; hevige zeurende pijn in het rechter hypochondrium ; heesheid ; catarrale laryngitis ; catarrale afonie < ; hoest < ; ischias <.
's Nachts : pijn aan de linkerzijde van het hoofd < ; schietende pijn in de slapen en boven de ogen ; pulserende pijn in de oren ; lopen uit neus en ogen, steeds < ; aanvallen van verstikking ; slapeloosheid ; snijdende pijn bij de navel ; veelvuldige lozing van waterachtige urine met sterke geur waardoor hij wakker wordt ; droogheid van de keel < ; geen slaap wegens hoest ; transpiratie < ; verstoorde slaap en schreeuwen ; piepende ademhaling in bed ; gevoel van zwaarte op de borst ; zweten ; hoest ; kriebelhoest ; zeurende pijn op een kleine plek in het sacrum < ; reumatische pijn in de schouders ; zeurende pijn aan de voorzijde van de dijen en knieën < ; deegachtige zwelling op het rechter scheenbeen ; hitte en jeuk van de huid ; brandende jeuk van een papuleuze eruptie ; keel pijnlijk bij het slikken.
TEMPERATUUR EN WEER [39]
Klachten bij warm weer.
Neiging om in de open lucht kou te vatten.
Eruptie begint bij warm weer. (Rhus bij koud weer).
Matig koude lucht wordt als zeer onaangenaam ervaren.
Algemeen gevoel beter buiten, vooral duizeligheid > bij lopen in de open lucht; rillerigheid en maagklachten < in de open lucht.
Ontbloten <; inwikkelen >.
Open lucht: bonzen boven de ogen >; hoofdpijn >; veelvuldig niezen en coryza <; misselijkheid >; slaperig.
In bed: ischias >; pijn van patella tot voet <.
Zoekt een warme plaats op: wegens rillerigheid in de rug.
Droge, warme lucht: keel >.
Warme temperatuur: droogheid van de neus <; hoest >; jeuk van de huid.
Warm, vochtig weer: voortdurend snuiven; keel <.
Warme soep: brandende hoofdpijn >.
Heet weer: prolapsus uteri, schijnbaar daardoor veroorzaakt; ischias <; hevige jeuk van de eruptie <; eruptie begint.
Wind: waterachtige afscheiding uit het rechter neusgat <.
Koele temperatuur: droogheid van de neus >.
Koud weer: jeuk van de eruptie >; zweren pijnlijk.
Koude westenwind: ertegenin rijden veroorzaakte verkoudheid in het hoofd, gevolgd door kroep.
Koude winden: veroorzaken doffe, koliekachtige pijnen rond de navel.
Koud, vochtig weer: keel <.
Drinken van koud water: > de droge mond en lippen niet.
Verandering van weer: ischias <.
Wanneer het weer gaat veranderen: catarrale laryngitis <.
Uitkleden: hoest <.
Na kou vatten: hoest.
KOORTS [40]
Rillerigheid in de rug, slaperigheid ; zoekt een warme plek op.
Rillerigheid afwisselend met hitteopwellingen.
Rillerigheid met duizeligheid en misselijkheid, gevolgd door hitte, met een gevoel van koude en beven ; periodieke stekende pijnen in de slapen ; zonder dorst.
Aanvallen van rillerigheid vanuit de voeten omhoog, en het gevoel alsof de schedel ter hoogte van de kruin samengetrokken werd, in vaak terugkerende paroxysmen.
Rilling, gevolgd na een uur door hitte, met droogheid van mond en lippen, die voortdurend bevochtigd moeten worden ; gevolgd in de ochtend door grote dorst maar geen zweet ; slecht humeur.
Rillerigheid, vooral in de extremiteiten, en hitteopwellingen afwisselend met algemeen zweet.
Brandende hitte van het bovenste deel van het lichaam en van het gezicht, met inwendige rillerigheid en hevige dorst.
Duizeligheid ; hevig, pijnlijk braken gevolgd door pijn in het voorhoofd, branden van de ogen, grote brandende hitte van het bovenste deel van het lichaam en van het gezicht, met inwendige rillerigheid en hevige dorst.
Hitteopwellingen ; in het gezicht. θ Overgang.
Hitte van handen en voeten ; misselijkheid ; pijn in het bovenste deel van het abdomen ; droogheid van de mond ; slapeloosheid ; gevolgd door zweet van handen, voeten en dijen.
Hitteopwellingen afwisselend met algemeen zweet.
Handen koud en badend in koud zweet.
Zweet op het voorhoofd ; de rest van het gezicht droog.
Zweet : op de rug, tijdens persen bij de stoelgang ; overvloedig terwijl men rustig zit ; koud op voorhoofd en handen ; op handen, voeten en dijen.
AANVALLEN, PERIODICITEIT [41]
Pijnen verplaatsen zich snel van de ene plaats naar de andere, houden nergens lang aan en treden met tussenpozen op.
Symptomen wisselen elkaar af.
Maagklachten treden in de plaats van reumatische klachten.
Pijnen treden snel op, verdwijnen plotseling.
Vaak terugkerende aanvallen : gevoel alsof schedel of kruin werd samengetrokken.
Periodieke aanvallen : van eenzijdige hoofdpijn ; van krampachtige samentrekking van de darmen ; van stekende pijnen in de slapen.
Periodiek : hoofdpijn ; obstipatie.
Met tussenpozen : schietende pijn in de rechter slaap.
Een uur na het eten : braken van voedsel met misselijkheid.
Een uur na de koude rilling : hitte.
Verscheidene malen per dag : stoelgang.
Komt en gaat met de zon : hoofdpijn.
