Kali Muriaticum
van Constantine Hering — De leidende symptomen van onze Materia Medica
Kaliumchloride. KCL.
De klinische symptomen van Kali chloricum (kaliumchloraat), waarvan wij provings hebben van Martin en Tully (zie Allen's Encyclopædia, deel 5, p. 316), worden voldoende overeenkomstig geacht met die van Schuesslers weefselremedies om hier te worden opgenomen.
KLINISCHE BRONNEN.
- Waanzin, Kurtz, Rück. Kl. Erf., vol. 5, p. 272 ; Verlies van het gezichtsvermogen van het rechteroog, Schuessler, p. 95 ; Chorio-retinitis, Woodyatt, Norton's Oph. Therap., p. 107 ; Parenchymateuze keratitis, Norton's Oph. Therap., p. 106 ; Aangezichtspijn, Herber, Frank, Meyer, Rück. Kl. Erf., vol. 1, p. 424 ; Aangezichtspijn, Martin (2 gevallen), Rück. Kl. Erf., vol. 1, p. 424 ; Verlamming van de rechter aangezichtszenuw, Cramoisy, Org., vol. 3, p. 112 ; Cariës van de tanden, Neumann, A. H. O., vol. 10, p. 310 ; Aandoening van de mond, Liedbeck, Rück. Kl. Erf., vol. 1, p. 507 ; Stomatitis, zweren in de mond, Henoch, Hirsch, Lauri, Rück. Kl. Erf., vol. 5, p. 219 ; Stomatitis ulcerosa, Windelband, B. J. H., vol. 36, p. 366 ; Angina, Goullon, Raue's Rec., 1870, p. 142 ; Difterie, Goullon, Œhme's Therap. ; Dysenterie, Bigler, Raue's Rec., 1875, p. 8 ; Nefritis, Windelband, B. J. H., vol. 36, p. 366 ; Albuminurie, Sanders, Trans. Am. Inst. Hom., 1883, p. 669 ; Blaascatarrh, Edlefsen, N. A. J. H., vol. 26, p. 134 ; Gonorroe, Windelband, B. J. H., vol. 36, p. 366 ; Etterende bubonen, Windelband, B. J. H., vol. 36, p. 366 ; Leucorroe, Schuessler ; Windelband, B. J. H., vol. 36, p. 366 ; Kroep, Schuessler ; Kinkhoest, Ameke, B. J. H., vol. 36, p. 366 ; Catarrhale pneumonie, Breuer, Allg. Hom. Ztg., vol. 105, p. 171 ; Catarrhale phthisis, Morgan, Trans. Hom. Med. Soc. Pa., 1880, p. 231 ; Aangezichtsverlamming, Drysdale, Hughes ; Open carcinoom (lokaal), Burow, A. H. O., vol. 10, p. 310 ; Aangeboren syfilis, Hughes ; Variola, Burow, A. H. O., vol. 10, p. 310 ; Read, N. A. J. H., vol. 10, p. 176.
GEEST [1]
Droevig, apathisch, met rillerigheid in de avond.
Afwisselende toestanden van droefheid en opgewektheid, geassocieerd met congestie, > door neusbloeding.
Gewoonlijk verlies van eetlust ; patiënt weigert volstrekt voedsel tot zich te nemen, of beeldt zich in dat hij moet verhongeren. θ Waanzin.
SENSORIUM [2]
Een glas wijn of bier benevelt gemakkelijk.
Verwarring in het hoofd, ook in het achterhoofd, met een eigenaardige gewaarwording in de halsspieren.
Duizeligheid : na hevige inspanning, met congestie naar het hoofd ; met hoofdpijn.
INWENDIG HOOFD [3]
Strak gevoel in het achterhoofd, niezen en coryza.
Zeurende pijn in de linker slaapstreek.
Hoofdpijn : uitstralend naar de kaken ; in de avond ; in het achterhoofd ; met braken, en het ophoesten van melkwit slijm.
Migraine ; witbeslagen tong, of braken van wit slijm.
UITWENDIG HOOFD [4]
Pijnen in hoofd en gezicht, met het ophoesten van wit slijm.
Catarrh van de voorhoofdsholten ; gezwellen.
(Bij zieke :) duidelijke toename van roos, vallend in kleine witte schilfers over de kraag, gepaard gaand met jeuk.
Crusta lactea, melkkorst of rauwe hoofdhuid bij kinderen.
GEZICHT EN OGEN [5]
Lichtverschijnselen voor de ogen bij hoesten of niezen.
Congestie naar de ogen, zij voelen geïrriteerd aan ; roodheid in de avond met enige pijn.
Prikkelbaar netvlies.
Tijdens het lopen door met sneeuw bedekte velden, plotseling hevige pijn in het rechteroog, onmiddellijk gevolgd door blindheid, zag hij niets met het rechteroog, alles leek rook en mist ; het linkeroog werd van maand tot maand geleidelijk zwakker ; van het netvlies is nog maar weinig te zien, daar er een soort mist over ligt, die zich vanuit het glasvocht over de achtergrond van het oog scheen uit te breiden ; netvlies dof en mistig, de aderen vormen een donker netwerk ; op sommige plaatsen vaag begrensde vlekken, sommige groter dan andere, als resten van geëxtravaserd bloed ; arteriën nauwelijks zichtbaar en leken bleek en samengetrokken.
