Crotalus Horridus
van Constantine Hering — De leidende symptomen van onze Materia Medica
Het geheugen is zwak ; afgestompt, suf, kan zich niet correct uitdrukken ; maakt belachelijke vergissingen in de spelling.
Waarnemingsvermogen verminderd.
Verwarde spraak ; onsamenhangende antwoorden, met koude huid en snelle pols.
Sufheid, traagheid, incoherentie, aarzeling en stille onverschilligheid.
Geestelijke waanideeën, zoals vergissingen bij het bijhouden van zijn rekeningen en bij het schrijven van brieven, vergeetachtigheid voor cijfers, namen en plaatsen ; in de nacht wakker wordend terwijl hij met denkbeeldige vijanden worstelt ; verbeeldt zich door vijanden of afschuwelijke dieren omringd te zijn ; vat antipathieën op tegen leden van de familie. θ Beginnend stadium van seniele dementie.
Delier : met loomheid, slaperigheid, stupor ; in de nacht ; met gekreun ; met wijd open ogen ; bij gele koorts.
Spraakzaam delier, met drang om uit bed te vluchten.
Mompelend delier bij tyfus.
Delirium tremens, bijna voortdurende slaperigheid, maar onvermogen om te slapen ; beven ; gevoelloosheid van de extremiteiten ; herhaalde aanvallen ; uitgeputte constituties.
Manie bij zymotische ziekten en wanneer verbonden met puerperale of ovario-uteriene ziekte.
Kermen en kreunen.
Pijn in het hoofd, met beklemming op de borst, brandende koorts en versnelde pols ; verlies van het spraakvermogen, sopor waaruit hij niet gewekt kan worden, mompelen en kaakklem. θ Apoplexie.
Duidelijke onverschilligheid, lijkt slechts half levend ; volslagen apathie.
Droefheid, haar gedachten verwijlen voortdurend bij de dood.
Beklemming, alsof de hersenen bedwelmd waren door koolzuur, of door bedorven of niet-geoxygeneerd bloed.
Neerslachtigheid, angst en gedrukte stemming. θ Intestinale bloeding.
Nervositeit en gedrukte stemming. θ Hoofdpijn.
Overmatige gevoeligheid ; door lezen tot tranen bewogen.
Huilerige stemming, zielsangst en wanhoop.
Melancholie, met schuchterheid, vrees ; angst ; huilen ; of een bitsig humeur.
Melancholie, met schuchterheid, vrees, beklemming en zielsangst.
Achterdocht en bitsheid, of stille onverschilligheid.
Angstig en bleek, met koud zweet.
Angst en benauwdheid, geestelijk en lichamelijk.
Grote angst, intense onrust, veel delier.
Zielsangst, kermen en kreunen, met slapeloosheid.
Bitsig humeur ; prikkelbaar, nukkig, door de geringste ergernis tot razernij gebracht.
Intense onrust, trekkingen en nerveuze agitatie.
Lethargie, zwakte, verzwakking, krachteloosheid, wankelen, beven, duizeligheid, gevoelloosheid, verlies van de coördinatie van bewegingen.
Aanvallen van slaperigheid of coma.
SENSORIUM [2]
Duizeligheid : met flauwte, zwakte, nerveus beven ; met bleek gezicht ; met vallen en verlies van bewustzijn ; epileptisch ; auditief ; cardiaal, met zachte, zwakke pols ; anemisch, > door het hoofd te laten rusten ; met veneuze congestie en ontaard bloed ; met verwijde pupillen ; door blikseminslag of zonnesteek ; door schrik.
Flauwvallen : bij het aannemen van een rechtopstaande houding ; in aanvallen ; en met vallen.
Aanvallen van duizeligheid, flauwvallen en zwakte, met occipitale hoofdpijn, verscheidene malen per dag.
Apoplectische convulsies, vooral bij het begin van een of andere zymotische ziekte.
Apoplexie bij hemorrhagische of gedegenereerde constituties, of bij drankzuchtigen.
HOOFD, INWENDIG [3]
Ernstige hoofdpijn in het voorhoofd, met coma en delier, moeilijk slikken, misselijkheid en gallig braken.
Ontwaakt 's morgens met hoofdpijn boven de ogen. θ Dysmenorrhœa.
Hoofdpijn die doortrekt naar de ogen.
Doffe, zware pijn en warmte boven de ogen en aan de zijden van de neus, ook doffe, drukkende pijn achter het oor, warmte in het voorhoofd, licht gevoel in het hoofd in de open lucht, misselijkheid in de maag 's morgens, misselijkheid en braken, met nervositeit en neerslachtigheid.
Hoofdpijn in het voorhoofd boven de ogen, in de slapen, < rechts, met duizeligheid, misselijkheid en braken van gal ; is genoodzaakt te gaan liggen ; constipatie ; > van lopen in de open lucht.
Druk en beklemming boven de ogen.
Gallige hoofdpijn om de paar dagen, beginnend achter het linkeroor en rondtrekkend langs het onderste deel van het voorhoofd als een drukkend gevoel op de ogen, met misselijkheid en braken. θ Verdraaiing van het gelaat.
Ernstige pijn in het midden van het voorhoofd ; verwijde pupillen ; overvloedige menses.
Dof, zwaar, congestief gevoel in het voorste deel van de hersenen, < door geestelijke inspanning.
Hoofdpijn in het voorhoofd in de linker anterieure kwab, vooral aan het ondervlak ervan.
Druk en drukkend zwaar gevoel boven op het hoofd van 6 uur 's morgens tot de avond.
Zeer ernstige pijn in het rechteroog en boven op het hoofd, aan de rechterzijde omlaag langs de achterkant van de nek, met tussenpozen, sinds twintig jaar.
Sick headache, met duizeligheid, warmte boven op het hoofd en algemeen zweten.
Klopping en warmte in de linkerzijde van het hoofd, met misselijkheid vóór de menstruatie ; braken van groene gal ; donkergekleurde urine.
Het hele hoofd doet pijn, met hoge koorts, < 's nachts, met grote slaperigheid ; zeurende pijn in alle botten ; warmte in het voorhoofd en branden in de borst, < door beweging.
Vreselijke hoofdpijn. θ Difterie.
Doffe, zware, kloppende occipitale hoofdpijn, flauwteaanvallen ; honger en algemeen beven.
Vreselijke hoofdpijn ; pijn alsof door een slag in het achterhoofd. θ Cerebro-spinale meningitis.
Hoofdpijn : vooral van een dof, zwaar, zeurend, trekkend, drukkend, samendrukkend of pulserend karakter ; schietend of stekend ; 's morgens bij het ontwaken, gewoonlijk verdwijnend tijdens het aankleden ; na mentale inspanning ; verwardheid en verlies van geheugen, vooral voor woorden en cijfers ; duizeligheid, misselijkheid, braken en malaise.
Hoofdpijn alsof het hoofd vernauwd was, daarna gevoeligheid van de hersenen ; pulsaties ; gevoeligheid van het hart bij liggen op de linkerzijde.
Cerebrale congestie ; ernstige hoofdpijn, duizeligheid, misselijkheid of braken ; gepaard gaand met zymotische of septische ziekten.
Meningitis, resulterend uit uitbreiding van oorziekte ; toxemisch, alcoholisch, albuminurisch, scarlatinoid, varioloid, vooral in de periode van effusie, gepaard gaand met paralytische symptomen of mentale deficiëntie.
Verweking van de hersenen, hydrocephaloid, of apoplexie na toxemische toestanden bij uitgeputte constituties.
HOOFD, UITWENDIG [4]
Hevige jeuk van de hoofdhuid; erupties, pustels, steenpuisten, karbonkels, met neiging tot ziekelijke, hemorragische inhoud, of recidiverend, of traag verlopend, of met oedemateuze omgeving.
Uitvallen van het haar, vooral als gevolg van toxemie, zoals bij scarlatina, tyfus, variola, enz.
ZICHT EN OGEN [5]
Gezichtsillusies, blauwe kleuren, wazig zien of verlies van gezichtsvermogen ; wegvallen van het zien tijdens het lezen.
Ogenblikkelijk verdwijnen van het gezichtsvermogen, met overvloedige tranenvloed.
Amblyopie, veroorzaakt door verdriet en overbelasting van de ogen door naaien ; snijdende pijnen rondom de ogen ; muscæ volitantes en vlammen in verschillende kleuren.
Hyperesthesie van het netvlies bij verzwakte, uitgeputte, scrofuleuze en hemorragische constituties.
Bloedingen in het netvlies, hetzij optredend tijdens het verloop van retinitis albuminurica en andere ziekten, hetzij wanneer zij van spontane oorsprong lijken te zijn.
Retinitis, vooral albuminurische en syfilitische.
Amblyopie, amaurosis, vooral door bloeding, zwakte en uitputting.
Diplopie ; glaucoom.
Ecchymose, chemosis, conjunctivale bloeding, vooral in het verloop van zymotische ziekte, menstruele onregelmatigheden en bij hemorragische toestanden van het lichaam.
Oftalmie, conjunctivitis, iritis, vooral zoals optredend bij eruptieve ziekten, variola, morbilli en syfilis, of andere bloedziekten.
Exoftalmische struma ; wanneer terug te voeren op een uitputtende of toxemische oorzaak, zoals overlactatie, overmatige of onderdrukte menstruatie.
Verwijde pupillen ; blauwe ringen rond de ogen.
Uitwaartse scheefstand van de ogen.
Verlamming van de oogspieren.
Gele kleur van de ogen.
Bloed sijpelt uit het oog.
Scheurende, borende pijn, alsof er rondom het oog een snede was gemaakt, soms stekend van aard en < 's morgens en 's avonds ; grote gevoeligheid voor licht, vooral lamplicht ; oogleden 's morgens gezwollen, met pijnen in voorhoofd en achterhoofd ; hartkloppingen, vooral tijdens de menstruele perioden. θ Ciliairneuralgie.
Gevoel van droogheid en branden ; roodheid met een zone rond de cornea.
Branden in de ogen ; roodheid met tranenvloed.
Druk en beklemming boven de ogen.