Elke dag op hetzelfde uur : neuralgie.
Bijna dagelijks : hoofdpijn.
Op de vierde dag van difterie : plotselinge kroepachtige hoest.
Gedurende verscheidene dagen, na blootstelling : hoest, gebrek aan eetlust.
Om de twee of drie weken : na geringe blootstelling wordt hij bevangen door rillerigheid en lusteloosheid, rood gelaat, hoofdpijn, hete handen gedurende een halve dag.
Gedurende zes weken : dyspneu en droge hoest.
Om de drie of zes maanden : obstipatie.
Herfst en lente : afwisselend maagklachten en reumatische klachten.
Gedurende vele maanden : chronische bronchitis.
Elk jaar : periodieke dysenterie.
Een jaar geleden : na kou te hebben gevat, hoest.
Nuttigt om 6 uur 's avonds het avondmaal en krijgt na ongeveer drie uur waterbranden.
Een half uur aanhoudend : erecties ; prikkende steken door de rug heen.
Houdt tien uur aan : pijn in het hoofd.
Enkele dagen aanhoudend : papuleuze erupties op de onderarmen.
Lokalisatie en richting [42]
Rechts : pijn beginnend in de supraorbitale boog, zich uitbreidend over één zijde van het hoofd ; pijn rond het oog en het jukbeen ; verlies van het zien met dat oog ; acuut bonzen midden in de wenkbrauw ; pijn in de zijkant van de borst ; schietende pijn in de slaap ; volledige pannus van het oog ; oog ontstoken ; een oud litteken op het oog ; jeuk van de oorlel ; bof aan de zijkant van de lip ; bij het snuiten van de neus hevige steken in de zijkant van de neus ; waterachtige afscheiding uit het neusgat ; obstructie en bloeding uit het neusgat ; hevig stekend gevoel in de zijkant van de neus bij het snuiten ; neusgat gevuld met harde massa's ; zwelling van een zeer vaatrijke, sponsachtige structuur in het neusgat ; kleine zweer aan de rand van het neusgat ; plek in het traanbeen gezwollen en bonzend ; kleine tuberkel aan de zijkant van de neus ; bof ; tandvlees van de onderkaak zeer gezwollen ; plek op de amandel ; pijn die uitstraalt naar het oor ; steken in het hypochondrium ; pijn in de hypochondrische streek ; zeurende pijn in het hypochondrium ; pijn op een klein plekje in het hypochondrium ; voortdurende doffe, zeurende pijn in de hypochondrische streek ; pijn schiet door de long van onder de mamma naar de rug onder het schouderblad ; zeurende pijn in de nierstreek ; dof percussiegeluid over het bovenste anterieure en posterieure deel van de borst ; zwak, rattelend geruis in de longtop ; doffe pijn in de zijde boven een circumscripte plek ; pijnlijke stijfheid van de arm ; steken in de zijkant van de borst ; pijn van de heup naar de knie ; scheurende pijn in de tibia ; rode, pijnlijke, deegachtige zwelling op het scheenbeen ; blaar vol serum op de voetzool ; bloedzweer van de dij ; bloedzweer aan de zijkant van de wervelkolom ; blaren vol serum op de voetzool.
Links : pijn in de slaap die zich uitstrekt tot de rechter slaap ; pijn in de zijkant van het hoofd en boven het oog ; hevige pijn in de zijkant van het hoofd, jukbeenuitsteeksel ; schietende pijn langs de oogkasboog ; oogbol drukgevoelig bij wrijven ; gedeeltelijke pannus van het oog ; prikkende, stekende pijnen in het oog ; kleine, witte, korrelige pustels op de cornea ; oog zeer geïnjecteerd ; schietende pijnen in het oor ; steken in oor en oorspeekselklier ; hevige steken in het oor uitstralend naar het gehemelte, de zijkant van het hoofd en de nek ; uitwendige gehoorgang gezwollen en ontstoken ; kietelend gevoel hoog in het neusgat ; voortdurende afscheiding van dikke, gele materie uit het neusgat ; ernstige pijn omhoog langs de spier aan de zijkant van de nek ; halverwege het neusgat ernstige schrijnende pijn ; sponsachtige zwelling in het neusgat ; schietende pijn in het bovenkaaksbeen in de richting van het oor ; naar binnen schietende pijn in het jukbeen ; een trillend gevoel als van draden in gezicht en nek ; zweer op de borst ; schietende pijn in de amandel ; onrust, gevoeligheid en drukgevoeligheid op een klein plekje links van het zwaardvormig aanhangsel ; pijn in het hypochondrium ; acute pijnen die van achter de heup naar beneden schieten langs de buitenzijde van de dij ; acute pijnen rond het oog en aan de zijkant van het voorhoofd ; schrijnend gevoel aan de zijkant van de keel ; zwak, rattelend geruis in de longtop ; zeurende pijn langs de zijde naar beneden tot in de heup ; pijn aan de buitenzijde van het sacrum ; steken aan de onderste hoek van het schouderblad ; stekend gevoel in de elleboog ; pijn in het verloop van de nervus ischiadicus ; steken in de nervus ischiadicus ; pijn die van de heup naar de knie loopt ; gevoel van ontwrichting in de enkel.
Eerst links, dan rechts in de nierstreek : scherpe, schietende pijnen.
Naar buiten : een schietende pijn in de slapen en boven de ogen.
GEWAARWORDINGEN [43]
Pijnen op kleine plekjes, die met de top van de vinger bedekt kunnen worden.
Pijnen vallen eerst het ene deel aan en verschijnen daarna weer in een ander.
Zwaar gevoel in vele delen.
