Lachesis
van John Henry Clarke — Woordenboek van de praktische Materia Medica
Trigonocephalus lachesis. De Surukuku-slang van Zuid-Amerika. N. O. Ophidia. Trituratie. Verdunning.
Klinisch
Albuminurie / Alcoholisme / Amblyopie / Aneurysma / Apoplexie / Appendicitis / Asthenopie / Astma / Atheroom / Doorligwonden / Furunkels / Bubo / Coecum, ontsteking van / Karbonkel / Katalepsie / Sjanker / Overgang / Wintertenen / Ciliaire neuralgie / Hoest / Cyanose / Delirium tremens / Difterie / Hondenbeet / Waterzucht / Dyspepsie / Oren, poliep van; oorsmeer in; geruisen in / Buiktyfus / Epilepsie / Erysipelas / Ogen, aandoeningen van / bloeding in / Flauwvallen / Fistula lachrymalis / Winderigheid / Fungus haematodes / Galstenen / Gangreen / Kwade droes / Bloedend tandvlees / Bloedingen / Aambeien / Hooikoorts / Hoofdpijn / Hart, aandoeningen van / Zuurbranden / Hemiplegie / Breuk / Herpes facialis / Heesheid / Watervrees / Hysterie / Verwondingen / Wisselkoorts / Geelzucht / Naweeën / Laryngismus / Laryngitis / Lepra / Lever, aandoeningen van / Locomotorische ataxie / Maligne pustel / Mazelen / Ziekte van Ménière / Kwikeffecten / Geest, aandoeningen van / Ziekte van Morvan / Mond, pijnlijk / Bof / Neuralgie / Neurasthenie / Geruisen in de oren / Nymfomanie / Longoedeem / Otorroe / Eierstokken, aandoeningen van / Verlamming / Parafimose / Perityphlitis / Transpiratie, bloederig / afwezig / Phlegmasia alba dolens / Pest / Pneumonie / Kraamvrouwenkoorts en convulsies / Purpura / Pyemie / Keelabces / Hondsdolheid / Scarlatina / Ischias / Scheurbuik / Pokken / Steken / Strangurie / Syfilis / Keelpijn / Luchtpijp / aandoeningen van / Traumatische koorts / Tumoren / Zweren / Aders, spataderig / Duizeligheid / Plaatsvervangende menstruatie (neusbloeding) / Wratten / Fijt / Wonden
Kenmerken
'De eerste trituratie en de eerste verdunning in alcohol van het slangengif Trigonocephalus lachesis werd door Hering gemaakt op 28 juli 1828. De eerste gevallen werden gepubliceerd in de Archives in 1835. In 1837 werd dit middel in onze materia medica ingevoerd.' Ik citeer uit Hering's Guiding Symptoms, deel vi., waarin Lach. bijna honderd bladzijden beslaat en de inhoud omvat van een monografie waaraan hij ten tijde van zijn dood werkte ter viering van de vijftigste verjaardag van de invoering van het middel in de materia medica. Aan het genie en de heldhaftigheid van Hering dankt de wereld dit middel en vele andere waarvan dit de voorloper is geweest. Toen Hering zijn eerste proeven deed, verrichtte hij botanisch en zoölogisch onderzoek aan de Boven-Amazone voor de Duitse regering. Behalve zijn vrouw waren allen om hem heen inlanders, die hem zo veel vertelden over de gevreesde Surukuku dat hij een goede beloning uitloofde voor een levend exemplaar. Eindelijk werd er een gebracht in een bamboekist, en zij die hem brachten sloegen onmiddellijk op de vlucht, en al zijn inlandse bedienden met hen. Hering verdoofde de slang met een slag op het hoofd toen de kist werd geopend; daarna hield hij de kop vast in een gevorkte stok en drukte het gif uit de gifzak op melksuiker. Het effect van het hanteren van het virus en het bereiden van de lagere verdunningen was dat Hering in een koorts werd geworpen met woelig delirium en manie, zeer tot ontsteltenis van zijn vrouw. Tegen de ochtend sliep hij in, en bij het ontwaken was zijn geest helder. Hij dronk een beetje water om zijn keel te bevochtigen, en de eerste vraag die deze ontembare prover stelde was: 'Wat heb ik gedaan en gezegd?' Zijn vrouw herinnerde het zich levendig genoeg. De symptomen werden opgeschreven, en dit was het