Ogen zwak en zeer rood, met verkleving van de oogleden, gezichtsvermogen zeer zwak ; fotofobie.
Blefaritis ; oedeem van, of bloeding in de oogleden, vooral wanneer van erysipelateus karakter en wanneer optredend in het verloop van septische of zymotische ziekten.
Ptosis.
Om het gezichtsvermogen op te helderen na een aanval van keratitis of kerato-iritis.
Gehoor en oren [6]
Gevoelig voor geluiden.
Gevoel van volheid in de oren.
Doofheid; gehoorsillusies; auditieve duizeligheid.
Otorrhoe ten gevolge van exanthemata, menstruele onregelmatigheden, alcoholisme, albuminurie, nasofaryngeale catarre, difterie, tyfus, syfilis, enz.
Erysipelas van het uitwendige oor, bij gedegenereerde of hemorragische constituties.
Abces en furunkel in de gehoorgang of het uitwendige oor; bevriezing.
Ernstige otorrhoe na scarlatina, stinkend en bloederig, met aanmerkelijke doofheid.
Bloed sijpelt uit de oren.
Reuk en neus [7]
Neusbloeding ; bij het begin of tijdens het verloop van zymotische en septische ziekten ; of bij vervallen constituties, of bij een bedorven toestand van het bloed, waarbij het bloed dun, ontaard, onstolbaar, donker schijnt ; ook met opwellingen van het gezicht, duizeligheid of flauwte.
Catarre ; met bloederig- sereuze afscheiding.
Ozæna ; vooral na exanthemata of syfilis, de afscheiding eerder bloederig dan offensief.
Roodheid en blauwheid van de neuspunt ; met zwelling en koudheid. θ Oude dronkaards. θ Zymose.
Bloeding uit de neus en uit alle lichaamsopeningen.
Bovenste gelaatshelft [8]
Gelaatsuitdrukking: versuft; angstig, bleek; opgewonden, blozend; onverschillig.
Bleekheid van het gezicht, als bij flauwte.
Gele kleur van het gezicht.
Opwellingen van het gezicht.
Kleur: livide, opgeblazen; purper, gezicht gezwollen; blauw rondom ingevallen ogen; kalkachtig; doodsbleek; loodkleurig.
Rood, gezwollen gezicht.
Opgezet rood gezicht met delirium tremens en koorts.
Wordt 's nachts wakker, knarst met de tanden en het gezicht is sterk vertrokken, mond en neus naar de linkerzijde getrokken.
Vaak terugkerende erysipelas van het gezicht.
Koud zweet, ingevallen gelaatstrekken, formicatie, beven en trillen van lippen en oogleden.
Gezicht gezwollen, opgezetheid bij de hoeken van de onderkaak; zwelling van de parotis- en submaxillaire klieren.
Acne: alle vormen; bij masturbatoren; bij dronkaards.
Verkleuring, blauwheid, varicosis van neus en lippen. θ Hartziekte. θ Astma.
Neuralgie van een dof karakter, chronisch of periodiek.
Parotitis.
ONDERGEZICHT [9]
Lippen gezwollen; stijf en gevoelloos.
Kaakklem. θ Apoplexie.
Overvloedige, rode, jeukende papuleuze uitslag in het gezicht, vooral aan de kin, die sedert de vertraging van de menstruatie reeds enige maanden bestaat.
TANDEN EN TANDVLEES [10]
Jarenlang geneigd tot tandknarsen tijdens de slaap, de meeste kiezen afgebroken ; mond en neus naar de linkerzijde getrokken. θ Vertrekking.
Tandvlees : wit ; gezwollen ; pijnlijk ; randen rood aangelopen.
SMAAK, SPRAAK, TONG [11]
Volledig verlies van smaak. θ Leveraandoening.
Tong en alles rondom de keel voelen als samengebonden, hij kan geen woord spreken.
Tong zeer rood, glad en glanzend, voelt gezwollen aan. θ Atonische dyspepsie.
Tong : rood en pijnlijk ; geel ; stijf en gevoelloos.
Tong gelig-bruin, in het midden droog. θ Remitterende koorts.
Beslagen tong met rode punt. θ Perityflitis.
Zwelling van de tong totdat er geen ruimte meer is in de mond, met ontsteking.
Tong gezwollen tot bijna tweemaal de normale grootte.
Tong uitgestoken.
Oedeem van de tong ; na steken van insecten.
Glossitis ; erysipelateuze of gangreneuze symptomen.
Syfilis van de tong.
Kanker van de tong, met sterke neiging tot bloeding.
MONDHOLTE [12]
Foetide adem; eigenaardige schimmelachtige geur uit de mond. θ Gallige remitterende koorts. θ Kwaadaardige intermitterende koorts. θ Gele koorts.
Bij het ontwaken voelt de mond vuil en kleverig aan. θ Dyspepsie.
Stomacace of verrotte mondontsteking; cancrum oris.
Speekselvloed; afscheiding bloederig of schuimig.
GEHEMELTE EN KEEL [13]
Gevoel van nauwe samensnoering van de keel.
Keel droog en gezwollen, met dorst; bindweefsel sterk geïnfiltreerd; klieren vergroot.
Schrapend, ranzig gevoel langs de slokdarm tot in de maag.
Gevoel van een prop in de keel die moet worden doorgeslikt, of gevoel van samentrekking of verstikking, of alsof de huig of het zachte gehemelte verlengd of stijf was, of van een droge plek of een kieteling in de keel, vooral links, < bij het ontwaken uit de slaap.
Pijnlijke, rauwe of stekende pijn, vooral aan de linkerzijde, nabij de wortel van de tong, of uitstralend naar het oor, of alsof zij uit het oor voortkomt; < door leeg slikken en door het doorslikken van vloeistoffen meer dan van vast voedsel.
Neuralgisch trekken in de fauces, < links, nabij de wortel van de tong, bijna verstikking veroorzakend.
Het doorslikken van elke vaste stof geheel onmogelijk; soep moet gezeefd worden om alle vleesvezels en vaste deeltjes te verwijderen. θ Spasme van de slokdarm.
Fauces sterk gezwollen en donkerrood; pols 120, zeer klein en zwak; huid heet maar transpirerend; vreselijke hoofdpijn; grote prostratie, kan zich in bed nauwelijks oprichten; grote dorst. θ Difterie.
Nerveuze keelpijn; pijn geheel buiten verhouding tot de zichtbare aandoening; fauces droog, grote prikkelbaarheid en gevoeligheid voor droge of koude lucht.
Plotselinge keelpijn alsof huig en zacht gehemelte gingen zwellen, met droge mond; voorafgegaan door hartkloppingen en beven van het hart.
Peritonsillair abces; met veel veneuze congestie, donkere, blauwachtige kleur van de omliggende delen, veel oedeem, de tonsillen puilen uit en zijn drukgevoelig ter hoogte van de hoeken van de onderkaak; pijn < door leeg slikken; vooral bij scarlatina of difterie.
Angina tonsillaris; samensnoering van de keel; tong geel.
Difterie, zwelling van de keel neemt snel toe; slikken moeilijk.
Kwaadaardige difterie, leven bedreigd door bloedvergiftiging, veel oedeem of gangreen van de fauces of tonsillen, of veel zwelling ter hoogte van de hoeken van de onderkaak, hoofd omhoog en achterover geworpen, ademhaling moeilijk, donker, gezwollen, opgezet gelaat; grote prostratie, veel beverigheid, zeer zachte, nauwelijks waarneembare pols; of wanneer braken of diarree aanwezig is.
APPETIJT, DORST. VERLANGEN EN AFKEER [14]
Honger met beven, zwakte en hoofdpijn in het achterhoofd.
Geen eetlust, extreme dorst. θ Perityflitis.
Onlesbare, brandende dorst. θ Difterie.
HIK, OPRISPINGEN, MISSELIJKHEID EN BRAKEN [16]
Brandend maagzuur; slokdarm alsof gevuld met een ranzige vloeistof.
Oprispingen scherp, zuur; bijtend of ranzig.
Maagmisselijkheid in de ochtend.
Misselijkheid en malaise, angst; doods misselijk.
Vergeefs kokhalzen, met zwakte.
Misselijkheid en braken. θ Hoofdpijn.
Braken: en duizeligheid; onophoudelijk met dorst; voorafgegaan door flauwte; hevig, van voedsel; groen; van gal; van bloed; bij de geringste inspanning.
Misselijkheid bij beweging; gallig braken elke maand na de menstruatie. θ Leveraandoening.
Gallig braken, met hevige koorts en delier; dofheid van het hoofd, met grote apathie en vergeetachtigheid; alles smaakt bitter, en soms zuur; zeer foetide diarree; tong donkerbruin; voortdurende slaperigheid; droogheid van de huid; donkergekleurde urine.
Gallig braken, met angst, hartkloppingen, zwakke pols.
Kan niet op de rechterzijde of op de rug liggen zonder onmiddellijk donkergroen te braken; gevoeligheid in het achterhoofd bij druk, < bij beweging of bij rechtop zitten in bed; trekkend gevoel in de rechterzijde van het hoofd, < na het eten en grote duizeligheid in het achterhoofd teweegbrengend; slaapt alleen midden in de nacht, waarna zij zich beter voelt; voelt zich misselijk als zij overdag slaapt; licht doet de ogen pijn en alles ziet geel (aanvankelijk zag alles er blauw uit).
Zwart braaksel. θ Gele koorts.
MAAGKUIL EN MAAG [17]
Vaak een flauw, zinkend, hongerig gevoel ter hoogte van het epigastrium, met een bevend en fladderend gevoel iets lager, gevolgd door hitteopwellingen over het hele lichaam ; extreme zwakte ; tong zeer rood, glad en gepolijst, en voelt gezwollen aan ; mond bij het ontwaken vies en kleverig.
Zwaarte op de maag, trillende zwakte, alsof een naderend onheil dreigt ; gevoeligheid, drukpijnlijkheid.
Hevige kramp in de maag na het eten.
Smartelijke pijn, onrust, koude, zwakke pols.
Pylorus vernauwd ; bekleding van de maag gezwollen en sterk doorbloed.