Alsof het hoofd zou barsten ; druk op de kruin als van een gewicht ; gevoel alsof er zand in de ogen zat ; alsof de neus moest barsten ; alsof de neus gezwollen was ; een stijf gevoel van iets hards in de neus ; alsof er een zware last aan de neus hing ; alsof de neusgaten van perkament waren gemaakt ; alsof twee losse botten tegen elkaar wreven ; de neus voelt te zwaar aan ; kriebeling alsof er hoog in het linker neusgat een haar zat ; alsof zij haar verstand verloor door een branderig gevoel in het gezicht ; gevoel van een haar op het achterste deel van de tong ; gevoel van een prop in de keel ; alsof er zure vloeistof door de achterste neusgangen over het gehemelte liep ; alsof er na het slikken iets in de keel achterbleef ; alsof de longen met katoen waren opgevuld ; alsof de spijsvertering stilgelegd was ; alsof er over de hele lengte van de slokdarm iets hards zat ; alsof de maag omhoog schokte ; alsof er iets in de ingewanden vrat ; gevoel van een prop in de anus ; alsof er ulceratie in het strottenhoofd was ; alsof er een brok in de keel zat ; gevoel van zwelling in het strottenhoofd ; keel alsof die met zeemleer bekleed was ; snijdend alsof er messen in het abdomen zaten ; gevoel alsof er één druppel urine achtergebleven was ; pijn aan het sternum "als van spelden en naalden ;" ; alsof er een brok in het bovenste deel van de luchtpijp zat, en haren dwars over de tongbasis ; als een zware last op de borst ; alsof het slijmvlies van de bronchiën verdikt was ; pijn in het strottenhoofd alsof van een zweer ; alsof er een zweer in de borst zat ; irritatie alsof er een vreemd lichaam in de keel zat ; alsof er een mes door de lendenen ging ; alsof er bij het bukken iets dwars over het heiligbeen knapte ; alsof de rechterarm in slaap was gevallen ; littekens op de handen zien eruit alsof zij met een wattenpons waren uitgeponst ; botten van de handen alsof beurs ; alsof de pezen van de kuitspieren uitgerekt waren ; alsof de schedel ter hoogte van de kruin samengetrokken werd ; steken in de botten alsof van naalden ; pijn alsof die in een bot van de voet zat.
Pijn : in het epigastrium ; in het voorhoofd boven één oog ; beginnend in de rechter supraorbitale rand, zich uitbreidend over één zijde van het hoofd ; in de linkerslaap ; over het voorhoofd ; naar de linkerslaap ; rond het oog en het jukbeen aan de rechterzijde ; in de linkerzijde van het hoofd en boven het linkeroog ; in de rechterzijde van de borst ; in het hoofd op één punt ; in voorhoofd en kruin ; van achterhoofd naar voorhoofd ; van de oren naar de klieren ; in de keel bij het uitsteken van de tong ; in de zijkant van het hoofd ; uitstralend van de keel naar het oor ; in het oor, uitstralend naar de gezwollen oorspeekselklier en naar het hoofd ; in de maag ; in de ledematen ; dwars over het midden van de rug ; in de oogbollen ; in het epigastrium ; in beide hypochondrieën ; in de rechter hypochondrische streek ; in de maagkuil ; in de leverstreek ; in het abdomen ; zoals bij enteritis ; in de miltstreek ; dwars over de rug ; in het stuitbeen tot in de urethra ; aan het sternum ; in de keel ; dwars over het epigastrium ; in het strottenhoofd ; in de borst ; in de voorhoofdsholten ; in het strottenhoofd, vanaf het midden van het sternum door naar de rug ; in de lendenen ; in de zijden ; in het heiligbeen ; in de onderrug ; dwars over de lendenen ; in het os coccygis ; in het stuitbeen ; in het verloop van de linker ischiadische zenuw, van achter de trochanter major tot in de kuit ; van heup naar knie ; in de linkerheup ; in de rechterheup tot aan de knie ; in de pezen van de kuitspieren ; in het midden van de tibia ; in het voorhoofd ; in het bovenste deel van het abdomen.
Folterende pijn : in de onderrug.
Ondraaglijke pijn : in de onderarmen en handen.
Buitensporige pijn : in de ogen.
Hevige pijn : in de slapen ; in het hoofd ; in de linkerzijde van het hoofd ter hoogte van de processus zygomaticus ; van het achterhoofd naar het voorhoofd ; in de keel ; in het abdomen ; in de scheenbenen ; van de patella tot aan de voet.
Ernstige pijn : in de voorhoofdsholten ; langs de spieren aan de linkerzijde van de nek omhoog tot een klein plekje aan de zijkant van het hoofd ; bij het slikken ; rond het linkeroog en de linkerzijde van het voorhoofd ; in de heup en omlaag langs de buitenzijde van het dijbeen ; in de ledematen ; in de armen.
Sterke pijn : in de neus bij het verwijderen van elastische pluggen ; op een plekje aan de pols ; in het been wanneer hij staat.
Acute kloppende pijn : in het midden van de rechter wenkbrauw.
Scheurende pijn : in de borst ; in de rechter tibia.
Voortdurende scheurende pijn : in het epigastrium.
Snijdend : in het abdomen ; bij de navel ; in de onderste ledematen ; aan de buitenzijde links van het heiligbeen, schietend op en neer.
Stekend : van de derde halswervel tot de vijfde borstwervel.
Lancinerende pijnen : in het oor ; in de neus.
Doorschietende pijnen : in het hoofd ; door de longen ; van achter de linkerheup langs de buitenzijde van het linker dijbeen.
Hevige schietende pijn : van de neuswortel langs de linker oogkasboog naar de buitenooghoek, tot aan de knie.