Wazig zien met het rechteroog, hij kon geen krant lezen ; cornea, iris en pupil normaal ; geen uitwendige roodheid ; glasvocht tamelijk traag, met enkele zwarte slierten erin zwevend, die bij draaien van het oog slechts zeer beperkt bewogen ; oogzenuw en bloedvaten normaal ; binnen de papil een grote, onregelmatige, atrofische plek, waarbij choroidea en retina betrokken waren, omgeven door verscheidene kleine ; randen onregelmatig en gepigmenteerd ; de sclerotica scheen wit door de centra heen ; aangrenzende choroidea congestief en verdikt ; sommige vaten verdwenen in het geïnfiltreerde deel om aan de andere zijde weer te verschijnen ; af en toe een doffe pijn in het oog en boven de wenkbrauw, met een onduidelijk gevoel van samentrekking rond het oog ; visus 20/200 ; Snellen 11 langzaam ontcijferd. Aan het einde van een maand steeg het gezichtsvermogen tot 20/50 en Snellen 3 werd op vijf duim gelezen ; een jaar later kon de man Snellen 2 1/2 lezen, vertevisus 20/70, maar onder Kali mur. gedurende een week was het opnieuw 20/50. De zakelijke verplichtingen van de patiënt verhinderden langere behandeling. (Verbeterd). θ Chorio-retinitis.
Parenchymateuze keratitis ; sinds drie maanden bestond er een infiltratie in de rechter cornea, die aan de buitenzijde begon en zich over de hele cornea uitbreidde ; kon slechts vingers tellen ; af en toe pijn, matige fotofobie en roodheid ; pupil verwijdde zich langzaam en onvolledig, hoewel regelmatig, en trok zich snel samen.
Retinale exsudatie.
Conjunctivitis en keratitis, met vorming van kleine oppervlakkige blaasjes ; kleine zweren op de cornea na een blaasje ; gevoel alsof er zand in het oog zat ; witte slijmafscheiding of geelgroene etter uit de ogen.
Troebele vlekken op het oog ; leucoom.
Op de onderrand van de linker cornea een klein blaasje, waaruit een bundel kleine adertjes loopt ; gevoel alsof er zand in het oog zit ; randen van de oogleden met korsten.
Conjunctivitis en keratitis (scrofuleus) met vorming van phlyctenen, maar alleen oppervlakkig.
Etterende puntjes aan de randen van de oogleden ; randen met korsten ; gele etterkorsten op de randen van de oogleden.
Afscheiding : geelgroen, etterig ; wit, slijmerig.
GEHOOR EN OREN [6]
Doofheid : door zwelling van het binnenoor ; door zwelling van de buizen van Eustachius en de trommelholte ; met zwelling van klieren, of knappend geluid bij het snuiten van de neus, of witbeslagen tong.
Oorpijn ; met grijze of witbeslagen tong ; met zwelling van klieren ; met zwelling van de keel, of knappend geluid in het oor bij het slikken.
REUK EN NEUS [7]
Neusbloeding ; 's nachts ; uit het rechter neusgat.
Spanning en trekkende spanning in de wangen, waardoor verlangen om te niezen ontstaat, met kramp in de jukbeenspieren.
Verstopte of droge coryza.
Hevige coryza, niezen en overvloedige slijmafscheiding ; trekkingen van de kauwspieren ; catarrh na kwik.
Witte slijmafscheiding bij coryza, catarrh van de voorhoofdsholten.
Verkoudheid : verstopt, in het hoofd, met witgrijze tong ; met witte, niet-doorzichtige, of geelachtige afscheiding.
Het opkuchen van slijm uit de achterste neusgangen.
BOVENGEZIcht [8]
Lijdende gelaatsuitdrukking. θ Stomacace.
Opgeblazen gezicht ; ziekelijke uitdrukking.
Opvliegingen van warmte.
Verhoogde gevoeligheid van het hele gezicht, met irritatie in de neuswortel, trekkingen in de ooghoeken ; na kwik.
Bliksemachtige aanvallen van pijn in het gezicht, geleidelijk vaker optredend ; linkerzijde van het gezicht vuurrood, met trekkingen en beven in de gelaatsspieren, tranenvloed, kloppen van de slaaparterie ; < spreken, kauwen, fruit eten of iets zuurs ; opgewekt door de geringste aanraking.
Krampachtig trekken in de wangen, uitstralend naar het kaakgewricht ; scheurende pijn in de bovenkaak ; na misbruik van kwik.
Aangezichtspijn, met zwelling van tandvlees of wang.
Verlamming van de rechter aangezichtszenuw ; moeite met spreken, eten en fluiten ; kon de wangen niet opblazen, omdat de lippen aan de rechterzijde van het gezicht niet stevig gesloten konden worden ; mond scheef bij lachen of spreken ; noch rimpels noch samentrekkingen van spieren aan de verlamde zijde.
Aangezichtsverlamming, beginnend met aangezichtspijn ; gevoeligheid bij aanraking of druk van de aangedane zijde.
Puistje op voorhoofd, gezicht en tussen lippen en kin.
Vlekken in het gezicht.
ONDERGEZICHT [9]
Spanning en trekkende spanning in de wangen, waardoor een verlangen om te niezen ontstaat ; kramp in de jukbeenspieren.
Krampachtig trekken in de wangen, uitstralend naar het kaakgewricht, met stekende pijn in kaak en tanden.