Verdraagt geen kleding rond de maag en hypochondriën.
Pijnlijkheid in de maagkuil.
Maag prikkelbaar, niet in staat iets binnen te houden.
Hematemesis door ulceratie.
Kwelling gevend zinkend gevoel, verlangen naar stimulerende middelen.
Maagstoornissen van nerveuze oorsprong, cerebraal, sensorieel of reflexmatig, en zoals die optreden bij het begin van zymotische of septische ziekten, of in samenhang met menstruele of uteriene klachten, geelzucht, nefritis, albuminurie, enz.
Hematemesis ; het bloed heeft weinig of geen neiging om te stollen, of is donker, alsof het voortkomt uit passieve congestie of kwaadaardige ziekte, of uit een atonisch ulcus, of wanneer de ziekte sympathisch is, zoals bij plaatsvervangende menstruatie.
Kanker : veel bloeding of veel braken van slijm, slijmerig of bloederig.
ONDERRIBSSTREKEN [18]
Verdraagt geen kleding rond de epigastrische streek en de onderribsstreken.
Schietende pijn in de leverstreek.
Steken in de leverstreek bij diep inademen, < door druk ; volledig smaakverlies ; constipatie ; urine geleiachtig en rood als bloed.
Pijn in de leverstreek, ook boven op de schouder ; pulseren in de opstijgende aorta, misselijkheid bij beweging, witte ontlasting ; gallig braken elke maand na de menstruatie.
Zeurende pijn in de lever ; grote zwaarte in de maag, met braken van alles wat zij 's morgens eet, kan 's middags beter eten, heeft soms het gevoel alsof zij vet varkensvlees zou kunnen eten ; voortdurend zure smaak op de tong ; constipatie ; menstruatie te vroeg en te schaars, aanvankelijk donker ; geruis in de oren ; grote gevoelloosheid van armen en benen, met soms koude van die ledematen ; huid zeer donkerbruin. θ Gallig braken.
Passieve levercongestie ; vooral wanneer deze voortkomt uit een hartaandoening, uit gebrekkig functioneren van de baarmoeder, of als gevolg van malariakoorts.
Acute atrofie van de lever.
Hevige pijn in de linkerzijde nabij de laatste ribben, alsof zij in het middenrif zat.
Geelzucht ; kwaadaardige geelzucht ; donkere bloedingen uit neus, mond enz. ; donkere, schaarse urine.
ABDOMEN EN LENDEN [19]
Hitte en drukgevoeligheid van de buik, zij kan nauwelijks verdragen dat haar kleren die aanraken. θ Peritoneale ontsteking.
Zwelling van de gehele buik.
Hevige pijn in het verloop van het colon.
Pols 140, huid heet en droog, zeer hevige pijn in de streek van de appendix, met frequente paroxysmale verergeringen, grote drukpijn op een plek ter grootte van een kleine sinaasappel, met enig gevoel van hardheid ; zij verdraagt het niet dat het rechterbeen gestrekt wordt, maar ligt met het gebogen en door een kussen ondersteund. θ Perityphlitis.
Typhlitis en perityphlitis ; van laag, adynamisch type, tong met rode punt, prostratie ; geen ontlasting, of de lozingen zijn zeer stinkend.
Peritonitis ; in het verloop van een septische of zymotische ziekte ; temperatuur beneden normaal ; toestand van lage vitaliteit, verzwakt of hemorragisch ; uitzweeting van bloederig serum.
Vergrote liesklieren ; weefselafstoting, ongezonde etter.
Zwelling van de liesklieren, bubo ; door septische resorptie, zoals bij afstervende zweren op de genitaliën, of gangreneuze aandoening van de tenen, enz.
ONTLASTING EN RECTUM [20]
Hevige purgering, met een onaangename gewaarwording door het gehele lichaam en een misselijke smaak.
Ontlasting : zwart, dun, als koffiedik ; stinkend.
Vloeibare, donkergroene ontlasting, gevolgd door zwakte ; gele, waterachtige ontlasting, met steken in het abdomen ; meerdere vloeibare ontlastingen, met koliek, of met misselijkheid en koliek, of met een schrapend gevoel in de achterwand van het rectum ; neerslachtigheid en onverschilligheid voor alles.
Misselijkheid en diarree ; huivering bij diarree ; pols zwak en snel, daarna langzaam ; afonie.
Diarree : door schadelijke uitwasemingen ; door inname van septische stoffen met voedsel of drank ; door bedorven wildbraad ; zomerdiarree ; cholera, enz.
Dysenterie : van septische oorsprong ; door verontreinigd water, voedsel, enz. ; overmatige uitstroom van donker, vloeibaar bloed, of onwillekeurige ontlastingen ; grote zwakte en flauwte.
Darmen onregelmatig, nu eens diarree dan weer constipatie. θ Vertrekking van het gelaat.
Constipatie, met congestie naar het hoofd en hoofdpijn.
Gelijktijdig braken, purgering en mictie, veroorzaakt door krampachtige samentrekking, met tenesmus en strangurie.
Ontlasting wit. θ Leveraandoening.
Bloeding uit anus en andere lichaamsopeningen.
Bloederige afgangen uit de darmen, soms onwillekeurig.
Darmbloeding ; wanneer optredend in het verloop van een septische of zymotische ziekte ; wanneer van oorsprong in lever, milt of hart ; of door kanker, atonische zweer, menstruele onregelmatigheden, of wanneer het bloed donker, vloeibaar en onstolbaar is.
Donkere, vloeibare bloeding bij de ontlasting, met sijpelen van bloed bij staan of lopen ; zwakte, flauwte en zeurende pijn in de linker iliacale streek ; met terneergeslagenheid, angst en neerslachtigheid ; stoelgang los.
Cholera ; plotselinge en extreme koudheid en blauwheid ; collaps, krampen, diarree, braken ; bemoeilijkte ademhaling, nauwelijks waarneembare pols, onderdrukking van de urineafscheiding.
Spataderige uitzetting van anus en onderste darmen ; idiopathische aambeien, met grote neiging tot bloeden bij afvegen met papier, of bij een weinig persen bij de stoelgang, of bij staan.
Aambeien ; bloedende aambeien ; bloed donker, dun en weinig geneigd te stollen ; ook bij zwangere vrouwen, en bij menstruele onregelmatigheden, en samenhangend met hartaandoening, leveraandoening of de hemorragische diathese, bij sterk verzwakte constituties, bij chronische alcoholisten.
URINEWEGEN [21]
Passieve nierstuwing; wanneer deze voortkomt uit een belemmerde circulatie, zoals bij obstructieve hartaandoening, astma, chronische bronchitis enz., vooral tijdens het verloop van, of als sequela van, zymotische ziekte.
Albumineuze nefritis; optredend in het verloop van een van de toxemieën, of tijdens de zwangerschap; urine donker, rokerig door bijmenging van vloeibaar bloed.
Bloeding uit de urethra.
Uitblijven van urine, of pijnlijke urineretentie.
Urine: uiterst schaars, donkerrood door bloed; geleiachtig; groengeel door veel gal; overvloedig en licht van kleur.
Hematurie; bij kanker van blaas of prostaat.
Mannelijke geslachtsorganen [22]
Seksuele drift vermeerderd met volledige verslapping van de penis.
VROUWELIJKE GESLACHTSORGANEN [23]
Ovariitis; bij hemorragische constituties, of samenhangend met menorragie of puerperale septicemie; ovarieel abces.
Ovariële neuralgie; in de vorm van een zuivere neurose, en in het climacterium, met opvliegingen, of drukkende pijn op de schedelkruin.
Menorragie; tijdens het verloop van septische of zymotische ziekte, of andere toxemische toestanden, zoals de ziekte van Bright; of bij hemorragische diathese; bloed donker, vloeibaar, onaangenaam riekend.
Scherpe neuralgische pijnen, intermitterend, van de linkerzijde van de baarmoeder naar het colon transversum, vandaar snijdend dwars over alsof van beide zijden naar het midden toe; vandaar omhoog naar gezicht en slaap; doffe hoofdpijn in het voorhoofd.
Menstruatie vertraagd, donker en schaars. θ Papuleuze uitslag in het gezicht.
Menstruatie laat, met een interval van zes tot acht weken, schaars en donker, in het begin zeer pijnlijk. θ Gelaatsvertrekking.
Menstruatie een week te vroeg; zeer overvloedig met hevige hoofdpijn in het voorhoofd, zwaarte in hoofd en oren, met pijn in abdomen en rug, koude extremiteiten; geelheid van de huid.
Vijf dagen vóór de menstruatie veel pijn in de onderbuik en langs de dijen omlaag, aanhoudend gedurende de eerste twee dagen van de vloed; de vloed zeer overvloedig gedurende de eerste drie dagen en houdt daarna nog vier dagen met tussenpozen aan; veel doffe, continue, zeurende pijn in de hartstreek, langs de linkerarm en tot in het linker schouderblad, < bij diep inademen en bij het opgaan van een trap of heuvel; voeten koud. θ Dysmenorroe.
Vicariërende menstruatie; bij verzwakte, gedepraveerde toestanden.
Leukorroe, onaangenaam riekend, bloederig.
Menopauze; opvliegingen, transpiratie; hoofdbeschwerden (bonzen, geluiden, duizeligheid); hartklachten, zoals plotselinge hartkloppingen; "zinkend gevoel in de maag;"; gevoel van flauwte in het epigastrium; zwakke, verzwakte constituties; of wanneer er metrorragie of andere hemorragische verschijnselen zijn, waarbij het bloed donker, vloeibaar en onaangenaam riekend is.
Uteruskanker, fungoïd, kwaadaardig sarcoom, bloemkoolachtige woekering, met sterke neiging tot bloeding; bij zeer gedepraveerde toestanden van het organisme.
ZWANGERSCHAP. BEVALLING. LACTATIE [24]
Miskraam tijdens het verloop van een septische of zymotische ziekte ; en bij verpleegsters die uitgeput zijn door langdurige verpleging van zymotische of septische patiënten ; en door andere oorzaken van bloedvergiftiging.