eerste deel van de proving van Lachesis. De inlanders kropen de volgende dag één voor één terug en waren verbaasd Hering en zijn vrouw levend aan te treffen. De slang wordt tot zeven voet en meer lang (ruim twee meter), heeft slagtanden van bijna 2,5 cm lang, een roodbruine huid, langs de rug gemerkt met zwartbruine ruitvormige vlekken. Bijna alle provings van Lachesis werden gedaan met de 30e en hogere verdunningen. De vier grote kenmerken van Lach. zijn: (1) < Door slaap. (2) Buitensporige gevoeligheid van het lichaamsoppervlak met onverdraaglijkheid voor aanraking of insnoering. (3) Linkszijdigheid, en de richting van links naar rechts: symptomen beginnen links en blijven daar óf gaan over naar rechts. (4) > Vanaf het begin van een afscheiding. Er is hoofdpijn zodra neuscatarrh optreedt. Baarmoederpijnen zodra de menses verschijnen. De andere kant hiervan is door het uitblijven van een verwachte afscheiding, en dit vormt de basis voor de geschiktheid van bij de climacterische toestand. Waar één of meer van deze trekken op de voorgrond staan, zal hoogstwaarschijnlijk het aangewezen middel blijken. De homeopathische literatuur is rijk aan illustraties van het eerstgenoemde kenmerk: door slaap. Ik neem een voorbeeld van Nash: een oude syfiliticus leed aan hardnekkige constipatie en kreeg hevige aanvallen van koliek. De pijnen leken door de hele buik te trekken en kwamen altijd 's nachts op. De man maakte geen enkele vooruitgang, totdat hij op een dag tegen Nash zei: 'Dokter, als ik maar wakker kon blijven, zou ik nooit meer een aanval krijgen.' En op de vragende blik van de dokter voegde hij eraan toe: 'Ik bedoel dat ik de aanval inslaap en erin wakker word.' Hij kreeg er nooit meer een. Eén dosis 200 genas zowel de koliek als de constipatie. 'Slaapt een verergering in'; ' na de slaap, hetzij overdag hetzij 's nachts'; 'zodra hij in slaap valt stopt de ademhaling' - er zijn eindeloze vormen waarin deze eigenaardigheid kan voorkomen. Bij het sluiten van de ogen (duizeligheid) is hiermee verwant. Maar de aanwezigheid van de tegenovergestelde toestand ( na slaap) sluit niet noodzakelijk uit. Rushmore (., xii. 64) genas met c.m. een gehuwde vrouw die ernstig leed aan hoofdpijn, die altijd begon met wazige en pijnlijke ogen. De pijn was scherp, neuralgisch, in slapen en ogen, rechterzijde. Als zij er niet rustig mee kon blijven, kreeg zij misselijkheid en zeer bitter braken. Soms kon zij geen minuut stil zijn, op andere momenten kon zij zich niet verroeren. Uitgelokt door de geringste vermoeidheid. Houdt haar de hele dag in bed, en de ene aanval is nauwelijks voorbij of de andere begint. Geestelijke opwinding, zoals een oproep ontvangen, lokt hem uit. Bij de hoofdpijnen heeft zij het erg koud; en ermee en erna heeft zij een zeer bittere mond. . Schrijnend gevoel in de oogbollen en wazig zien gedurende meerdere dagen na de hoofdpijn. Tijdens de hoofdpijn veel hartklachten; na de hoofdpijn 'overslaande slagen', gevoeligheid rond het hoofd, pijn in de zijde. Verlies van eetlust na de hoofdpijn. Menses regelmatig, pijnloos, te overvloedig. Fluor albus sedert vele jaren. Eén dosis werd toen gegeven, en de hevige hoofdpijn verdween al op de weg naar huis. Een aanhoudende lichte hoofdpijn, met zwaarte van het hoofd in de ochtend, bleef nog enkele dagen; maar zonder herhaling genas het middel de hoofdpijnen volledig, evenals de hartklachten. De bloedingen van hebben deze bijzonderheid: zij bevatten vlokken van ontleed bloed die eruitzien als verkoold tarwestro. Baarmoederbloedingen en bloedingen bij typhoïde koorts die dit karakter vertonen, zullen hun middel vinden in . De gevoeligheid voor aanraking van berust niet zozeer op pijn of verergering van pijn, maar op de onrust die het veroorzaakt. Bij baarmoederaandoeningen wil de patiënte de dekens optillen om contact met de onderbuik te voorkomen. Het aanraken van de keel bij laryngeale aandoeningen veroorzaakt verstikkingskrampen. Een klein kenmerk van is pijn in de scheenbenen. 