Bof, zonder koorts.
Trekkingen in de spieren van de onderkaak.
Zwelling van de lippen ; na kwik.
Puistjes op de lippen ; gesprongen lippen door kou.
Baardschurft.
TANDEN EN TANDVLEES [10]
Dof gevoel in de tanden ; tandpijn in de bovenkaak.
Tandpijn met zwelling van het tandvlees en speekselvloed.
Pijnlijke cariës van de tanden.
Tandvlees : ontstoken, helder rood ; zeer gevoelig ; bloedt gemakkelijk.
Scheurbuiktoestand, vooral na kwik ; onaangename geur.
Ulceratie van de randen van het tandvlees.
Tandvleesabces, vóór ettervorming.
SMAAK, SPRAAK, TONG [11]
Smaak : onaangenaam ; ziltig ; zuur ; bitterzuur ; stekend branderig, zuurachtig ; metaalachtig na kwik.
Bittere smaak met gevoel van koude op de tong, verdwijnend na ontbijt en middagmaal.
Tong beslagen : dun, wit, niet slijmerig ; vuilgeel bij stomacace ; wit, of alleen in het midden ; na diarree.
Witte aanslag op de tong van syfilitische oorsprong.
Koude op de tong en in de keelholte.
Branderig stekende blaasjes op de tong en in de mondholte.
Ontsteking van de tong.
Kan niet spreken ; epithelioma.
MONDHOLTE [12]
Warmte en droogte ; vervellen van de lippen.
Adem buitengewoon foetide, bij ulceratie en difterie.
Ophoping van slijm.
Speeksel vloeit rijkelijk ; overvloedig en zuur ; met metaalachtige smaak.
Stekend branden met zure smaak in de mond.
Pijn, met zwelling van tandvlees en wangen.
Aften en stomatitis, eenvoudig of ulceratief.
Pijnlijke mond, met sponsachtig, bloedend tandvlees, plekken in de fauces en op de keelholte, als bij difterie of folliculaire aandoening ; foetor ondraaglijk.
Zeer acute ulceratieve en folliculaire stomatitis ; het gehele slijmvliesoppervlak rood en gezwollen, en in wangen, lippen enz. waren talrijke grijs gebaseerde zweren aanwezig.
Folliculaire zweren aan de binnenzijde van de lippen en op de tongrug ; mond vol speeksel ; klieren vergroot en gevoelig, bij cachectische mensen.
Ernstige pijn door het hele lichaam ; wazig zien, letters lijken kleiner bij het lezen ; gevoelig, tranerig ; tandvlees wordt gevoelig en stinkend, bloedt gemakkelijk en scheidt pus af ; warmte en droogte in de mond met speekselvloed ; aardkleur van het gezicht ; gezicht opgeblazen ; lippen heet, gezwollen, het epitheel laat in korsten los ; algemene lusteloosheid ; voelt zich 's morgens vermoeider dan 's avonds ; aanvallen periodiek, acht tot negen dagen durend.
Stomatitis ulcerosa, mercurieel of scrofuleus ; tandvlees gezwollen, bloedt gemakkelijk, en steekt gewoonlijk uit tussen een stel slechte tanden ; foetor oris ; speekselvloed ; afteuze zweren op tong en wangen, vooral bij kinderen.
Aften, spruw van kleine kinderen of zogende moeders, zonder grote speekselvloed.
Ulceratie in de mond die de wangen had doorboord.
Witachtige exsudatie op het slijmvlies van de mond.
Epitheeldegeneratie van het slijmvlies van de mond ; een voorbode van kanker.
Epithelioma ; ulceratie had het gezicht bereikt.
Tong gezwollen en vult de mondholte ; draagt afdrukken van verschillende delen van de mond ; ulceraties diep genoeg om het uiteinde van de pink toe te laten ; afscheiding ichoreus, afschuwelijk stinkend ; kleine, oppervlakkige zweren, pijnlijk aan de zijkanten ; harde, enigszins elastische plaatsen op de tong ; kleur diep violet. θ Epithelioma en hypertrofie.
GEHEMELTE EN KEEL [13]
Ruwheid ; droogheid van de fauces.
Droogheid van keel en borst, met hevige hoest, als door zwaveldamp.
Tonsillitis.
Tonsillitis, met veel zwelling.
Een syfilitische aanslag in de mondholte en fauces.
Tonsillen gezwollen, bedekt met wit of witgrijs.
Catarrh van het slijmvlies van fauces, tonsillen en keelholte, met witte exsudatie.
Keelholte voelt koud aan.
Schraapt kaasachtige propjes op ter grootte van een gehalveerde erwt, met walgelijke geur en smaak. θ Folliculaire faryngitis.
Angina, beginnend met witte puntjes op de uitmondingen van de kliergangen, dreigend over te gaan in difterie.
Pijn bij slikken ; < aan één zijde ; aanmerkelijke roodheid van de fauces ; dikwijls ; < witte, difteritische plekken op de tonsillen ; vuilbeslagen tong ; koorts ; rillerigheid ; lijdende gelaatsuitdrukking ; foetor oris. θ Angina.
Kroepachtige, difteritische exsudaten.
Difterie, als de fauces niet gezwollen zijn.
Difterie : met stinkende uitwasemingen ; aantasting van het strottenhoofd.