Kraamvrouwenkoorts of convulsies ; in samenhang met albuminurie ; stupor, coma ; blauw, opgeblazen gelaat ; septische of zymotische invloed, of bij hemorragische of ingezonken constituties.
Lochiën zeer onwelriekend, door achtergebleven en ontbindend materiaal ; ook naweeën met dergelijke lochiën.
Na de bevalling, linkerborst ontstoken en hard, met koorts en prostratie, gele vlekken in het gezicht ; bevende tong ; de borst scheidt dunne, melkachtige etter en massa's uiteengevallen weefsel af uit een opening onder de tepel ; pols klein en snel ; stekende pijn in een harde zwelling die zich in het onderste buitenste deel van de borst gevormd had.
Phlegmasia alba dolens ; linkerbeen gezwollen tot tweemaal zijn omvang, knagende pijn in het been, < bij de geringste aanraking.
STEM EN STROTTEHOOFD. LUCHTPIJP EN BRONCHIËN [25]
Verlies van spraak. θ Apoplexie.
Laryngismus stridulus, spasmus glottidis: door lokale nerveuze prikkelbaarheid, of door centrale irritatie, als onderdeel van een algemene krampige toestand; in het verloop van zymotische ziekte; hysterie.
Heesheid, met zwakke, ruwe stem.
Verlamming van de glottis (paralytische afonie) door musculaire of nerveuze prikkelbaarheid, zoals bij hysterie.
Acute laryngitis; oedeem van de glottis; acute catarreuze afonie, vooral erysipelateuze en scarlatineuze; door verbranding met hete vloeistof, insectensteken; irriterende dampen, met grote gevoeligheid en prikkelbaarheid bij spreken, of door contact met droge, koude lucht, of door druk (die ook hoest opwekt); pijnlijke, rauwe, stekende pijn, < aan de linkerzijde; of alsof op een klein droog plekje; veel kriebelende prikkelbaarheid en schrapen van de keel, alsof door aanwezigheid van een weinig kleverig slijm, dat moest worden opgegeven; ook in het verloop van scarlatina, morbilli, variola, enz.
Ulceratie door necrose van de kraakbeenderen van het strottenhoofd.
Bronchiëctasie, verrotte bronchitis, chronische bronchorrhoea, vooral bij gedegenereerde of hemorragische constituties, met neiging tot gangreen.
ADEMHALING [26]
Dyspneu, angst, dorst, misselijkheid, diarree.
Ademhaling: angstig; belemmerd, met beklemming van de keel; schokkend; snel, moeizaam, met zwakke pols en nerveuze onrust; traag, moeizaam, met nauwelijks waarneembare pols; moeilijk, alsof de longen zich niet zouden ontplooien.
Astma; vooral bij hartziekte; grote zwakte en prostratie, blauw, opgezet gelaat, koud zweet.
HOEST [27]
Nerveuze hoest, vooral laryngeaal; droog, kriebelend, aanhoudend, verstikkend, alsof door droge, prikkelende damp, of zout of peper, of alsof door een droge plek in het strottenhoofd, < aan de l. zijde; of alsof opgewekt door droge of koude lucht, of door diep inademen, door spreken en vooral door uitwendige druk op het strottenhoofd, die niet verdragen kan worden; of treedt zeer gemakkelijk op bij het ontwaken uit de slaap.
Extreme gevoeligheid en prikkelbaarheid; droge hoest bij spreken, < in droge of koude lucht; veel schrapen van de keel; heesheid of stemverlies; plotseling kriebelen dat een verstikkende, krampachtige hoest veroorzaakt.
Kinkhoest: met grote zwakte, veel hartzwakte, blauwheid of bleekheid van het gelaat na een aanval en trage terugkeer van de natuurlijke kleur; aanvallen gevolgd door opgezetheid van het gezicht of hemorragische vlekken, paarse lippen, bloeddoorlopen ogen, neusbloeding, of veel schuimige, draderige, bloederige expectoratie; wanneer er enige dreiging bestaat van longoedeem of verlamming.
Hoest; bij longtering wanneer onophoudelijk en ogenschijnlijk uit nerveuze gevoeligheid en prikkelbaarheid voortkomend.
Hoest met een steek in de linkerzijde en bloederige expectoratie.
Bloedspuwen.
BORST, INWENDIG, EN LONGEN [28]
Overmatige beklemming van de borst ; bij oude mensen met hydrothorax ; bij koorts en wisselkoorts ; bij apoplexie.
Branden in de borst, met hitte in het voorhoofd.
Stekende pijnen in de borst ; pleuritis met remitterende koorts.
Hemoptoë.
Hydrothorax : bij uitgeputte gestellen ; hetzij secundaire waterzucht of achtergebleven na pleuritis ; met zwak hart, albuminurie, menstruele onregelmatigheden of leverziekte.
Longoedeem ; longgangreen ; bij alcoholisten en oude mensen ; in het verloop van septische of zymotische ziekten.
Longabces of longkanker ; neiging tot gangreen ; met tyfoïde symptomen ; met bloeding of foetor.
Pneumonie ; met neiging tot gangreen of bloeding.
HART, POLS EN CIRCULATIE [29]
Veel doffe, aanhoudende, zeurende pijn in de hartstreek, uitstralend langs de linkerarm en door naar het linker schouderblad, < bij diep inademen en bij het opgaan van trappen of een heuvel. θ Dysmenorroe.
Hart gevoelig bij het liggen op de linkerzijde.
Pijn in het hart; hartslag snel, soms onderbroken.
Hartkloppingen, met beurse pijn in en om het hart, gevoel alsof het hart omtuimelt, of beven van het hart.
Hartkloppingen door zwakte, obesitas of vervetting van het hart; nerveuze hartkloppingen, angina pectoris, en de nabootsing daarvan, optredend bij hysterische vrouwen.
Hartslag zwak of niet waarneembaar.
Pols: snel; langzamer dan normaal (zestig slagen), of intermitterend en nauwelijks waarneembaar; zwak en snel, daarna langzaam; zwak, fladderend, frequent, klein, snel, draadvormig, zwak, nauwelijks waarneembaar, bevend, golvend of langzaam; onregelmatig.
Pols 120, zeer klein en zwak. θ Difterie.
Passieve en veneuze congestie bij lage levensvitaliteit en bij ontredderde constituties, waarbij neiging bestaat tot algemene of plaatselijke veneuze verslapping of traagheid, zoals vatbaarheid voor wintertenen, bevriezing, enz.
Pernicieuze anemie, leucocythaemie; bij constituties ontredderd door gonorroe, syfilis, alcohol, enz., neiging tot bloedingen uit tandvlees, slijmvliezen en huid; bloed niet stolbaar.
Hemofilie, hemorragische diathese, verweking van de vaatwanden, of ontregeling van het bloed; bloed geneigd niet te stollen, ook al is het arterieel, of het is donker van kleur.
Passieve bloedingen, waarbij het bloed als het ware door de vaatwanden sijpelt en in de omliggende weefsels terechtkomt, of op of uit vrije oppervlakken, slijmvliezen, enz. ontsnapt, alsof het bloed opgelost was, of alsof de vaten geen vermogen hadden de circulerende vloeistof binnen zich te houden, alsof het hele systeem in een toestand van ontbinding verkeerde.
Flebitis; bij een laag, verzwakt, erysipelateus gestel.
Varicosis, spataderen, varicokèle, veneuze traagheid, vooral voortkomend uit alcohol.
Lymfangitis, angioleucitis; door septische resorptie, pyemie, enz.
NEK EN RUG [31]
Trekkende, spannende pijn van de rechter schouder langs de nek, alsof door een gespannen pees veroorzaakt, < door druk en bij het bewegen van de arm.
Karbunkels, furunkels, pustels, puistjes of doorligwonden door een ontaarde toestand van het bloed.
Pijn boven op de schouder; ook in de opstijgende aorta. θ Leveraandoening.
Zeurende pijn in de rechter nier en in de maag. θ Hoofdpijn.
Verweking van het ruggenmerg, doorligwonden, spinale congestie of irritatie, spinale meningitis, myelitis of spinale verlamming.
BOVENSTE LEDEMATEN [32]
Linker okselklieren gezwollen en gevoelig.
Aanvalsgewijs optredende beurse pijnen in de schouderbeenderen.
Bonzende pijnen in de vingertoppen, enz.
Verlamd gevoel, beven, rukken, krampen en neuralgie in de armen.
Grote ontstoken furunkel op de rechter bovenarm nabij de elleboog.
Strak, koordachtig gevoel dat zich uitstrekt van de voorkant van de linker elleboog langs de voorkant van de onderarm naar beneden, met hier en daar "ronde plekken" van pijn langs de voorkant van de onderarm; de "pijnplekken" blijven slechts enkele minuten en verdwijnen dan weer, maar keren vaak terug, zowel overdag als 's nachts; kan niet grijpen met linker wijsvinger en duim, kan de linker arm niet uitstrekken zonder pijn. θ Pyæmie ten gevolge van letsel aan de r. middelvinger.
Rechter middelvinger gezwollen, hard, gespannen en glanzend blauwgrijs van kleur, geheel stijf en tot geen enkele beweging in staat; ook de andere vingers in meerdere of mindere mate aangedaan; blos van roodheid op de rug van de hand, met uitstralende pijn tot aan de elleboog; verlies van eetlust; zij voelt zich neerslachtig, ellendig, zwak; ten slotte angioleucitis van de handpalm, daarna drie rode strepen en een abces in de rechter axilla met afscheiding. θ Pyæmie.
Tuberkel op de pols, nabij het uiteinde van het spaakbeen, zo groot als een grote gehalveerde erwt en nogal blauw, ontstaan na een insectensteek verscheidene jaren geleden; was sindsdien steeds aanwezig, en in de zomermaanden duidelijker uitgesproken.
Blaasjes- en pustuleuze eruptie rond de polsen.
Beven van de handen.
Tinteling en prikkeling, "slapen gaan" van de handen, vooral van de linker, bij de minste inspanning, "ze worden geheel dood" wanneer zij naait; linker been op gelijke wijze aangedaan.