'Veel pijn in de scheenbenen, alleen van zeurend karakter.' Dit is herhaaldelijk bevestigd, maar W. J. Guernsey (., x. 476) heeft erop gewezen dat wanneer dergelijke pijnen gelijktijdig met keelaandoeningen voorkomen, specifiek is. Dit heb ik bevestigd. Guernsey merkt op dat in zulke gevallen altijd zal blijken dat de keelaandoening links is of links begonnen is. Volgens Hering is voor mensen met een melancholische aanleg (deze provers vertoonden de meeste symptomen); daarna voor individuen. Flegmatische en lymfatische personen zijn ook geschikt, maar vooral wanneer hun aard grenst aan het , met donkere ogen en neiging tot luiheid en droefheid. past niet bij sanguinische personen met hoge kleur, fijne tere huid en een impressionabele natuur, de ziekte aan hun aard een cholerische of melancholische tint heeft gegeven. past vooral bij cholerische vrouwen met sproeten en rood haar. Aan deze lijst moet worden toegevoegd: mensen met een bijzondere gevoeligheid van het lichaamsoppervlak. Vrouwen die 'zich sinds de overgang nooit meer goed hebben gevoeld'. Verzwakte, uitgeputte personen. Magere eerder dan dikke personen; personen die zowel geestelijk als lichamelijk door hun ziekte veranderd zijn. Dronkaards. Lijders aan de gevolgen van masturbatie. Personen die met kwik zijn overgedoseerd; en bij syfilitische, mercuriële aandoeningen. Kinderen en ouderen. Personen die de zon niet kunnen verdragen en die zijn in zomers weer. Een patiënt van mij, een lange, breedgeschouderde, zeer nerveuze man van zevenenveertig, die van de Kaap was gevlucht omdat hij de zomer daar niet kon verdragen, liet mij in zijn hotel komen omdat hij het niet waagde midden op de dag naar buiten te gaan uit vrees door de zon te worden getroffen. 200 stelde hem spoedig in staat weer tuinfeesten bij te wonen. Het delirium van is van het suf mompelende type; soms zinkt de patiënt weg in een torpide toestand, met koude extremiteiten, beven van lichaam en handen, beven van de tong. Tremor van de tong is een leidend kenmerk van vele -toestanden. Zij trilt niet alleen, maar blijft bij het uitsteken ook haken achter de tanden of de onderlip. De geest is diep verstoord. Er zijn snel afwisselende toestanden: verhoogde vermogens, snelle opeenvolging van ideeën; en dan weer zwak geheugen; veel fouten bij het schrijven; verwardheid. ', springt van het ene onderwerp op het andere,' is een sterk kenmerk; 'praat, zingt of fluit voortdurend; maakt vreemde bewegingen met de armen'; 'waanzinnige jaloersheid'; 'intense droefheid en angst'; 'prikkelbaar, opvliegend, korzelig, kwaadaardig.' Een merkwaardig symptoom op geestelijk gebied is een stoornis van het . Dit komt ook voor bij (waarvoor een antidotum is), maar staat sterker op de voorgrond bij ; wanneer een patiënt zich voortdurend vergist in het uur van de dag en de ochtenduren met de avonduren verwisselt, zal dit in het algemeen herstellen, al doet het verder niets. Flauwteaanvallen en duizeligheid bij het sluiten van de ogen; bij staren naar een voorwerp; 's ochtends bij het ontwaken. Bloedaandrang naar het hoofd. Zonnehoofdpijn. Hoofdpijn met zeer bleek gelaat. Kloppende hoofdpijnen in de slaap, met hitte in het hoofd. Hoofdpijn die doorloopt tot in de