Talrijke grijze zweren in mond en keel ; overmatige afscheiding van taai, draderig speeksel ; epistaxis ; vraatzuchtige honger gevolgd door totaal gebrek aan eetlust ; droogheid en pijn in de keel, met moeilijk slikken (beginnend verlamming van de glossofaryngeale zenuw) ; overmatige mictie ; hematurie ; albuminurie ; hese stem ; onophoudelijke hoest en moeilijke ademhaling ; borst als samengedrukt en waterig schuim uit de mond vloeiend. θ Difterie.
Op de vierde dag, pols 120, slechte slaap, weinig eetlust ; de gehele fauces gevuld met exsudaat ; hevige keelpijn ; sterke foetor oris ; 's morgens een flauwteaanval. θ Difteritis.
Secundaire syfilis van de fauces.
EETLUST, DORST. VERLANGEN EN AFKEER [14]
Hevige honger tussen de gewone eetperioden.
Vraatzuchtige honger in aanvallen, > na het drinken van water.
Gebrek aan eetlust ; toegenomen dorst.
ETEN EN DRINKEN [15]
Bier en wijn maken gemakkelijk dronken.
Na ontbijt en middagmaal keert de bittere smaak terug.
HIK, OPRISPINGEN, MISSELIJKHEID EN BRAKEN [16]
Oprispingen ; leeg ; zuurachtig ; afwisselend met pijnen in borst en buik.
Wurgen en wit slijm opgeven.
Walging met huivering ; misselijkheid met oprispingen.
Braken : van wit slijm ; van bloed.
MAAGKUIL EN MAAG [17]
Snijdende pijn in de maag.
Druk, met leeg gevoel in de maag ; rillerigheid ; lusteloosheid.
Wit- of grijsbeslagen tong, pijn of zwaar gevoel aan de rechterzijde boven de lever ; vet eten valt slecht ; ogen zien er groot en uitpuilend uit. θ Dyspepsie.
Gastritis : door het drinken van te hete dranken ; tweede stadium, witbeslagen tong.
Bloeding uit de maag.
HYPOCHONDRIËN [18]
Drukkende spanning in de leverstreek, verdwijnend na het laten van winden.
Pijnlijke druk in de miltstreek.
Poortadercongestie en vergrote lever ; leegte in de maag ; pijn in de rechterzijde, lichtgele kleur van de ontlasting, wit- of grijsbeslagen tong, constipatie ; hemorroïdale klachten.
Leverziekte met waterzucht.
BUIK EN LENDENEN [19]
Koliek in de bekkenstreek ; diarree ; verschuiven van flatulentie.
Verkoudheid, leidend tot catarrh van het duodenum, witbeslagen tong ; ontlasting licht van kleur. θ Geelzucht.
Peritonitis.
Etterende bubonen.
STOELGANG EN RECTUM [20]
Diarree : na vet voedsel, gebak enz. ; ontlasting licht van kleur ; wit of slijmerig ; witbeslagen tong ; pijnlijk, waarbij niets anders dan slijm komt ; bij tyfoïde koorts ontlasting als bleekgele oker ; bloederig, of bloederig slijm.
Harde, droge ontlasting, het laatste deel met slijm vermengd.
Stoelgang zo droog dat zij bijna verkruimelt.
Constipatie door gebrek aan gal ten gevolge van trage lever ; lichtgekleurde ontlasting.
Aanhoudende pijnen in het rectum.
Dysenterie ; veel bloed met het slijm.
Pijnen in de buik, snijdend als van messen ; aandrang tot stoelgang elke vijftien of twintig minuten, met tenesmus die kreten afperst ; ontlasting bestaat slechts uit een thee- of eetlepel bloed. θ Dysenterie.
Hemorroïdale bloeding ; donker, dik bloed.
Syfilitische klachten rond de anus.
Schuren of rauwheid van de huid bij kinderen.
Aarsmaden, draadwormen.
URINEWEGEN [21]
Ontsteking van de nieren, catarrhaal of kroepachtig.
Nephritis parenchymatosa ; veel albumine in de urine.
Nierziekte met waterzucht.
Blaasontsteking met hevige koorts.
Acute en chronische blaascatarrh.
Cystitis, tweede stadium, wanneer de zwelling is ingetreden ; afscheiding van dik wit slijm.
Chronische blaascatarrh.
Troebele urine ; vuilgeel sediment. θ Nefritis.
Jeuk in de urethra.
Diabetes, overmatige en suikerhoudende urine ; maag en lever ontregeld, grijze of witte aanslag op de tong ; droge en lichtgekleurde ontlasting door gebrek aan gal ; pijn in de nieren.
MANNELIJKE GESLACHTSORGANEN [22]
Wellustige dromen met hevige zaadlozingen.
Hevige erecties met zaadlozingen en jeuk van het scrotum.
Geslachtsdrift verminderd, met rillerigheid en apathie.
Jeuk in de urethra.
Orchitis door onderdrukte gonorroe.
Postgonorroïsche verharding van de linkertestis, door misbruik van injecties met Cuprum sulph.
Hydrocele bij kleine kinderen.
Gonorroe van glans of urethra ; tweede stadium, met chordee.
Chronische urethrale afscheiding gecombineerd met eczeem (latent of zichtbaar), of met neiging tot klierzwellingen. θ Gonorroe.
Zachte sjanker.