Koude en blauwheid van handen en vingers, samenhangend met een zwak zenuwstelsel en een zwak hart.
Hevige, krampachtige pijn in de linker handpalm als van een bijensteek.
Jeuk en warmte van de handpalmen.
Perkamentachtige toestand van de huid van de handen.
Brandende jeukende rode plek op de rug van de linker derde vinger, oorspronkelijk ontstaan door een insectenbeet twintig jaar geleden; was sindsdien ieder jaar regelmatig op dezelfde tijd teruggekeerd, telkens ongeveer een week aanhoudend.
Uitzijgen van bloed vanonder de nagels.
Winterhanden, vooral wanneer gangreen dreigt, en wanneer zij chronisch zijn of optreden bij niet erg koud weer, wat wijst op een lage nerveuze en vasculaire vitaliteit.
Psoriasis palmaris, puistjes, pustels, steenpuisten, etterende okselklieren, tuberkels, petechiën en gevoelloosheid.
Onderste ledematen [33]
Plotselinge schokken ; rukken ; beven en krampen van de onderste ledematen.
De benen "slapen" en tintelen tijdens het zitten, of wanneer men ze over elkaar slaat.
Plotseling trekkende pijn van de linkerheup tot aan de voet.
Tijdens en na het lopen een gevoel alsof een pees trok van de zool van de rechtervoet door het bot van het been heen.
Krampachtige pijnen in kuit, hielen en tenen.
Beurse pijn in de kuit ; in de voetzool.
Zwelling van de voeten elke avond.
Verlamming van de strekspieren van de linkervoet na tyfus ; sleept met de tenen.
Jeuk van de huid van de onderste ledematen.
Puistjes ; pustels ; steenpuisten ; knobbels ; petechiën ; hemorragische vlekken ; spataderen ; zweren, vooral varikeuze, hemorragische, gangreneuze ; wintertenen.
Kleine paarse vlekjes verschenen op de benen en zeer spoedig werden beide benen, van de knieën tot de enkels, met ecchymosen bedekt ; enige bloeding bij de ontlasting en de algemene circulatie zeer traag.
LEDEMATEN IN HET ALGEMEEN [34]
Pijnlijk paralytisch gevoel.
Plotselinge schokken, rukken, beven en onvastheid van de ledematen.
Rheumatische en neuralgische pijnen.
Beurse pijn in gewrichten en beenderen.
Zwaar gevoel, alsof de beenderen van zwaar hout waren gemaakt.
Doof aanvoelende pijn, als na kramp, aan de voorzijde van de vingers en in de tenen.
Trekkende pijnen in de knie, het scheenbeen, de rug enz.
Samentrekking van de buigspieren.
Gonorroïsch rheumatisme; bij chronische syfilitici en drankzuchtigen.
RUST. HOUDING. BEWEGING [35]
Het hoofd laten rusten : > duizeligheid.
Liggen : hoofdpijn dwingt ertoe.
Kan niet op de linkerzijde liggen.
Bij liggen op de rechterzijde of op de rug : braken van donkergroene massa.
Bij liggen op de linkerzijde : gevoeligheid van het hart.
Kan het rechterbeen niet verdragen gestrekt te hebben, ligt ermee gebogen en door een kussen ondersteund.
Hoofd omhoog en achterover geworpen, bij difterie.
Zakt weg naar het voeteneinde van het bed.
Zitten : benen slapen.
Staan : sijpelen van bloed uit de anus ; sterke neiging van aambeien om te bloeden.
Beweging : braken ; gevoeligheid in het achterhoofd < ; misselijkheid ; warmte in het voorhoofd en branden in de borst <.
Kan zich in bed nauwelijks oprichten.
Rechtop zitten in bed : gevoeligheid in het achterhoofd <.
Bij het aannemen van een rechtopstaande houding : flauwvallen.
De benen slapen bij het over elkaar slaan ervan.
Bij bewegen van de arm : pijn van de rechterschouder langs de nek <.
Bij naaien : slapen van de handen.
Lopen : hoofdpijn, met duizeligheid, misselijkheid en braken > ; sijpelen van bloed uit de anus ; alsof een pees trok van de zool van de rechtervoet door het been heen, tijdens en erna.
Traplopen : zeurende pijn in de hartstreek, langs de linkerarm omlaag en door naar het linker schouderblad, ook bij het bestijgen van een heuvel.
Inspanning : braken bij de geringste ; slapen van de handen bij de geringste ; raakt gemakkelijk vermoeid door de minste inspanning.
ZENUWEN [36]
Bevende zwakte overal, alsof men onheil vreesde.
Algemeen verlies van kracht; de spieren weigeren dienst.
Gemakkelijk vermoeid door de geringste inspanning. θ Dysmenorroe.
Plotselinge en grote uitputting van de levenskracht.
Grote uitputting, kan zich in bed nauwelijks oprichten. θ Difterie.
Frequente flauwtes, met onmerkbare pols en neiging tot braken.
Verlamming, oude reumatische klachten.
Verlamming: na apoplexie, vooral van de rechter glossofaryngeale zijde; postdifterisch; bij krankzinnigen; algemeen.
Myelomalacie, met gehele afwezigheid van, of zeer weinig lokale pijn; pijn alleen < door druk, zwakte van de rug, aangetaste mentale activiteit, moeilijke spraak, beklemming op de borst, convulsies, pijnloze verlamming van de extremiteiten, met gevoelloosheid en grote koudheid van het aangedane lidmaat.
Multipele sclerose, laterale sclerose, locomotorische ataxie, progressieve musculaire atrofie, tetanus, enz.
Hysterie: vooral wanneer krampig of apoplectiform.
Neuralgie: wanneer optredend als sequel van septische, toxemische of zelfs miasmatische ziekte, of van chronische gallige, climacterische of albuminurische toestanden.
Lokale spasmen, krampen, trismus, enz.; wanneer optredend als sequel van toxemie, of bij ingestorte constituties.
Convulsies, met beven van de ledematen, zonder schuim op de mond; verlies van zintuigen; onverschilligheid, lijkt slechts half levend; bleekheid van het gezicht als bij flauwte; gevoel van nauwe samensnoering van de keel. θ Epilepsie.
Convulsies: optredend bij het begin van exanthemata; ook puerperale, en vooral als er albuminurie, coma, blauw opgeblazen gelaat, met schuimig, bloederig speeksel, of neiging tot bloeding bestaat.
Convulsies en verlamming. θ Cerebrospinale meningitis.
Krampen en convulsies, met gillen of delirium.
Convulsies resulterend uit uitbreiding van ziekte van het oor, na de exanthemata en bij kinkhoest.
Epileptische convulsies, optredend bij het begin van septische of zymotische ziekte.
Chorea: vooral wanneer zij tot iets septisch of toxemisch kan worden teruggevoerd, en zelfs indien autogenetisch, zoals bij reumatische, jichtige, albuminurische of amenorroïsche personen.
Bevingen en spiertrekkingen, vooral indien voortvloeiend uit alcoholisme, of uit septische of zymotische ziekte.
Hydrofobie.
SLAAP [37]
Geeuwen, bij een gedeprimeerd zenuwstelsel of een gebrekkige bloedvoorziening.
Sufheid en slaperigheid bij het begin of tegen het einde van zymotische of septische ziekte of andere toxemie, zoals albuminurie, menstruele onregelmatigheden, lever- of hartziekte, enz.
Sopor, waaruit hij niet kan worden gewekt. θ Apoplexie.
Aanhoudende slaperigheid, met onvermogen om te slapen. θ Delirium tremens.
Slapeloosheid door nerveuze en mentale spanning, samenhangend met lichamelijk lijden, maar geheel buiten verhouding tot dat lijden.
Chronische slapeloosheid.
Schrikt op in de slaap.
Symptomen < na de slaap.
Dromen : over reizen ; over ruzies ; over de doden.
TIJD [38]
Tijd
's Morgens : bij het ontwaken, hoofdpijn boven de ogen ; misselijkheid van de maag ; hoofdpijn, verdwijnend tijdens het aankleden ; pijn rondom de ogen < ; oogleden gezwollen, met pijnen in voorhoofd en achterhoofd ; misselijkheid van de maag ; braakt alles wat zij eet.
's Middags : kan beter eten.
Overdag : voelt zich misselijk als zij slaapt.
's Avonds : pijnen rondom de ogen < ; zwelling van de voeten.
's Nachts : wordt wakker terwijl zij strijdt met denkbeeldige vijanden ; delier ; hoofdpijn met koorts < ; wordt wakker tandenknarsend, gezicht sterk vertrokken ; slaapt alleen midden in de nacht.
TEMPERATUUR EN WEER [39]
Open lucht : licht gevoel in het hoofd ; hoofdpijn met duizeligheid, misselijkheid en braken beter.
Koude lucht : grote prikkelbaarheid en gevoeligheid van de keel voor droge lucht ; laryngitis acuta met grote gevoeligheid voor droge lucht ; droge hoest < in droge lucht.
Zomer : diarree ; tuberkel op de pols sterker uitgesproken.
KOORTS [40]
Lichaamsoppervlak koud, vooral de extremiteiten.
Rillerigheid iedere namiddag ; een soort kruipen op en neer langs de rug en daarna over het hele lichaam gedurende vijf of zes uur ; hevige druk boven op het hoofd, uitstralend naar de oren, met een licht gevoel in het hoofd en verwardheid en warmte van het hoofd tot de voeten ; schietende pijn van het achterhoofd langs de wervelkolom en in de armen ; foetide adem ; tong geel beslagen ; bittere smaak in de mond en misselijkheid ; gevoeligheid aan de rechterzijde van de maagkuil, uitstralend tot in de schouders ; zeurende pijn midden in de borst tot in de rug ; doffe pijn dwars over de heupen en ook in de rug en de linker schouder ; voortdurende aandrang tot stoelgang, met donkerbruine, zwartachtige ontlasting.