neus; wanneer neuscatarrh opkomt. Een vrouw van vierenveertig aan wie ik 12 gaf voor een vergiftigde vinger, ervoer na elke dosis een gevoel 'alsof er een hand in haar hoofd zat, die bewoog en kneep'; er brak een uitslag van vlekken uit, en zij voelde zich alsof zij geen energie had. De vinger genas, maar toen zij wegens de hoofdpijnen het middel liet staan, werd de vinger erger, met krampachtige pijnen en een gevoel van spelden en naalden. Er is intense nerveuze prikkelbaarheid, onrust, woelen, bewegen; nerveuze exaltatie, hysterie. Beven door het hele lichaam, denkt dat zij zal flauwvallen of ineen zal zakken van zwakte. Convulsies, spasmen. Gevallen van watervrees zijn met genezen; de dorst, spasmen, gevoeligheid en nerveuze uitputting stemmen nauw overeen met de symptomen van hondsdolheid. Flauwvallen als begeleidend verschijnsel bij andere klachten is een aanwijzing voor : bij hartpijn; met misselijkheid; met duizeligheid en bleek gelaat. Katalepsie. Onhandige gang; linkerzijde zwak. Gressus gallinaceus. Stoornissen van zien en horen zijn talrijk. Ik heb er dikwijls geruisen in de oren mee genezen wanneer die waren na de slaap. Bij hooikoorts is het het middel wanneer er hoofdpijn is die doortrekt in de neus, bij onderdrukking van de afscheiding, hetgeen in de slaap kan gebeuren; of wanneer de aanvallen zijn na de slaap. Rauwe neusgaten en lippen. Pus en bloed uit de neus. Rode neus van dronkaards. Donkerrode erupties; paarsachtige zwellingen; zwartblauwe vlekken zijn kenmerkend voor . Zweer gevoelig voor de geringste aanraking. Kleine zweren rondom grotere. De keel is in bijzondere mate de zetel van de werking van . Keelpijn van bijna alle beschrijvingen valt binnen haar bereik, mits enige van de kenmerken aanwezig zijn: na slaap; door aanraking; symptomen links of van links naar rechts verlopend; ; leeg slikken is martelend, vloeistoffen worden met minder pijn geslikt en vaste stoffen met de minste pijn. Difterische, mercuriële en syfilitische keelpijn. Foetide adem. De uitputting staat geheel buiten verhouding tot het uiterlijk van de keel. heeft een zinkend gevoel in de maag en kan niet lang zonder voedsel. Onlessbare dorst. Verlangens: oesters, wijn, koffie (koffie wordt goed verdragen). Symptomen zijn na eten, vooral na fruit. De keelsymptomen zijn door warme dranken. Misselijkheid altijd na drinken. Alles verzuurt; zuurbranden. Alcoholische dranken (behalve de onmiddellijke effecten van de beet). Hoewel een linkszijdig middel is, werkt het krachtig op de lever zowel als op de milt. 'Acute pijn in de lever die uitstraalt naar de maag' is, hoewel strijdig met de algemene richting 'van links naar rechts', karakteristiek, zoals ik kan getuigen. is ook een van de voornaamste middelen bij appendicitis. De algemene kenmerken zullen hier de weg wijzen. Bubonen. en hebben van alle homeopathische middelen het grootste succes gehad in de recente pestepidemieën in India. De blaas en het rectum zijn zeer pijnlijk aangedaan. Er is een zeer karakteristiek symptoom in de blaas: gevoel alsof er bij het omdraaien een bal los rondrolt in blaas of buik. De urine is bijna zwart; frequent; schuimend; donker. ('De patiënt moet altijd urineren nadat hij is gaan liggen, overdag of 's nachts, vooral na slaap; vaker in de nacht. De urine heeft kleine zwarte vlekjes of vlokken die als roet erin drijven.' - H. N. Martin.) Steken in de nieren. Het balgevoel komt ook elders voor: alsof er een bal, knobbel of knoop in de keel zit; alsof twee ballen dreigen de keel af te sluiten; alsof een bal uit de buik naar de keel opstijgt; alsof er een prop in de anus