Na sjanker, puntige condylomen op de corona glandis.
Chronische syfilis.
Etterende bubo.
VROUWELIJKE GESLACHTSORGANEN [23]
Menstruatie : te lang uitgesteld of onderdrukt ; te vroeg of te lang durend ; overmatig, donker gestold, of taai, zwart als teer ; te frequent.
Bloedingen uit de baarmoeder.
Leucorroe : mild en wit ; niet doorzichtig ; hardnekkig en scherp.
ZWANGERSCHAP. BARING. LACTATIE [24]
Ochtendmisselijkheid, met braken van wit slijm.
Albuminurie tijdens de zwangerschap.
Dreigende miskraam.
Eerste stadium van kraamvrouwenkoorts.
Mastitis, melkstuwing, opkomend borstabces, vóór de vorming van pus.
STEM EN STROTTENHOOFD. LUCHTPIJP EN BRONCHIËN [25]
Heesheid.
Koorts, luide blaffende hoest, onrust 's nachts met veel ruwe en harde hoest ; droge hitte en grote benauwdheid. θ Valse kroep.
Kroep, membraneuze exsudatie.
Bronchitis, tweede stadium, wanneer zich dik slijm vormt.
ADEMHALING [26]
Beklemming van de borst als door zwaveldampen.
Benauwde ademhaling.
Bronchiale astma wanneer de afscheiding wit is.
Astma ; slijm, wit en moeilijk op te hoesten, tong witachtig of grijsachtig beslagen.
HOEST [27]
Hevige hoest met coryza.
Droogheid van keel en borst met hevige hoest als van zwaveldamp.
Acute, korte, krampachtige hoest.
Maaghoest, luidruchtig, met uitpuilende ogen, of jeuk aan de anus.
Kroepachtige hoest ; harde, witbeslagen tong.
Kinkhoest, veel ondoorzichtig, wit slijm.
Hoest : bij tering, met dik wit sputum, witbeslagen tong ; wit of geelachtig wit slijm.
Sputum wit als melk.
Geelgroene slijmafscheiding uit de longen.
BORST, INWENDIG, EN LONGEN [28]
Benauwdheid op de borst, met hevig hartkloppen, soms voorafgegaan door bloedaandrang naar de borst of gepaard gaand met een gevoel alsof de longen met een draad waren samengebonden.
Beklemming van de borst, met hartkloppingen.
Beklemming in de borst, als door zwaveldamp.
Pleuritis, tweede stadium ; plastische exsudatie.
Verkoudheid op de borst, met dik wit of geelachtig sputum.
Longziekte, expectoratie witachtig, dik, of geelachtig wit en slijmerig : tong dikwijls achteraan met witte aanslag.
Longontsteking, tweede stadium ; tong witbeslagen.
Catarrhale pneumonie, rechterzijde.
Kroepachtige longontsteking.
Catarrhale phthisis, een kleine zone in de rechter bovenlong aantastend, met reutelende ademhaling (door haarzelf 's nachts hoorbaar), dofheid bij percussie ; bleekheid ; vermagering ; lichte koorts ; hoest met groenachtige expectoratie.
Bloeding uit de longen.
HART, POLS EN CIRCULATIE [29]
Hartkloppingen, met beklemming van de borst.
Voelbare maar niet versnelde hartslag, met koud gevoel in de hartstreek.
Hevige maar gelijkmatige hartslag ; benauwdheid op de borst, koude voeten.
Hartkloppingen, met gevoel van koude in de hartstreek.
Hartkloppingen door overmatige bloedtoevloed naar het hart ; bij hypertrofische toestanden.
Pericarditis, tweede stadium.
Hartaandoening die waterzucht veroorzaakt.
Pols versneld, of zacht en traag, niet synchroon met de hartslagen.
Rechter pols vol, zacht, traag (68), intermitterend om de vijfentwintig of dertig slagen, niet synchroon met de hartslagen (80), terwijl de linker pols tegelijk klein, zacht en gemakkelijk comprimeerbaar is.
Embolus ; voor die toestand van het bloed die de vorming van stolsels (fibrineus) begunstigt en verstoppingen veroorzaakt.
HALS EN RUG [31]
Klieren van de hals gezwollen.
BOVENSTE LEDEMATEN [32]
Koud gevoel in de arm ; inwendig koud gevoel in de rechterarm.
Trekkende, scheurende pijn in de polsgewrichten of scheurende pijn in het rechterpolsgewricht langs de ulna.
Na dansen en afkoelende tocht van rechts, een stijve nek en pijn in de schouder bij het bewegen van de rechterarm ; de volgende nacht zo erg dat zij moest schreeuwen ; drie maanden later kan zij de arm niet bewegen, het veroorzaakt pijn in schouder en schouderblad ; elleboog en hand enigszins beweeglijk ; vingers doof en krachteloos ; de pijnen zijn een voortdurende drukkende pijn ; droge warmte of de zon erop laten schijnen doet goed ; kan geen strakke kleding verdragen en niet op de aangedane zijde liggen.
Tenalgia crepitans.
Phlyctenulaire puistjes op de handruggen.
Wratten op de handen.
Jeukende puistjes met kleine blaasjes op de handruggen.
ONDERSTE LEDEMATEN [33]
Ontsteking van het heupgewricht.
Heupgewrichtsaandoening, tweede stadium, wanneer zwelling begint of aanwezig is.