Scherpe, schietende, stekende pijnen : over het hele hoofd.
Scherpe, schietende, zeurende pijnen : in de zijden en rug, eerst in de linker dan in de rechter nierstreek, uitstralend omlaag langs de dijen.
Schietende pijn : boven de wenkbrauw ; in de slapen ; boven de ogen ; naar binnen toe richting keel ; in het linker bovenkaaksbeen ; in het linker jukbeen ; in het bot boven het oog ; in de linker tonsil ; in het linkeroor ; van achter naar voren ; in de nierstreek ; van de nieren door naar de darmen.
Schietend : in de borst ; in dijen en knieën ; in de ledematen.
Hevige steken : in het linkeroor, uitstralend naar het verhemelte, de zijkant van het hoofd en de nek ; in de rechterzijde van de neus.
Scherpe steken : in de botten van het hoofd ; in ulcera op het trommelvlies ; in het rechter hypochondrium.
Steken : in het linkeroor en de linker oorspeekselklier ; in de keel ; in het epigastrium en de borst tot in de tepel ; in het rechter hypochondrium ; in de leverstreek ; in de miltstreek ; door het abdomen ; in de urethra ; in de prostaat ; in de borst ; aan de onderste hoek van het linker schouderblad ; in de rechterzijde van de borst ; in de linker ischiadische zenuw.
Hevig steken : in de rechterzijde van de neus.
Stekende pijn : in knie en heupgewricht.
Knijpende pijn : in de neusrug.
Borend : in de takken van de onderkaak.
Snoerende pijn : in de maag ; in de hypochondrieën ; aan de basis van de penis.
Stekende pijnen : in de ogen ; in ulcera op de tong ; in de tong ; in de linkerelleboog ; in de slapen ; in de huid ; in één slaap ; van de uitwendige gehoorgang naar het binnenoor ; in de nierstreek.
Ernstige schrijnende pijn : uitstralend naar het jukbeen onder het oog.
Schrapende pijn : in het rechter scheenbeen.
Prikkende pijnen : in de ogen ; in korrelige pustels op het linker hoornvlies ; in de tong ; in de tonsillen ; door naar de rug ; in de glans penis ; in de hartstreek.
Brandende pijn : in het hoofd ; op het bovenooglid ; in de anus ; omlaag door de keel en langs het sternum ; in de borst ; in het sternum ; midden op de onderarm.
Hevige zeurende pijn : in het rechter hypochondrium ; op een klein plekje in het heiligbeen.
Aanhoudende kloppende pijn : in het heiligbeen.
Ulceratieve pijn : in de keel.
Pulserende pijnen : in de oren.
Schokkende, zeurende pijn : in de linkerheup.
Zeurende pijn : aan één zijde van het hoofd ; aan de neuswortel ; in het voorhoofd ; in de zijden en rug ; in de nierstreek ; langs de linkerzijde tot aan de heup ; in de benen ; in de heup ; in de kuiten ; aan de voorzijde van de dijen en knieën.
Vliegende pijnen : in het hoofd ; naar alle delen.
Zwervende pijn : in de ogen ; van heup naar knie ; langs de botten zonder gelokaliseerde ontstekingsprocessen ; naar alle delen.
Reumatische pijnen : in de maag ; in de rug ; in beide schouders ; in de ellebogen en polsgewrichten ; in de vingergewrichten ; in de heupgewrichten en knieën ; in de ledematen.
Rauwe pijn : omlaag door de keel en langs het sternum.
Drukkende pijn : in de neuswortel.
Koliekpijnen : in het abdomen.
Knagend : in het epigastrium ; in de maag ; in de hypochondrieën ; rond de navel ; in de rechter kin.
Krampen : in de handen ; in de kuiten en aan de binnenzijde van het dijbeen.
Doffe, zeurende pijn : in de rechter hypochondrische streek.
Kloppend, dof, zwaar : boven de ogen ; duidelijk en ritmisch met de pols ; in het rechter traanbeen.
Bonzen : aan de binnenzijde van de neuswortel.
Lichte pijn : dwars over het onderste deel van de borst.
Halfzijdige hoofdpijn : op kleine plekjes.
Maagpijnen : in de maag.
Doffe pijn : in het hypochondrium ; rond de navel ; in de rechterzijde.
Doffe, zware pijn : in het hypogastrium.
Pijnlijke druk : in de anus.
Trekkend : in de anus ; pijnlijk, van het perineum in de urethra.
Snerpend als draden : in de linker gelaatshelft en nek.
Beurs gevoel : in de botten.
Krassend gevoel : in de keel.
Schrijnen : van de aangetaste delen ; tussen de schouderbladen ; aan de linkerzijde van de keel ; in de korsten van pustels op armen en benen ; op het slijmvliesoppervlak van de lippen.
Stekend gevoel : in het oor.
Gevoeligheid : van de botten van het hoofd ; in de ogen ; in de neus ; van het tandvlees ; op een klein plekje links van het zwaardvormig uitsteeksel ; in de anus ; ter hoogte van de maag ; in de vagina ; van de keel ; van het strottenhoofd ; van de borst ; in de hielen.
Rauwheid : in de vagina.
Hevig branden : in een klein ulcus op het rechter neusgat ; in de keel ; rond de enkel.
Sterke brandende hitte : van het bovenlichaam.