Rillerigheid afwisselend met hitte, af en toe plotseling koud zweet, pols vol, 100 ; ogen ingevallen, met donkerbruine kringen ; tong in het midden droog en geel, punt rood ; voortdurende vergeefse pogingen om de darmen te ontlasten, misselijkheid, ziek gevoel in de maag ; ontlasting zwart, weinig en brijig ; gevoeligheid in borst en maag, pijn bij aanraking ; kan niet op de linkerzijde liggen ; grote slaperigheid en overmatige zwakte. θ Gallige remitterende koorts.
Hitteopwellingen over het hele lichaam.
Tong droog en gebarsten, donkerbruine streep over het midden, randen diep rood van kleur ; af en toe gallige lozingen ; geen eetlust ; koud, klam zweet op voorhoofd en slapen ; huid geel ; sprak wanneer men hem door schudden wakker maakte, scheen zich van niets bewust ; urine donkerrood, met een donker, gelig-rood bezinksel ; pols 50 en zwak. θ Gallige koorts.
Hevige koorts, overvloedige, donkere, samenvloeiende eruptie, aanmerkelijk oedeem van het gezicht ; oog- en neusverschijnselen zeer ernstig, keel- en borstverschijnselen matig ernstig ; enig delirium. θ Mazelen.
Brandende koorts, versnelde pols. θ Apoplexie.
Huid heet en droog, pols 140. θ Perityflitis.
Geen zweet ; patient soms koud, maar het is een droge koude.
Zweet koud ; plotselinge aanvallen van koud zweet.
Gekleurd zweet, vooral in de oksels ; bloederig zweet.
Kwaadaardige roodvonk, met sterke infiltratie van het bindweefsel, vooral in de keel.
Gallige remitterende koortsen van het Zuiden ; adynamisch type, met neiging tot bloedingen.
Koortsen met hemorragische verschijnselen, of met neiging tot putrescentie.
Gele koorts ; hemorragische neiging, bloed sijpelt uit elke opening en zelfs uit de porien ; huid geel ; braken van gal of bloed ; foetide, gallige of bloederige ontlasting ; lever gevoelig ; hart zwak ; flauwvallen.
Koortsen ten gevolge van septische absorptie en bij purpurische gevallen van zymotische ziekten ; kraamvrouwenkoorts.
Pyemie ; hectische koorts ; bij suppuratie, ulceratie, brandwonden, verbrandingen door hete vloeistoffen, rijpingsstadium van variola, open fracturen, verscheurde wonden, dissectiewonden, cellulitis, erysipelas, maligne pustel, karbonkel, steken van insecten, phagedaena, enz. ; ook bij die welke gepaard gaat met difterische en scarlatineuze absorptie ; of die van secundaire of tertiaire syfilis ; cholera.
Tyfus ; depressie van de zenuwcentra ; ogen gestuwd, gelaat zwaar, dof, opgeblazen, suf ; eruptie donker, purper, overvloedig ; in de tweede week wordt het hart opvallend week, de systolische toon bijna onhoorbaar, de pols zacht, inzinkend, bevend ; grote en kwellende onrust, veel stupor, trekkingen, schokken, beverigheid, afzakken naar het voeteneinde van het bed, of doofheid ; pneumonie of glottisoedeem treedt op ; zwelling van de speekselklieren, diarree, albuminurie, of onderdrukking van de urineafscheiding.
Recidiverende koorts ; neiging tot syncope, bloeding, epistaxis, menorragie, petechiale eruptie of oedeem van longen of benen, effusie in de gewrichten, oftalmie, diarree, dysenterie ; bij oude of onmatige personen.
Cerebrospinale koorts ; kwade droes ; pest.
AANVALLEN, PERIODICITEIT [41]
Plotseling : keelpijn; extreme koude en blauwverkleuring; hartkloppingen; kieteling, verstikking veroorzakend; grote prostratie van de levenskracht; koud zweet.
Frequent : roos van het gezicht; flauw gevoel in de streek van het epigastrium, met trillen boven de navel, gevolgd door warmteopwellingen; paroxismale verergeringen van pijn in de streek van de appendix; flauwteaanvallen.
Constant : slaperigheid, met onvermogen om te slapen; braken; zure smaak op de tong; hoest; aandrang tot ontlasting; vergeefse pogingen om de darmen te ontlasten.
Verscheidene malen per dag : aanvallen van duizeligheid, flauwte en zwakte, met occipitale hoofdpijn.
Elke namiddag : rillerigheid en kruipend gevoel gedurende vijf of zes uur.
Van 6 uur 's morgens tot de avond : drukkend zwaar gevoel boven op het hoofd.
Om de paar dagen : gallige hoofdpijn.
Elke maand : braken na de menstruatie.
Gedurende enige maanden : uitslag in het gezicht.
Periodiek : neuralgie.
Duidelijke periodiciteit : pijnen komen en gaan plotseling of keren elke drie maanden, elk jaar, enz. terug.
Jarenlang : tandenknarsen tijdens de slaap, met vertrekking van het gezicht; tuberkel op de pols.
Chronisch : neuralgie; winterhanden en -voeten; slapeloosheid; bronchitis; bronchorroe.
Sedert twintig jaar : ernstige pijn in het rechteroog en boven op het hoofd, aan de rechterzijde tot langs de achterkant van de nek, met tussenpozen.
Brandende, jeukende rode plek op de vinger, resulterend uit een insectenbeet twintig jaar geleden, sindsdien telkens op dezelfde tijd van het jaar regelmatig terugkerend, telkens ongeveer een week aanhoudend.
LOKALISATIE EN RICHTING [42]
Werkt meer op de rechterzijde.
Rechts : hoofdpijn < in de slaap ; ernstige pijn in het oog en op de kruin, aan de zijkant omlaag naar de achterkant van de nek ; trekkende pijn in de zijkant van het hoofd ; kan niet verdragen dat het been gestrekt wordt, ligt ermee gebogen en ondersteund door een kussen ; trekkende, spannende pijn van de schouder langs de nek ; zeurende pijn in de nierstreek ; grote ontstoken furunkel op de bovenarm nabij de elleboog ; middelvinger gezwollen, onbeweeglijk, ook de andere vingers aangedaan, pijn strekt zich uit tot de elleboog, abces in de axilla ; alsof een pees trok van de voetzool door het beenbot heen ; verlamming van de zijde.
Links : gallige hoofdpijn beginnend achter het oor ; hoofdpijn in het voorhoofd in de anterieure kwab ; bonzen en warmte in de zijkant van het hoofd ; keel < aan de zijde ; neuralgisch trekken in de fauces < aan de zijde ; pijn in de zijde, nabij de laatste ribben alsof in het middenrif ; zeurende pijn in de regio iliaca ; zeurende pijn in de hartstreek, langs de arm en door tot in het schouderblad ; neuralgische pijnen van de zijkant van de baarmoeder naar het colon transversum ; borst ontstoken en hard ; been gezwollen tot tweemaal zijn natuurlijke grootte ; laryngitis acuta < aan de zijde ; steek in de zijde met hoest ; beklemmend, koordachtig gevoel van de elleboog langs de onderarm omlaag ; ronde plekken met pijn langs de voorzijde van de onderarm, kan niet grijpen met wijsvinger en duim, kan de arm niet uitstrekken zonder pijn ; slapend gevoel van hand en been ; hevige krampachtige pijn in de handpalm ; rode plek op de rug van de vinger ; trekken van de heup naar de voet ; verlamming van de extensoren van de voet ; doffe pijn in de schouder.
GEWAARWORDINGEN [43]
Alsof de hersenen door koolzuur, of door bedorven bloed, bedwelmd waren ; als na een slag op het achterhoofd ; alsof het hoofd ingesnoerd was ; alsof er rondom de ogen een snede was gemaakt ; alsof de tong en alles rondom de keel waren vastgebonden ; alsof de tong gezwollen was ; alsof er een prop in de keel zat die moest worden doorgeslikt, of van samentrekking of verstikking, of alsof de huig of het zachte gehemelte verlengd of stijf was, of alsof er een droge plek of kieteling in de keel was ; alsof huig en zacht gehemelte aan het zwellen waren ; alsof de slokdarm vol ranzige vloeistof was ; alsof de longen zich niet wilden ontplooien ; alsof er een droge plek in het strottenhoofd was ; alsof het hart omsloeg ; alsof er een gespannen pees van de rechter schouder langs de nek liep ; alsof de armen verlamd waren ; als van een bijensteek in de linker handpalm ; alsof een pees trok van de voetzool van de rechtervoet door het bot van het been heen ; alsof de botten van zwaar hout waren gemaakt.
Pijn : in het hoofd ; midden op het voorhoofd ; in het rechteroog en op de bovenkant van het hoofd, aan de rechterzijde tot langs de achterzijde van de nek omlaag ; in voorhoofd en achterhoofd ; in de maagkuil ; in de leverstreek ; boven op de schouder ; in de linkerzijde, nabij de laatste ribben, alsof in het middenrif ; in het verloop van het colon ; in de streek van de appendix ; in abdomen en rug ; in de onderbuik en langs de dijen omlaag ; in het hart ; boven op de schouder ; in de opstijgende aorta ; hevige, krampachtige pijn in de linker handpalm.
Bevende zwakte, als bij naderend onheil.
Kwellend gevoel van wegzinken.
Martelende pijn : in de maag.
Snijdend : rond de ogen.
Borend : rond de ogen.
Schurend : in het linkerbeen.
Steken : in de leverstreek ; in een harde knobbel in het onderste buitenste deel van de borstklier ; in de linkerzijde ; in de borst.
Priemend : hoofdpijn ; in het abdomen ; overal.
Prikkend : in de keel, vooral links, bij de tongwortel, of uitstralend naar het oor, of alsof het uit het oor voortkwam ; bij laryngitis acuta ; van de handen.
Schietend : hoofdpijn ; van het achterhoofd langs de wervelkolom en armen omlaag ; in de leverstreek.
Scheurend : rond de ogen.
Schokken : in de armen.
Trekkend : hoofdpijn ; neuralgisch, in de fauces ; in de rechterzijde van het hoofd ; van de rechter schouder langs de nek ; van de linkerheup tot de voet ; in knieën, scheenbeen, rug ; in de botten.