Trekkende pijn in het dijbeen.
Hevig schietende pijn in de rechterknie.
Zwelling van het been onder de knie ; koud en zeer hard, en zag eruit alsof het op barsten stond ; bijna tweemaal zijn gewone grootte.
Chronische, hardnekkige zwelling van voeten en onderste ledematen, aanvankelijk zacht, later hard bij aanraking, zonder pijn of roodheid ; jeukend ; in een stadium sneeuwit en glanzend ; zwelling 's morgens minder merkbaar dan 's avonds ; grote spanning, met gevoel alsof het zou barsten.
Kramp in het been.
Zweren op de benen met eeltige randen.
Koude voeten, met hartkloppingen.
Verse wintertenen ; eksteroog.
Ingegroeide teennagels.
LEDEMATEN IN HET ALGEMEEN [34]
Mankheid : reumatisch ; met glanzende, rode zwellingen ; chronisch, veroorzaakt door gewrichtsreuma.
Reumatische pijnen.
Acute gewrichtsreuma.
Alle gewrichten gezwollen, kon geen enkele nacht in bed blijven.
Wintertenen aan handen of voeten of enig deel.
RUST. HOUDING. BEWEGING [35]
Bij het bewegen van de rechterarm : pijn in de schouder.
Hevige inspanning : duizeligheid met congestie naar het hoofd.
ZENUWEN [36]
Grote zwakte ; met diarree.
Trekkingen van spieren, vooral rond gezicht en hoofd ; < na misbruik van kwik.
Stuipen gevolgd door delirium.
Epilepsie, indien optredend met, of na onderdrukking van eczeem.
Astma ; wit slijm en moeilijk op te hoesten.
Reumatische verlamming.
SLAAP [37]
Sufheid.
Snurken en benauwde ademhaling ; onrustige slaap met angstige dromen, tegen de ochtend.
TIJD [38]
Tegen de ochtend : onrustige slaap met angstige dromen.
Ochtend : voelt zich vermoeider dan in de avond ; flauwteaanval ; misselijkheid ; zwelling van ledematen >.
Avond : rillerigheid ; hoofdpijn ; roodheid van de ogen, met pijn ; zwelling van ledematen <.
Nacht : neusbloeding ; onrust, met veel ruwe en harde hoest ; reutelende ademhaling voor haarzelf hoorbaar ; kon wegens gezwollen gewrichten geen enkele nacht in bed blijven ; delirium ; jeuk.
TEMPERATUUR EN WEER [39]
In bed : jeuk van het hele lichaam.
Droge warmte en de zon op de arm laten schijnen doen goed.
Afkoelende tocht, na dansen : stijve nek en pijn in de schouder.
Kou : laat handen en lippen springen.
KOORTS [40]
Rillingen over het hele lichaam ; of over rug en hals, met warme voeten.
Aanhoudende kouwelijkheid met stijfheid van de handen.
Rilling met braken van wit (niet-doorzichtig) slijm.
Kouwelijk in de open lucht ; in de namiddag.
Koortsachtige toestand, hevig kloppen van pols en hart.
Ondraaglijke hitte in het hoofd.
Wisselkoorts ; achter op de tong grijsachtige of witte aanslag ; braken van wit (niet-doorzichtig) slijm.
Ontsteking van peritoneum, pleura en sereuze vliezen van hersenen en pericard.
Kraamvrouwenkoorts.
Grijze of witte aanslag op de tong ; diarree, met lichtgele, okerkleurige ontlasting ; gevoeligheid en zwelling van de buik. θ Tyfoïde koorts.
AANVALLEN, PERIODICITEIT [41]
Elke vijftien of twintig minuten : aandrang tot stoelgang.
Periodieke aanvallen van acht tot negen dagen ; ernstige pijn door het hele lichaam.
Vierentwintig uur : uitslag verdwijnt.
Gedurende drie maanden : infiltratie in de rechter cornea.
Drie maanden na verkoudheid : kan arm niet bewegen ; veroorzaakt pijn in schouder en schouderblad.
LOKALISATIE EN RICHTING [42]
Rechts : wazig zien van het oog ; bloeding uit het neusgat ; verlamming van de aangezichtszenuw ; lippen konden aan die zijde van het gezicht niet stevig worden gesloten ; zwaar gevoel aan die zijde boven de lever ; pijn in de zijde ; catarrhale pneumonie ; catarrhale phthisis die een kleine zone in de bovenlong aantast ; pols vol, zacht, traag ; inwendig koud gevoel in de arm ; scheurende pijn in het polsgewricht ; stijve nek en pijn in de schouder bij bewegen van de arm ; hevig schietende pijn in de knie ; puistjes in de mondhoek.
Links : zeurende pijn in de slaapstreek ; oog werd geleidelijk zwakker van maand tot maand ; blaasje op de onderrand van de cornea ; zijde van het gezicht vuurrood ; pols klein, zacht, gemakkelijk comprimeerbaar.
GEWAARWORDINGEN [43]
Alsof er zand in het oog zat ; alsof het been zou barsten ; alsof de longen met een draad waren samengebonden.
Pijnen : in hoofd en gezicht ; bij slikken < aan één zijde ; in de keel ; in het rectum ; in de buik ; in de nieren ; in de schouder bij het bewegen van de arm ; in het schouderblad ; van tandvlees en wangen ; in de borst ; in de buik ; aan de rechterzijde boven de lever ; in de rechterzijde.