Branden : in beide ogen ; in de oogleden ; van de neus ; aan de binnenzijde van de neuswortel ; van het septum ; in het gezicht ; in de keel ; in de keelholte ; in
de maag ; in de hypochondrieën ; in de anus ; in het abdomen ; in het glandulaire deel van de urethra ; in de fossa navicularis ; in het bulbaire deel van de urethra ; rond de vulva ; van het slijmvlies dat zich omhoog in de neusgaten uitstrekt ; in de luchtpijp en bronchiën ; in de scheenbenen en omhoog langs de benen ; in de huid.
Warmte : in de ogen ; van de uitwendige oren ; in de uitwendige neus ; in de maagkuil ; in de urethra.
Pijnlijke stijfheid : van de rechterarm.
Doffe, zware druk : in de leverstreek.
Snoering : van de darmen.
Beklemming : rond het hart ; ter hoogte van de bifurcatie van de bronchiën ; van de borst.
Drukkend gevoel : aan de neuswortel ; in de slapen.
Stijfheid : van het strottenhoofd ; van de nek ; van het schoudergewricht.
Stijf gevoel : in de wanden van de neus.
Lamheid : in de rechterarm ; van de handen.
Volheid : in de maag ; in de borst.
Grote zwaarte : in de maagkuil ; in de borst.
Druk : op de kruin ; in de ogen ; aan de neuswortel ; in de maag ; in de anus ; op de borst ; in het sternum ; op het hart.
Zwaar gevoel : van het hoofd ; van de bovenoogleden ; in de maag ; op de borst ; van de benen.
Beklemming : van de borst.
Licht gevoel : in het hoofd ; dwars over het voorhoofd.
Verwardheid : in het hoofd.
Gevoel van verstikking : bij het liggen.
Droogheid : van de neus, mond en lippen ; in de keel ; in de bronchiën.
Fluwelig gevoel : op de wanden van de neus.
Gapend, flauw gevoel : met hoofdpijn.
Onrust : in de maag.
Gevoel van ontwrichting : in de linkerenkel.
Kriebeling : hoog in het linker neusgat ; in de keel ; in het strottenhoofd ; in de bronchiale bifurcatie.
Hevige kriebeling en jeuk : in de oren.
Intense brandende jeuk als vuur : van de uitslag over het hele lichaam.
Hevige jeuk : over het hele lichaamsoppervlak.
Jeukende pijn : in het zeefbeen.
Jeuk : van de aangetaste delen ; van erupties op de hoofdhuid ; van de oogleden ; van de uitwendige oren ; van eruptie op de oren ; van de rechter oorlel ; van korsten op het gezicht ; van pustels op het gezicht ; in de behaarde delen van de mannelijke geslachtsorganen ; aan de glans penis ; rond de vulva ; achter het sternum ; van de onderarmen en handen ; op een plekje boven de pols ; van de kin.
Kruipend gevoel : van de aangetaste delen.
Inwendige koude en warmte : van het gezicht.
Gevoel van koude : in de maag en darmen.
Koud gevoel : rond het hart.
WEEFSELS [44]
Vermagering; anemie; algemene cachexie.
Difteritische vormingen in neus, mond, fauces, keelholte, strottenhoofd, luchtpijp, bronchi en zelfs uterus en vagina.
Plastische exsudaten.
Aandoeningen van welke slijmvliezen ook, met afscheidingen van taai, draderig, aanklevend slijm, of slijm dat tot lange draden kan worden uitgetrokken.
Catarrh afwisselend met reumatische pijnen.
Rheumatisme afwisselend met maagsymptomen, het ene optredend in de herfst, het andere in de lente.
Botten voelen beurs aan; cariës.
Kraken in alle gewrichten bij de minste beweging.
Reumatische pijnen in bijna alle gewrichten.
Botpijnen met steken alsof van stekende naalden.
Syfilis.
AANRAKING. PASSIEVE BEWEGING. VERWONDINGEN [45]
Aanraking : brandende pijn in het bovenste ooglid ; nek pijnlijk ; neusrug pijnlijk ; hevig branden in een zweer op een neusgat ; tandvlees aan de r. onderkaak gevoelig ; linkeroor en nek pijnlijk ; pijn in de hypochondrische streek < ; pijn in het os coccygis < ; zwelling als een knoop pijnlijk.
Druk : harde druk, > kloppingen boven de ogen ; hoofdpijn > ; knijpende pijn in de neusbrug > ; tanden verdragen de geringste druk niet ; steken in de miltstreek < ; abdomen gevoelig ; pijn in de zijden en lendenen > ; streek van het rectum gevoelig ; veroorzaakt een schietende pijn langs de gehele loop van de nervus ischiadicus.
Kan geen strakke kleding over borst of keel verdragen.
Moet zich wegens pijn in het rechter hypochondrium onmiddellijk uitkleden.
Verlangen om de ogen te wrijven.
Wrijven : branderigheid van de ogen <.
Na een schaafwond : zwelling als na een kneuzing.
Na een slag op de kin : periostitis.
HUID [46]
Brandend, stekend gevoel in de huid.
Huid heet, droog en rood.
De gehele onderhelft van het lichaam, vanaf iets onder de navel aan de voorzijde en vanaf de bovenkant van de billen aan de achterzijde, omlaag over dijen en benen, bedekt met een gladde, glanzende, verheven, helderrode eruptie, die deze delen het aanzien geeft van een gekookt kreeftenpantser; de huid vertoont een aspect van verdikking en verharding; niet veel irritatie of warmte.
Warmte en jeuk van de huid 's nachts, wanneer warm in bed, gevolgd door roodachtige, harde knobbels, van de grootte van een speldenknop tot die van een gehalveerde erwt; het midden ingezonken, met een donkere korst, omgeven door een ontstoken basis.
Droge eruptie als mazelen.