zit. Vele ernstige en karakteristieke symptomen verschijnen in rectum en anus. Lijkluchtige diarree en ook constipatie. Atonie van het rectum. Pijnlijke aambeien. Zichtbare spasmodische tenesmen in aanvallen van twee tot vijf minuten, met uitroepen van pijn; er gaat bloed en slijm af. Pijnlijke insnoering van de anus, gevolgd door collaps. Aambeien met schaarse menses. Branden in het rectum. Steek in het rectum (naar boven) bij hoesten of niezen. Vol gevoel in het rectum en gevoel alsof er kleine hamertjes kloppen. Trekkend opwaarts gevoel alsof een muis eraan trok. Beide eierstokken zijn aangedaan, maar vooral de linker; zwelling, verharding, tumoren. Menses regelmatig maar schaars; pijnen wanneer de vloeiing goed op gang is. In een geval van mij stelde 12 de menses een week uit. Veel symptomen treden op in verband met de menses. De borsten zijn aangedaan. Ik heb bij een vrouw van middelbare leeftijd de hardnekkigste en meest kwellende erupties op tepels en areolae zien ontstaan na een dosis in hoge potentie. Kanker van de borst, wanneer die een blauwachtige kleur aanneemt, zal door worden geholpen. Lochiën zijn dun, ichoreus, onvoldoende. Melk dun, blauw, tepels uiterst gevoelig voor aanraking. In het ademhalingsgebied zijn de gevoeligheid van de delen voor aanraking, insnoering, en door alles wat strak rond de hals zit, de heersende voorwaarden. Kietelende, prikkelende hoest. Het geringste dat in de buurt van mond of neus komt, hindert de ademhaling. Slaapt een astma-aanval in. Dreigende verlamming van de longen. Het hart voelt te groot aan; krampachtige pijn in het precordium. Insnoering. Hartkloppingen met gevoelloosheid langs de arm. Cyanose. Varicosis. van (naast de reeds genoemde) zijn: alsof hij door visioenen achter zich verschrikt wordt; alsof messen in het voorhoofd worden gestoken; alsof de tong vastgebonden of opgebonden is; alsof een deel van de rechterzijde van het hoofd is afgesneden; alsof een draad van achteren naar het oog wordt getrokken; steken als van messen in de ogen; ogen alsof zij eruit genomen, uitgeknepen en weer teruggezet zijn; oren alsof zij van binnenuit gesloten zijn; alsof zij verstopt zijn; alsof insecten in de oren gonzen; alsof hij een ijssnor had; alsof er een klein kruimeltje in de keel vastzat; alsof hij een slag op de nek had gehad; alsof er een strictuur in het rectum zat. Alsof het hart aan een draad hing en iedere slag het zou afscheuren; alsof het hart zich omdraaide en een ogenblik ophield met kloppen; alsof het hart geen ruimte had om te kloppen. Alsof de hals met een koord wordt dichtgesnoerd. ( is een van de middelen voor 'gordelpijn') alsof op verschillende plaatsen brand- of schroeigevoel aanwezig was (tong, tibia, onderbuik). Branderig gevoel en brandende pijnen zijn een leidend kenmerk in dit gehele middel. is aangewezen bij vele soorten koorts, vooral wisselkoorts na misbruik van . De symptomen van zijn in lente of zomer; door uitersten van temperatuur; door zonnestralen; door weersverandering, vooral tijdens een warme periode. Moet open lucht hebben, wat ; maar tocht . Uitwendige warmte (wil het hoofd strak ingepakt hebben); warme dranken dorst; tandpijn en bloedend tandvlees. Koud weer, koud wassen . De meeste symptomen verschijnen of zijn 's nachts en vroeg in de ochtend na de slaap. Liggen hoofdpijn; duizeligheid, keel, hoest, ademhaling. Liggen op de rechterzijde oorpijn in het rechteroor; hartkloppingen. Liggen op de linkerzijde pijn in het hart. Zitten voorovergebogen. Staan of bukken. Beweging in het algemeen. Contact. Insnoering. Slikken steken naar de oren. Door afscheidingen.