Schrapend : van de slokdarm omlaag tot in de maag ; in de achterwand van de anus.
Brandend : in de borst ; in de ogen ; in een plek op de rugzijde van de linker derde vinger.
Rauwe pijn : in de keel, vooral links, of uitstralend naar het oor, of alsof deze uit het oor voortkwam ; bij laryngitis acuta.
Beurse pijn : vooral aan de linkerzijde van de keel, bij de tongwortel, of uitstralend naar het oor, of alsof deze uit het oor voortkwam ; bij laryngitis acuta ; in en om het hart ; in de kuit ; in de voetzool.
Gevoeligheid : van de keel ; in het achterste deel van het hoofd ; van de rechterzijde van de maagkuil tot in de schouders ; in borst en maag.
Drukkend : dof, achter het oor ; neerdrukkend op de ogen ; hoofdpijn ; in de kruin.
Spannende pijn : van de rechter schouder langs de nek.
Strakke insnoering : van de keel.
Samentrekking : in de keel.
Samendrukkend : hoofdpijn.
Krampen : in de maag ; in de armen ; van de benen ; in de kuit, hielen en tenen.
Neuralgische pijnen : scherp, van de linkerzijde van de baarmoeder naar het colon transversum, vandaar snijdend dwars alsof van beide zijden naar het midden toe, vandaar omhoog naar gezicht en slapen ; in de armen ; in de ledematen.
Reumatische pijnen : in de ledematen.
Verlammende pijn : in de extremiteiten ; in de botten.
Gevoelloze pijn : als na kramp, aan de voorzijde van de vingers en in de tenen.
Beurse pijn : in de botten van de schouder ; in gewrichten en botten.
Doffe pijn : dwars over de heupen, in de rug, in de linkerschouder.
Drukkend zwaar gevoel : dof, boven de ogen en aan de zijkanten van de neus ; op de bovenkant van het hoofd.
Zeurend : in de botten ; dof, zwaar in het hoofd ; in de lever ; in de linker iliacale streek ; dof, continu, in de hartstreek, langs de l. arm omlaag en door naar het linker schouderblad ; in de rechter nier en in de maag ; in het midden van de borst tot in de rug.
Pulserend : hoofdpijn ; in de hersenen.
Kloppend : in de linkerzijde van het hoofd ; dof, zwaar, in het achterhoofd ; in de vingertoppen.
Gefladder : boven de navel.
Beklemming : van de borst ; boven de ogen.
Druk : boven de ogen ; op de bovenkant van het hoofd.
Gewichtgevoel : op de maag ; in het hoofd en de oren.
Zwaar gevoel : in de maag ; van de ledematen.
Stuwinggevoel ; dof, zwaar, vóór in de hersenen.
Volheid : in de oren.
Dofheid : van het hoofd.
Lichtheid : van het hoofd.
Duizeligheid : in het achterste deel van het hoofd.
Wegzinken : rond het epigastrium ; in de maag.
Flauwtegevoel : rond het epigastrium.
Zwakte : van de rug.
Gevoelloosheid : van armen en benen ; van het aangedane lidmaat.
Kruipend gevoel : op en neer langs de rug.
Tintelingen : van de handen ; in de benen.
Kieteling : in de keel ; bij laryngitis acuta ; met hoest.
Verstikkingsgevoel : in de keel.
Zuurbranden.
Hongergevoel : rond het epigastrium.
Warmte : boven de ogen en aan de zijkanten van de neus ; in het voorhoofd ; op de bovenkant van het hoofd ; in de linkerzijde van het hoofd.
Droogheid : in de ogen ; van de fauces ; van de mond ; van de huid.
Jeuk : van de hoofdhuid ; van uitslag in het gezicht ; van de handpalmen ; in een rode plek op de rugzijde van de linker derde vinger ; van de huid van de onderste extremiteiten ; overal.
WEEFSELS [44]
Zeer snelle en directe neerdrukkende invloed op het sensorium en het verlengde merg, waardoor zowel de circulatie als de voeding worden ontregeld; na de dood worden in subacute en chronische gevallen de grote hersenen, de kleine hersenen en het verlengde merg aangetroffen in een toestand van stuwing, met donker, vloeibaar, ontaard bloed, en ogenschijnlijk met verweking bedreigd.
De schorssubstantie van de hersenen en de hersenvliezen verkeren in een toestand van stuwing, met donker, vloeibaar, ontaard bloed; de cortex is zeer congestief en diep bruin verkleurd; het arachnoïd is verdikt, taai, ondoorschijnend en verkleefd met de pia mater, en de mazen van deze laatste zijn door serum uitgezet; extravasatie en ecchymosen.
Schijnt primair in te werken op de cerebrospinale zenuwcentra en secundair ontleding van het bloed en vernietiging van het bloedfibrine, bloedingen en ecchymosen teweeg te brengen.
Werkt voornamelijk op het bloed, de plexus solaris en de nervi pneumogastrici; ook op het cerebrospinale systeem.
De gezichtsorganen worden diepgaand aangedaan, zelfs tot het punt waarop hun functies geheel worden opgeheven.
Bloedingen uit alle lichaamsopeningen, ogen, oren, neus, mond en urinebuis, zelfs bloederig zweet; bloed stroomt plotseling uit ogen, oren, neus, tandvlees en van onder de nagels.
Oedemateuze zwelling van het gehele lichaam.
Geïndiceerd bij ziekten van adynamisch karakter, hetzij veroorzaakt door voorgaande lage toestanden van het organisme, hetzij door zymotische en septische vergiftiging, misbruik van alcohol, enz.; bijzonder kenmerkend zijn aanwijzingen van hartzwakte, zwakke pols, trage circulatie, blauwachtige huid, neiging tot flauwvallen, algemene zwakte.
Beurse, trekkende of paralytische pijn in de beenderen, < bij het ontwaken.
AANRAKING. PASSIEVE BEWEGING. VERWONDINGEN [45]
Aanraking : linkerbeen < bij de geringste ; laryngitis acuta, met grote gevoeligheid voor aanraking ; pijn in borst en maag.
Kan geen kleding verdragen rond de maag, hypochondrieën, epigastrische streek of buik.
Druk : ter hoogte van de hoeken van de onderkaak zijn de tonsillen gevoelig ; gevoeligheid in het achterste deel van het hoofd ; steken in de leverstreek < ; streek van de appendix zeer drukgevoelig ; laryngitis acuta met grote gevoeligheid ; laryngeale hoest ; pijn van de rechterschouder langs de nek ; < bij myelomalacie, pijn <.
Schudden : scheen volledig bewusteloos, sprak wanneer hij daardoor gewekt werd.
Grote neiging van aambeien om te bloeden bij gebruik van papier.
Door irriterende dampen : laryngitis acuta.
Na steek van insecten : oedeem van de tong ; laryngitis acuta ; tuberkel op de pols ; brandende, jeukende rode plek op de rugzijde van de l. derde vinger.
Door brandwonden door hete vloeistof : laryngitis acuta.
Brandwonden, verbrandingen door hete vloeistof, gecompliceerde fractuur, verscheurde wonden, sectiewonden.
Gecompliceerde fracturen ; in het verloop van septische of zymotische ziekte, bij uitgeputte constituties, oude drankzuchtigen of andere toestanden van lage vitaliteit of ontaard bloed ; neiging tot gangreen of ongezonde ettering, met dreigende septische resorptie.
HUID [46]
Jeuk, stekend gevoel, over het hele lichaam; urticaria.
Huid droog, stijf, als dun perkament; gewoonlijk koud.
Huid heet, transpirerend. θ Difterie.
Gele verkleuring van het gehele lichaam.
Acute geelzucht, eerder van hematische dan van hepatische oorsprong.
Petechiën, kleine vlekjes of ecchymotische purperen plekken.
Geelgroenachtige en blauwachtige plekken, met afnemende zwelling.
Overal gele en zwarte plekken.
Purpura hemorrhagica.
Scharlaken erytheem of scharlaken roodheid met uitslagachtige blaasjes.
Blaren en livide plekken op het lichaam.
Kleine blaasjes rond de ogen.
Vesiculaire eruptie op het neustussenschot.
Zwelling op de pols, gevuld met serum.
Puistjes in het gezicht.
Eruptie rond de mond.
Herpes op het scrotum.
Zwelling van het hele lichaam en vooral van de submandibulaire speekselklieren en amandelen.
Verettering van klieren; bij verzwakte constituties, met lage koorts, neiging tot afstoting van necrotisch weefsel, en afscheiding van vuil uitziend of bloederig materiaal.
Brandwonden en verbrandingen door hete vloeistoffen, met dreigend erysipelas of gangreen.
Ulceratie; vooral phagedenisch, met weefselverval, variceus, prikkelbaar, bubo, "weke sjanker", mercurio-syfilitisch, met stinkende afscheiding enz., bij constituties ondermijnd door voorgaande ziekte of slechte levenswijze; bij dronkaards.
Insectensteken, wanneer zij een erysipelateus of gangreneus karakter aannemen.
Op de achtste dag na vaccinatie zijn de insteekplaatsen zwartachtig en de kringen gevuld met donkere lymfe en omgeven door een ontstekingshaard; kleine, rode, verheven papels op arm en onderarm; op de negende dag is de huid van bijna de gehele bovenste extremiteit ontstoken, donkerrood en verdikt, de huid van schouder, nek, borst, abdomen en rug in soortgelijke toestand, en op de onderste extremiteiten uitslag in kleine plekken; rond de elleboog zwartachtig. θ Erysipelas.
Pustuleuze eruptie na vaccinatie.
Abcessen op de elleboog, met afscheiding van een roodbruine massa, met glanzende deeltjes.
Fijten, pemphigus, pustels, steenpuisten, karbonkel, furunkel, gangreneuze abcessen enz., wanneer de koorts laag is, de delen blauwachtig zijn en de afscheidingen schaars, traag of donker-vloeibaar en ongezond zijn; diarree bij gangreen.
Oude cicatrices springen weer open.
Hete zwellingen, met koude huid en ziekelijke aanblik.