Bij het uitbreken van de eruptie, hese, kroepachtige, benauwende hoest; neus pijnlijk, kleine zweren in de neusgaten, en de afscheiding taai, dik, visceus, stug; het sputum draadvormig en taai, en slechts met grote moeite los te maken. θ Mazelen.
Papuleuze eruptie, begon als een vlek op de kuit en breidde zich over het hele lichaam uit; grote papuleuze verhevenheden, rood en onregelmatig, als mazelen, maar meer verheven, met intense en overmatige brandende jeuk als vuur, vooral 's nachts, waardoor zij de hele nacht door de kamer moest lopen; algemene zwakte; knagend gevoel en pijn in het epigastrium, en daar een gevoel van inwendige jeuk, > bij het nemen van voedsel; stoelgang vrij; urine heet en sterk gekleurd, en soms schaars; menstruatie regelmatig.
Hevige jeuk van het gehele oppervlak; daarna ontstaan kleine pustels, meestal op armen en benen; de korsten steken, doen pijn en branden; < bij warm, > bij koud weer.
Kleine pustels over het lichaam als pokken; zij verdwijnen zonder open te barsten; meestal op gezicht en armen.
Pustels over het hele lichaam, verschijnend op ontstoken delen van de huid, zo groot als een erwt, met in het midden een kleine zwarte korst.
Eruptie over het hele lichaam, beginnend als een klein knobbeltje op de huid, dat ontstoken raakt en rood wordt, en ten slotte een bloederige vloeistof afscheidt, en een klein, ingezonken, ulceratief oppervlak met ontstoken basis achterlaat, dat geneest en opnieuw uitbreekt; overal waar de afscheiding ermee in aanraking komt, veroorzaakt zij een nieuwe plek; hevige jeuk 's nachts. θ Pustuleuze eruptie.
Kleine pustels aan de nagelwortels, zich uitbreidend over de handen tot aan de polsen; arm rood, okselklieren etteren; kleine pustels aan de handen scheiden bij openbreken een waterachtige vloeistof af; als zij niet worden aangeraakt, dikt de vloeistof in tot een gele, taaie massa.
Furunkelachtige verhevenheid die in een grote zweer overging, met hard centrum en overhangende randen.
Bloedfurunkel op de rechterdij; aan de rechterzijde van de wervelkolom, nabij de laatste rib; pijnlijk bij de geringste beweging.
Vesiculaire erupties.
Blaren vol serum op de zool van de rechtervoet.
Herpes na kou vatten, met waterige neusloop en bronchiale irritatie.
Korsten op de vingers of corona glandis; diepe, stekende littekens aan de handen.
Bruine vlekken als sproeten op de hals.
Etterende tetter (ecthyma).
Pustuleus syphiloderma.
Impetigo, pustels.
Zona.
Lupus, chronische vorm, met branden en jeuk.
De eruptie begint bij warm weer.
Na een ontvelling zwelling als een knobbel, waarbij een onregelmatige zweer ontstaat, bedekt met een droge korst en pijnlijk bij aanraken; onder de huid een harde, beweeglijke knobbel, als een likdoorn, met een kleine geülcereerde plek in het midden, waar deze de opperhuid raakt; het harde, knobbelige gevoel blijft bestaan nadat de genezen zweer met witte huid bedekt is.
Zweren: diepgeel, droog, ovaal; randen overhangend, helderrode areola; basis hard, invretend; steeds dieper wordend; zwartachtige plek in het midden; litteken blijft ingezonken; diep alsof met een pons uitgeslagen, randen regelmatig.
Syfilitische zweren, diep met harde randen, op de genitaliën, in de keel, de huig, het neustussenschot, enz.
Zweren pijnlijk bij koud weer.
Etterende, solitaire huidtuberkels, die diepe gaten vormen.
Hoofd en behaarde hoofdhuid bedekt met droge, rode, schilferige plekken aan de haarwortels, waardoor het haar uitvalt; veel jeuk 's nachts, maar geen vochtigheid of pijn; op gezicht en lichaam bruine, vlakke vlekken en papels; cervicale klieren achter de oren gezwollen en pijnlijk; hevige pijnen van de patella tot de voet, van een "linking"-karakter, alsof zij in het bot zaten; pijnen < in bed en bij liggen; moet 's nachts het grootste deel van de tijd opstaan en rondlopen; soms veel zwelling langs de tibia; het been voelt langs de botten gezwollen en deegachtig aan; keel pijnlijk bij het slikken, vooral 's nachts, en rood maar niet geülcereerd; verschillende vlakke, verheven ulceraties op de tong, en één grote plek in het midden; stem hees; constipatie; misselijkheid na de maaltijden; hitteopwellingen en transpiratie; menstruatie regelmatig maar pijnlijk. θ Eruptie en periostitis, waarschijnlijk syfilitisch.
LEVENSFASE, CONSTITUTIE [47]
Dikke, lichtblonde personen, die lijden aan catarraal, syfilitisch of scrofuleus lijden.
Dikke, mollige kinderen met korte hals, geneigd tot croupeuze ontstekingen.
Personen met blozende gelaatskleur, een vlekkerig rood voorkomen en een dikke huid.
Dyspeptische bierdrinkers.
Geschikt voor personen die vatbaar zijn voor catarrhen van de slijmvliezen.
Jongen, æt. 5 maanden; constipatie.
Kind, æt. 5 maanden, strumeuze constitutie, sinds drie maanden ziekelijk; uitslag op het hoofd.
Jongen, æt. 10 maanden, helder, levendig, licht van teint; membraneuze kroep.
Kind, æt. 11 maanden; difterie.
Meisje, æt. 18 maanden; uitslag op het lichaam.