Relaties
Antidotum: uitstralende warmte uitwendig, alcohol inwendig, zout bij de gevolgen van de beet. Antidota op verdunningen: Alum., Bell., Coccul., Coff., Hep., Merc., Nit. ac., Nux, Pho. ac.; voor de zichtbare spasmodische rectale tenesmus, Sep. Volgens Teste is Cedron het voornaamste antidotum. Het antidoteert: Bufo, Crotal., Rhus. Compatibel: Aco., Ars., Bell., Bro., Carb. v., Chi., Hep., Hyo., Kali bi., Lac. can., Lyc., Merc., Nit. ac., Nux, Olean., Pho., Pul., Sil., Sul. (pneumonie), Tarent. (Plat. volgt goed wanneer Hep. en Lach. er niet in slagen pus uit een ovarieel abces te evacueren). Onverenigbaar: Acet. ac. (Am. c.). Complementair: Hep., Lyc., Nit. ac. [Lyc. is het voornaamste complement; het is in vele opzichten het tegenovergestelde van Lach. (rechts naar links, rechts boven, links onder; > warme dranken); Iod. en Kali iod., die complementair zijn aan Lyc., zijn waarschijnlijk ook complementair aan Lach. K. iod. heeft de diffuse gevoeligheid van Lach.] Vergelijk: Crotal., Naja, Bothrops., Helod., Apis, Sul. en Lyc. (afasie); Therid. en Mosch. (duizeligheid < bij sluiten van de ogen en zonnehoofdpijn); Ars., Hydr. ac., Lauroc., Dig. en Ver. (flauwvallen door hartzwakte); K. carb. (hart dat aan een draad hangt); Glon., Bell., Camph., Nat. c., Therid. (< door zonnewarmte); Stram., Agar., Mephit., Act. r. en Paris. (spraakzaamheid); Op., Hyo., Arn., Alum., Lyc. en Rhus (tyfoïd); Merc., Chi., Pul., Bry. en Gels. (catarrhale en reumatische hoofdpijnen); Sil. (> hoofd inpakken; afkeer van aanraking); Crot., Pho. en Arn. (retinale apoplexie); Crotal. en Elaps. (otorroe); Apis, Ars. en K. ca. (oedeem van het gezicht); Cic. (dyspneu door spasme); Grind. (stopt met ademen bij inslapen); Apis, Rhus en Euphorb. (erysipelas, herpes, enz.); Phyt. (keelpijn); Chi., Carb. v., Hep., Kre., K. bi., Nux en Lyc. (dyspepsieën en buikziekten); Colch. en Elaps. (koud gevoel in de maag); Bell., Caust., Nat. m., Nit. ac., Ign., K. bi., Op., Pb., Mez. en Coccul. (insnoering van de anus, anale tenesmus en dysenterie); Anac. (gevoel van prop in het rectum); Hep., Asaf., Lyc., Mur. ac., Silic., Sulph. ac. en Ars. (ulceratie); Apis, Arg. m., Plat., Murex, Pall., Lyc. en Graph. (ovariële en uteriene ziekten); Crotal., Helleb., Dig., Tereb., Apis en Colch. (blaas- en rectumaandoeningen, met hematurie); Calc. (galstenen); Pho. en Thu. (fungus haematodes); Nat. m. en Led. (gevolgen van bijensteken); Lact. ac. (volheidsgevoel in keel en insnoering); Lac. can. (difterie die van zijde wisselt; ziet slangen); Tarent. cub. (karbonkels); Colch. en Carb. ac. (zwarte urine); Sel., Nat. c. en Nat. m. ( in warm, verslappend weer); Carb. v. (verlangt koffie - die Lach., maar niet