Hardnekkige zweren, zelfs kwaadaardige, met gele gelaatskleur en grote onverschilligheid.
Anthrax, kwaadaardige pustel; vooral indien donker van kleur, met veel koorts of dreigend gangreen, of indien er verscheidene zijn, of indien optredend bij een constitutie die reeds door ziekte of slechte levenswijze is ondermijnd; weefselverval, bloeding, koorts van laag type.
Dissectiewonden; symptomen als van phlegmoneuze erysipelas; ophoping van vuile etter in verwijderde delen, met daarna optredende tyfeuze toestand.
Excoriaties, droog en ten slotte zwart.
Kwaadaardige zweer op de plaats waar de beet was toegebracht (veertien jaar tevoren), met zwelling van de delen.
Wintertenen, dreigend gangreen; circulatie traag.
Gangreen, huid van de spieren gescheiden door een foetide vloeistof; zwarte plekken met rode areola en donker zwartachtige roodheid van de aangrenzende weefsels.
Algemene of plaatselijke phlegmoneuze, flykteneuze of oedemateuze erysipelas; huid blauwrood, lage koorts; tijdens zymose of bij verzwakten; ook bij wonden; vaker in het gezicht.
Mazelen: vooral in kwaadaardige of purpurische vorm; en voor zulke gevolgen als gangreen van mond of genitaliën; en bij terugtreding van de eruptie; ook in latere stadia wanneer de eruptie te lang aanhoudt of opnieuw verschijnt als marmering.
Scharlakenkoorts; wanneer er bij de eerste invasie tekenen zijn van grote intoxicatie, braken, algemene collaps en koudheid, of de hersenen sterk onderdrukt zijn, coma, convulsies; de keel livide en snel zwellend, veel oedemateuze zwelling ter hoogte van de kaakhoeken, kin geheven en hoofd achterovergeworpen, eruptie vlekkerig, donker of petechiaal, pols uiterst snel en zwak, frequente epistaxis, gezicht grauw; kreunen en woelen, of zwaar, suf en stompzinnig; zwelling van fauces en amandelen schijnt verstikking of gangreen te bedreigen, veel gezwollenheid rond de nek, taai, bloederig slijm uit mond en neusgaten, ademhaling onregelmatig en schokkerig; secundaire infectie door resorptie vanuit gangreneuze en afstervende fauces, waardoor een tyfoïde toestand van laag type ontstaat; ook bij complicaties, oedeem van de glottis, laryngitis, meningitis enz.; en bij daaropvolgende waterzucht, wanneer de urine donker, rokerig van kleur, bloederig of albumineus is.
Syfilis; primair, indien de sjanker gangreneus of phagedenisch wordt; secundair, bij slijmvliesknobbels en phagedenische, diep doordringende ulceratie van slijmvliezen, necrose van kraakbeen enz.; tertiair, bij foetide en hemorragische ulceratie, en indien hersenen, lever of nieren betrokken raken.
Pemphigus; met tyfoïde toestanden van laag type, en wanneer de inhoudsvloeistof een donkere of bloederige aard aanneemt, of gangreen dreigt.
Peliosis rheumatica; met oedeem, grote purperen plekken en bullae, waarin zwarte purperen plekken, bedekt met een slappe blaarwand nadat het serum was ontsnapt, leken op huidplekken die afgestorven waren.
Waterzucht: cardiaal; hepatisch; renaal; ook algemene waterzucht niet afhankelijk van organische ziekte van een der grote centrale organen, maar veeleer een uitdrukking van een verzwakte, verslapte toestand van de capillairen, of van een algemene ineenstorting van de levenskrachten, en vooral indien zij is voortgekomen uit chronisch alcoholisme, of uit septische of zymotische of andere ontregelende of verzwakkende ziekten.
LEVENSFASE, CONSTITUTIE [47]
Hemorragische diathese.
Ziekten veroorzaakt door voorafgaande toestanden van algemene uitputting, of door zymotische of septische vergiftiging, alcoholmisbruik, enz.
Adynamische tyfoïde toestanden.
Onderdrukt zenuwstelsel; ontaarde bloedtoestand.
Neuralgie: optredend als gevolg van septische, toxemische of zelfs miasmatische ziekte; of van chronische gallige, climacterische of albuminurische toestanden.
Stuipen bij kraamvrouwen en kinderen.
Reumatische, jichtige, albuminurische of amenorroïsche personen.
Verzwakte constituties.
T., æt. 4 mos., gezond en uit een gezonde familie; erysipelas na vaccinatie.
G., æt. 7 1/2, zwakke constitutie en eruptieve huid, wiens vader stierf aan hartaandoening en alcoholisme, had ernstige scarlatina, gevolgd door otorroe.
Miss H., æt. 9, en haar broer, J. D. H., æt. 13; scarlatina maligna.
Jongen, æt. 10; steenpuist.
Meisje, æt. 12; difterie.
GK., æt. 16, wiens vader een bonvivant was en leverziekte had, is een zwakke, bleke, bloedarme jongen, vatbaar voor bronchitis en astma; na een nerveuze schok en verdriet; peri-typhlitis.
Miss D., æt. 19, sorteerster en losmaakster, werkzaam in een kleine, benauwde kamer verbonden met een ververij, verkeert sinds enige tijd in een slechte gezondheidstoestand; peritoneale ontsteking.
Een meisje, æt. 20, verlamming van de linkervoet na tyfus.
Miss K., æt. 22; tuberkel op de pols.
Miss M. S., æt. 22; gallige remitterende koorts.
Mr. W., æt. 23, zwak, scrofuleus, onlangs gehuwd, werkt zeer hard, voortdurend blootgesteld aan uitwasemingen van leer; sensoriële stoornissen.
Vrouw, æt. 25, zwakke menstruatie; ciliaire neuralgie.
Miss K., æt. 25, met vuilgele, gallige gelaatskleur, vatbaar voor ernstige gallige hoofdpijn, uit een epileptische familie; scheeftrekking van het gezicht.
Een primipara; mastitis en melkbeen.
KD., æt. 27, in goede gezondheid, maar verzwakt door overwerk en angst, werd overdag blootgesteld aan uitwasemingen van beer; difterie.
Miss D., æt. 28, bleek, zwak en scrofulueus uitziend; dysmenorroe.
Wm. W., æt. 28, constitutie opmerkelijk goed, nooit ziek geweest tot twee maanden voordien, toen hij in het Westen was en koorts en koude rillingen had, temperament gallig, sanguinisch; gallige koorts.
Mr. M., ging met vrijwilligers naar Maryland en lag gekampeerd aan een kleine stroom; gallige koorts.
Man; plotseling getroffen door apoplexie.
Mr. G. had in zijn jeugd losbandig geleefd en leed aan syfilis, mercurialisatie, poliep, enz., had zijn hele leven veel alcohol gebruikt; chronische slapeloosheid.
Luitenant W., van Commodore Wilke's expeditie, liep gele koorts op aan de kust van Cuba.
Hannah H., moeder van vier kinderen, naait veel en doet het huishouden; sinds drie jaar kloppen in de linkerzijde van het hoofd, enz., vóór de menstruatie.
Mrs. S., æt. ongeveer 30, leed vele jaren aan spasme van de oesofagus, schijnt van hysterische oorsprong te zijn.
Miss R., æt. 33, zeer zwak en uitgeput na veel verplegen, en door het verlies van haar moeder; enige jaren voordien had zij een syfilitische aandoening met hervaccinatie, kreeg haar kleren vochtig, gevolgd door catarre; oogaandoening.
Mrs. J., æt. 33, zes jaar getrouwd, geen kinderen, maar verscheidene miskramen; echtgenoot heeft chronische syfilis en is onlangs impotent geworden, sinds de laatste twaalf maanden heeft zij ozena; tintelen en prikken in de handen en het linkerbeen.
Mr. B., æt. 48, leefde in zijn jeugd losbandig en had syfilis; petechiën.
Mrs. S., æt. 57, leed aan chronische aambeien; rode, jeukende plek op een vinger.
Mrs. E., æt. 57, had twee jaar geleden gastritis, nu zeer uitgeput door het verplegen van zieke familieleden, is verzwakt en bloedarm; atonische dyspepsie.
Mr. S., æt. 58, vatbaar voor astma en met zwak hart; na koude bronchitis, met hematurie.
Mr. S., æt. 60, na vergeefse allopathische behandeling; darmbloeding.
Mr. L., æt. 62, vrijgezel, met onregelmatige gewoonten, vooral wat alcohol betreft, levend in afzondering; ecchymosen aan de onderste ledematen.
HD., æt. 69, tijdens het beginnende stadium van seniele dementie, wanen, enz.
VERHOUDINGEN [48]
Tegengewerkt door : Laches . ; de uitwerkingen ervan worden gewijzigd door Ammon., Camphor, Opium, Coffea, Alcohol , en uitstralende warmte.
Vergelijk : Laches., Naja , en Elaps . ; Crotal . verdient de voorkeur bij vloeibare bloedingen, gele huid (derhalve bij gele koorts met zwart braaksel, enz.), neusbloeding bij difterie. Naja heeft meer zenuwverschijnselen. Laches . heeft een koude en klamme huid, eerder dan koud en droog ; bloedingen met bezinksel als verkoold stro ; en, duidelijker nog, aandoeningen van de linkerzijde. Elaps . verdient de voorkeur bij otorroe, en bij aandoeningen van de rechterlong. Het Cobragif stolt bloed tot lange draden. Het gif van Crotalus is zuur ; dat van de adder neutraal. De "Rotten-Snake" veroorzaakt meer afstoting van dood weefsel dan enige andere.
Vergelijk ook : C. Cascar . (gedachten verwijlen bij de dood en dromen van de doden), Tarent. cub., Arsen., Lauroc . (tetanus, kinkhoest), Apis, Carb. veg., Silic . (vaccinatie), Camphor . (bij koudheid ; waarschijnlijk heeft Crotal . een meer uitgesproken werkelijke collaps, met verwarde spraak, enz.), Hyosc . (slapeloosheid bij delirium tremens), Opium, Nux vom . en Cuprum (cerebrale congestie).