Kind, æt. 1 1/2; zes maanden geleden kinkhoest gehad, sindsdien lijdend; hoest.
Jongen, æt. 2; scrofuleuze conjunctivitis.
Jongen, æt. 2 1/2, lijdt sinds negen maanden; heesheid.
Jongen, æt. 3, goede constitutie; bronchitis.
Meisje, æt. 3; membraneuze kroep.
Kind, æt. 3; diarree.
Jongen, æt. 4; scrofuleuze conjunctivitis.
Kind, æt. 4; difterie.
Meisje, æt. 4, blanke teint; difterische kroep.
Meisje, æt. 4, lichte teint, vlasblond haar; membraneuze kroep.
Jongen, æt. 4, sanguinisch temperament; chronische diarree.
Jongen, æt. 5; difterische kroep.
Meisje, æt. 5, blond haar, had kinkhoest, waarna zij kou vatte; gastro-intestinale irritatie.
Meisje, æt. 5; pustuleuze uitslag.
Jongen, æt. 6, sinds twee dagen lijdend; catarrale oftalmie.
Jongen, æt. 6; scrofuleuze conjunctivitis.
Kind, æt. 6; difterie.
Meisje, æt. 7, gedurende het grootste deel van haar leven aangedaan; scrofuleuze oftalmie.
Jongen, æt. 7, lymfatisch, bleke teint, sanguinisch temperament; uitslag.
Meisje, æt. 8, had vier jaar geleden kinkhoest, sindsdien ziek; terugkerende bronchiale aanvallen.
Jongen, æt. 8, stevig, groot hoofd, na een brandwond; dysenterie.
Meisje, æt. 8 1/2; scrofuleuze conjunctivitis.
Jongen, æt. 9; scrofuleuze conjunctivitis.
Kind, æt. 10; difterie.
Meisje, æt. 10, zes weken ziek; eczeem.
Meisje, æt. 11, twee maanden ziek; braken.
Meisje, æt. 12, had zes jaar geleden kroep, sindsdien lijdend; heesheid; hoest.
Meisje, æt. 13, sinds een maand lijdend; scrofuleuze oftalmie en ulceratie van het hoornvlies.
Meisje, æt. 13; keelpijn.
Meisje, æt. 13; kroep.
Meisje, æt. 14, nog niet gemenstrueerd; maagaandoening.
Jongen, æt. 14, lymfatisch, nerveus temperament, blond haar, lichte ogen; pustuleuze uitslag.
Meisje, æt. 15, sinds een jaar lijdend; neuscatarrh; jonge dame, æt. 17, juist uit India teruggekeerd; pijn in het rechter hypochondrium.
Meisje, æt. 17, vatte een jaar geleden kou, sindsdien lijdend; bronchitis.
Jonge vrouw, sinds verscheidene maanden lijdend, operatie zonder succes; neuspoliep.
Meisje, sanguinisch, lymfatisch temperament, sinds zes jaar na difteritis; pijn in de ledematen.
Dame, æt. 22; pijn in de hypochondrische streek.
Man, æt. 22, had twee jaar geleden syfilis; zweren op het been.
Vrouw, æt. 22; syfilis.
Man, æt. 24, heeft maag- en reumatische klachten; pijn in de rug.
Jonge man, blond; maagontregeling.
Jonge tenorzanger, na het vatten van kou; laryngitis.
Man, æt. 24, gezond, een maand geleden plotseling bevangen door hevige pijn in de slapen, sindsdien lijdend; hoofdpijn.
Officier, æt. 24, sterke, plethorische constitutie, cholerisch temperament, 15 maanden geleden een sjanker gehad; syfilis.
Jonge vrouw, moeder van twee kinderen; geülcereerde keelpijn.
Tengere vrouw, vijf jaar getrouwd; uitslag en periostitis.
Vrouw, æt. 25, ongehuwd, sinds drie maanden lijdend; ulceratieve stomatitis.
Dame, æt. 25, strumeuze constitutie, sinds vele jaren lijdend; longkoorts.
Man, æt. 26; chronische bronchitis.
Vrouw, æt. 26, blond, klein van gestalte, staalgrijze ogen, oxygenoïde constitutie; tenger, maar niet van phthisische habitus; buitensporig nerveus, angst bij de geringste aandoening; prikkelbaarheid en neiging tot spasmen, en geneigd tot huilen; vat gemakkelijk kou en dan zijn coryza en hoest lange tijd hinderlijk; leed aan acute maag- en darmcatarrh, waarvoor zij zeer grote doses zilvernitraat innam; consumptie.
Vrouw, æt. 27, getrouwd; migraine.
Man, æt. 27; trachoom met pannus.
Vrouw, æt. 28; zweer.
Man, æt. 28; pustuleuze uitslag.
Vrouw, æt. 30, had elf jaar geleden syfilis en werd met kwik behandeld, had één doodgeboren kind; syfilitische keelpijn.
Ier, æt. 30, sterk en krachtig, kan overdag werken en geniet van zijn ontbijt en middagmaal; maagaandoening.
Man, æt. 30, na enige maanden tevoren aan kou blootgesteld te zijn geweest; nieraandoening.
Dame, æt. 30, ongehuwd, sinds jaren lijdend; aandoening van de fauces en het strottenhoofd.
Vrouw, æt. 30, sinds de bevalling drie maanden geleden; hoest.
Mevr. ---, æt. 30, tenger, vatbaar voor transpiratie; papuleuze uitslag.
Man, æt. 32; supraorbitale neuralgie.
Man, æt. 32, sinds drie jaar lijdend; pijn in de rechterzijde.