Hevige pijn : in de keel.
Ernstige pijn : door het hele lichaam.
Plotseling hevige pijn : in het rechteroog.
Hevig schietende pijn : in de rechterknie.
Bliksemachtige pijnaanvallen : in het gezicht.
Scheurende pijn : in de bovenkaak.
Snijdende pijn : in de maag ; in de buik.
Trekkend-scheurend : in de polsgewrichten ; langs de ulna.
Krampachtig trekken : in de wangen.
Kloppen : van de slaaparterie.
Koliek : in de bekkenstreek.
Trekkende spanning : in de wangen.
Trekkende pijn : in het dijbeen.
Reuma : van de gewrichten.
Zeurende pijn : in de linker slaapstreek ; vanuit het hoofd naar de kaken uitstralend ; in het gezicht ; in de tanden.
Stekend branden : smaak ; blaasjes op de tong.
Steken : in kaak en tanden.
Trekkingen : in de ooghoeken.
Irritatie : in de neuswortel.
Doffe pijn : in het oog en boven de wenkbrauw.
Pijnlijke druk : in de miltstreek.
Drukkende spanning : in de leverstreek.
Druk, met leeg gevoel in de maag.
Beklemming : van de borst.
Zwaar gevoel : aan de rechterzijde boven de lever.
Benauwdheid : van de borst.
Strakheid : in het achterhoofd.
Eigenaardige gewaarwording : in de halsspieren.
Droogheid : in de mond ; van de fauces ; van keel en borst.
Verwarring : van het hoofd ; in het achterhoofd.
Leegte : in de maag.
Jeuk : in de urethra ; van het scrotum ; op de tong ; aan de anus ; van het hele lichaam.
Inwendig koud gevoel : in de rechterarm.
Koude : in de hartstreek ; in de armen.
WEEFSELS [44]
Verstoorde werking van de vasomotorische zenuwen, congesties, met spanning, of koud gevoel.
Congesties ; in het tweede stadium, interstitiële exsudatie ; veroorzaakt zwelling of vergroting van delen, witbeslagen tong of wit sputum.
Bloeding, bloed gestold, zwart, dik, taai.
Ontsteking van lymfevaten ; acute klierinfiltratie ; harde zwellingen.
Ontsteking van sereuze vliezen in het tweede stadium van peritonitis, pleuritis en pericarditis ; acute gewrichtsreuma en longontsteking.
Afscheidingen van dik, wit of geelachtig, slijmerig slijm, uit neus, oor, ogen, of elke doorgang die met slijmvlies bekleed is.
Slijm wit, als melkglas.
Fibreuze exsudatie op slijmvliezen.
Exsudaten, fibrineus, in interstitiële bindweefsels, die zwelling en vergroting van deze delen veroorzaken.
Exsudaten, na ontsteking, met uitstorting van lymfe.
Kleverige exsudaten.
Fibrineuze exsudaten, klierinfiltratie en inflammatoire infiltratie van de huid, die zwelling van het deel veroorzaken, ontstaan uit een verstoord evenwicht van de organische (albuminoïde) basis in de cellen en van de moleculen van kaliumchloride, of spierzout, dat in biologische relatie staat tot albuminoïde stoffen, d. i. fibrine.
Harde, scorbutische infiltratie van het subcutane weefsel.
Kroepachtige en difteritische exsudaten.
Ziekten die uit gebrek aan dit zout ontstaan, worden gekenmerkt hetzij door exsudaten (zwellingen), traagheid van de lever, of door afstoting van versleten albuminoïde stof, zoals gezien in witte tongaanslag, of witachtige afscheidingen en expectoraties.
Dysenterie, difterie, laryngeale kroep, kroeppneumonie, fibreuze exsudatie in interstitieel bindweefsel (bijv. mastitis), acute infiltraties van lymfeklieren, geïnfiltreerde huidontstekingen met of zonder blaasvorming (erysipelas enz.)
Recente verklevingen, als gevolg van ontstekingen ; fibrineuze exsudaten voortkomend uit overmatige bloeddruk op de wanden der bloedvaten.
Als zwelling blijft bestaan op gekneusde delen.
Snijwonden, met zwelling.
Wild vlees.
Veroorzaakt afname en verschrompeling van granulaties, resorptie van aangrenzende infiltraties, afname van afscheiding en gevoeligheid, en opleving van neerslachtige stemming. θ Open carcinoom (lokaal).
Karbonkels, voor de zwelling.
Abces, tweede stadium, of wanneer zwelling (interstitiële exsudatie) optreedt.
Acute of chronische gewrichtsreuma.
Reumatische, jichtige pijnen.
Waterzucht : door verstopping van de galwegen en vergroting van de lever ; door zwakte van het hart ; met hartkloppingen.
Afgetapte vloeistof witachtig ; wit slijm in het urinesediment.
Ascites ; anasarca ; sequelae van koorts.
Vele aandoeningen, vooral huiduitslagen, als gevolg van gebruik van slechte lymfe bij vaccinatie (Silica).
Condylomen ; wratachtige uitwassen.
Scorbutische mond ; vooral na kwik ; chronische scorbutus ; scheurbuik.
Aangeboren of chronische syfilis.