Mevr. D., æt. 32, phthisische habitus, lymfatisch temperament; herstellende van een matige aanval van maagkoorts; pijn in de tibia.
Vrouw, æt. 33, had verscheidene jaren geleden syfilis; aandoening van neus en keel.
Vrouw, æt. 35, getrouwd, blond haar, gezet; lijdt dagelijks sinds ongeveer tien dagen; pijn in het rechter hypochondrium.
Politieagent, æt. 35, sinds een maand lijdend; ischias.
Dienstmeisje, æt. 36, sinds drie jaar lijdend; eczeem van de hoofdhuid.
Vrouw, æt. 36, sinds twee maanden lijdend; aandoening van het strottenhoofd.
Vrouw, æt.; 37, zeven weken ziek; maagstoornis.
Vrouw, æt. 38, sinds zes maanden lijdend, hoofdpijn.
Man, æt. 38, mager, blond, vader van vier gezonde kinderen, had vier jaar geleden syfilis en werd onderworpen aan een ernstige kwikbehandeling; coryza met verlies van smaak en reuk.
Man, æt. 39, sinds 18 maanden lijdend; dyspepsie.
Vrouw, æt. 39, algemene gezondheid aangetast, zwakke lichaamsbouw; zweer op het been.
Man, æt. 40; steenpuisten op het hoofd.
Man, æt. 40, sinds twee jaar in slechte gezondheid, heeft reumatische jicht en reumatische iritis gehad; ontsteking van de ogen.
Dame, æt. 40, dik, blond, blozend van gelaatskleur, gebruikt bier bij de maaltijden en whisky in de avond, lijdt aan vergrote lever en geelzucht; dyspepsie.
Vrouw van middelbare leeftijd, sinds vier jaar lijdend; maagaandoening.
Man, lang van gestalte, mager gebouwd, sinds acht jaar lijdend; ischias.
Blozende, roodharige vrouw, echtgenoot had vóór het huwelijk syfilis; vijf jaar geleden keelpijn en een zweer op de lippen gehad; eerste twee kinderen prematuur en doodgeboren, de twee overige teer, geeft nu sinds de laatste zes maanden borstvoeding; syfilitische periostitis.
Vrouw, æt. 44, sinds veertien dagen lijdend; supraorbitale neuralgie.
Dame, æt. 44, gezet, blozend gelaat, geneigd tot chronische hoest; acute bronchiale catarrh.
Man, æt. 45; laryngitis.
Mevr. ---, æt. 45, nerveus temperament; chronische ontsteking van het strottenhoofd en de trachea.
Man, æt. 45; chronische bronchitis.
Man, æt. 45; hoest.
Vrouw, æt. 46, sinds een maand lijdend; hoofdpijn.
Man, æt. 46, sinds zeven jaar lijdend; pustuleuze erupties.
Man, æt. 48, chronische bronchitis.
Man, æt. 48; pustuleuze uitslag.
Man, æt. 50, in de laatste 23 jaar driemaal geopereerd; neuspoliep.
Mevr. H., æt. 50, vatbaar voor verkoudheden in het hoofd en congestie naar het hoofd, catamenia ongeveer twee jaar geleden opgehouden, na influenza twee jaar tevoren; chronische neuscatarrh.
Man, æt. 50, gezet, rood gelaat, sinds vele maanden lijdend, was behandeld met caustica en tegenprikkels; vergrote tonsillen met doofheid.
Vrouw, æt. 50, tenger; laryngitis.
Man, æt. 50, reumatisch; algemene pijnen.
Man, æt. 50, na een slag; periostitis.
Man, æt. 50; nieraandoening.
Dame, æt. 52; poliep van de conjunctiva.
Man, æt. 55, majoor; chronische ontsteking van het strottenhoofd en de trachea.
Man, æt. 55; chronische bronchitis.
Vrouw, æt. 60, zwak, reumatisch, lijdt sinds verscheidene weken aan plotselinge en overvloedige afscheiding van heldere, waterachtige vloeistof uit de neus, die plotseling ophield; aandoening van de slokdarm.
Man, æt. 60, viel en bezeerde 16 jaar geleden het been; periostitis.
Mevr. ---, æt. 60, vatbaar voor aanvallen van dyspepsie en sick headache; lupus.
Man, æt. 62; chronisch reuma.
Man, æt. 64, had 40 jaar geleden syfilis, maar in de tussentijd geen symptomen daarvan; sinds de laatste tien jaar; zweer op de wang.
Vrouw, æt. 65; hoest.
Man, æt. 67; bronchitis.
Man, æt. 69; chronische bronchitis.
Man, æt. 82, woonde dertig jaar in India, had koorts, dysenterie, bronchitis; darmen gewoonlijk los, gewoontegebruiker van snuif; kwaadaardige ulceratie van de neus.
RELATIES [48]
Tegenmiddelen : Arsen., Laches . (kroep, difterie, enz.), Pulsat . (rondzwervende pijnen).
Het is een antidotum voor : gevolgen van bier ; gevolgen van arsenische dampen ; Mercur., Merc. jod .
Compatibel : na Canthar . bij dysenterie ; na Iodium bij kroep, wanneer hees hoest, met taaie membranen, algemene zwakte en koude aanwezig zijn ; Ant. tart . volgt goed bij catarrale aandoeningen en huidziekten.
Vergelijk : Bromium bij kroep ; Cannab . bij orbitale pijnen ; Hepar bij kroep, zweren, enz. ; Kali i . bij syfilitische aandoeningen na kwik ; Mezer . bij botziekten ; Nitr. ac . bij syfilis ; Phytol . bij syfilitische botaandoeningen ; Spongia bij kroep ; Silica bij botaandoeningen.