AANRAKING. PASSIEVE BEWEGING. VERWONDINGEN [45]
Aanraking : wekt bliksemachtige pijnaanvallen in het gezicht op.
Kan geen strakke kleding verdragen of op de aangedane zijde liggen.
Verwondingen, door vallen, slagen enz., met zwelling van delen ; wintertenen ; brandwonden ; wild vlees na mechanische verwondingen.
HUID [46]
Jeuk van het hele lichaam, in bed.
Geelzucht veroorzaakt door gastro-duodenale catarrh.
Erytheem ; zwelling aanwezig ; witbeslagen tong.
Excoriatie, schuren van de huid, vooral als er neiging is tot korstvorming, tong witachtig.
Smetten bij zuigelingen.
Gesprongen handen of lippen door kou.
Papels, klein, rood ; puistjes op dij en in de rechter mondhoek ; kleine blaasjes op de extremiteiten, met pus gevuld, rode hof, weinig jeukend.
Uitslag, met afzonderlijke puistjes.
Puistjes op gezicht, hals enz., veroorzaakt door verstoorde werking van de folliculaire klieren.
Uitslag met witte schilfers.
Blaasjesuitslag. θ Wisselkoorts.
Erupties : pustels, puistjes ; die een witachtige, etterachtige substantie afscheiden ; op de huid (uitslag), als zij samenhangen met maagontregeling ; witbeslagen tong, gepaard gaand met ontregelde menstruatie.
Blaasjes ontstaan door brandwonden.
Kleine blaasjes op de huid, gevuld met lymfe. θ Wisselkoorts.
Vesikels, met sero-fibrineuze inhoud.
Herpes zoster.
Eczeem : ontstaan na vaccinatie met slechte vaccinelymfe ; door onderdrukte of ontregelde baarmoederfuncties ; vochtig uit ontstoken huid ; met witte afscheidingen van de huid.
Meelachtige schilfering.
Groenachtige, bruinachtige, gele korsten.
Melkkorst.
Ontsteking van de huid, met subcutane zwelling.
Etteringen, ontstekingshaarden op elk deel ; steenpuisten.
Wild vlees in zweren.
Miliaire en venerische symptomen.
Baardschurft.
Wintertenen ; pas ontstaan.
Ontstoken kloven bij de nagels.
Lupus.
Erysipelas bullosa.
Vesiculeus erysipelas en gordelroos.
Waterpokken.
Mazelen ; hese hoest, klierzwellingen, beslagen tong, witte of grijze aanslag ; nawerkingen ; diarree, witachtig, of lichtgekleurde dunne ontlasting, witte tong, doofheid door zwellingen enz.
Variola.
Aanval van lichte scarlatina, uitslag verdwijnend na nauwelijks vierentwintig uur ; keelsymptomen die ernstig dreigden te worden verdwenen in drie of vier dagen ; op de zevende dag trad bijna volledige urineretentie op, hoewel het kind veel dronk ; urine albumineus ; voeten gezwollen ; buik sterk opgezet ; hoge koorts ; delirium 's nachts.
LEVENSFASE, CONSTITUTIE [47]
Gemerкурialiseerde patiënten wanneer een scorbutische toestand is ontstaan.
Jongen, æt. 1 1/2 ; catarrhale pneumonie.
Meisje, æt. 7 ; blaasjes op de cornea, korstige oogleden.
Jongen, æt. 7 ; kroep.
Man, æt. 23, toegenomen roos.
Vrouw, æt. 24, blond, vijf jaar lijdend ; aandoening van de mond.
Vrouw, æt. 29, melancholisch, lijdend aan geestesstoornis en chronische leveraandoening ; aangezichtspijn.
Vrouw, æt. 33, gehuwd ; catarrhale phthisis.
Man, æt. 35 ; parenchymateuze keratitis.
Vrouw, æt. 36, lijdend aan chronische leveraandoening, na geestesstoornis ; aangezichtspijn.
Man, æt. 36, sinds twee jaar lijdend ; chorio-retinitis.
Man, drie dagen lijdend ; dysenterie.
Vrouw, æt. 44, jichtig ; aangezichtspijn.
Vrouw, æt. 56, droeg altijd blauwe bril, drie jaar geleden, tijdens het lopen door met sneeuw bedekte velden waarop de zon helder scheen ; plotseling verlies van het gezichtsvermogen van het rechteroog.
RELATIES [48]
Tegengif door : Bellad., Calc. sulph., Hydrast., Pulsat .
Het is tegengif voor : Mercur ., vooral wanneer een scorbutische toestand van het bloed bestaat.
Compatibel : na Ferr. phos . bij glossitis, bloedbraken, cystitis, kroep, tussis en pertussis, hartaandoeningen, pleuritis, pneumonie, tyfus, huidontstekingen, reuma en mechanische verwondingen ; volgt op Kali phos . bij ooraandoeningen en onderdrukte menstruatie ; wordt gevolgd door Kali sulph . bij syfilis, kramp en ontstekingen ; wordt gevolgd door Silica bij mastitis en syfilis.
Vergelijk : Apis, Arsen., Bellad., Bryon., Cadmium . (beklemde borst), Calc. phos . (lupus), Iodium, Iris, Mercur., Merc. dulc . (stoornissen van de buis van Eustachius), Mur. ac., Natr. mur., Nitr. ac., Pulsat., Rhus tox., Spongia, Sulphur, Thuja .