Carb. v.); Ant. t. (dreigende verlamming van de longen); Merc. (Lach. antidoteert Merc. soms, wanneer pus degenereert en donker, dun, stinkend wordt); Chi. sul. (wisselkoorts na misbruik van quinine, wanneer de rillingen in de lente terugkeren); Am. c. (blauwheid, slaperigheid, stuwing van de hals; maar Am. c. is rechtszijdig en zonder gevoeligheid); Hep. (elk soort voedsel indigestie); Nat. m. (tegenovergesteld aan Lach., heeft van strakke kleding); Apis (jaloezie); Ar. t. (difterie); Anac. (heeft twee willen; denkt onder de macht van een bovenmenselijke kracht te staan); Arn. (gevoeligheid van de borst - Lach., van de perifere zenuwen; Arn., beursheid van overvolle bloedvaten); Bry. (hoofdpijn door onderdrukte neusverkoudheid); Act. r. (puerperale manie); Bapt. (stinkende afscheidingen; tyfoïd); Bell. (hoofdsymptomen; keel; scarlatina); Hyo. (praat over alledaagse dingen, springt van het ene onderwerp op het andere); Spi. (strottenhoofd gevoelig; Lach., hyperesthesie; Spi., ontsteking van de kraakbeenderen, draaien van het hoofd verstikkingsaanval); Sul. (linkerzijde; leverontsteking, overgaand in abces; na de slaap - ook Nat. m.; Pho. na de slaap); Staph. (bij slikken loopt de pijn uitwendig langs de oorspeekselklier naar de oren; transpiratie onmogelijk); Pho. (gevoel alsof anus openstaat; Lach., alsof baarmoeder openstaat); Sil., Caul., Sul., Ustil. en Vib. o. (linker ovariale en linker inframammaire pijn). Nux m. (hoest in zwangerschap; Lach., hoest tijdens de menstruatie wanneer die ophoudt. Patiënt moet doorslikken wat loskomt); Puls. (menstruele hoest; menses schaars; maar pijn naarmate de vloeiing toeneemt); Con., Graph. (schaarse menses); Anthracin. (karbonkels; furunkels); Tereb., K. bi. (tong gladgelakt; en glanzend, Apis, Lach.); Pul., Pho., Sul. en Mur. ac. (aambeien tijdens menses); Solania, Bell. en Dulc. (verlamming van de longen); Iris t. (appendicitis); Pho. ac. (teleurgestelde liefde); Hydrophobin.; Sabad. (keel aangedaan van links naar rechts - Sabad. meer chronisch).
Oorzaken
Verwondingen. Steekwonden. Vergiftigde wonden. Verdriet. Ergernis. Woede. Schrik. Jaloezie. Teleurgestelde liefde. Alcohol. Masturbatie. Verstuiking (blauwachtige gewrichtszwelling). Zon. Warm weer. Tocht.
1. Geest
Grote benauwdheid, ondraaglijke angst en onrust, waarvan de patiënt verlichting zoekt in de open lucht. Vrees en voorgevoel van de dood. Moedeloosheid; wantrouwen; gemakkelijk tot tranen bewogen. Geestelijke neerslachtigheid en melancholie, met vrees, onrust over de eigen kwaal, grote neiging zich aan verdriet over te geven, alles van de donkere zijde te zien en te denken dat men door bekenden vervolgd, gehaat en veracht wordt. Doodsangst; bang om naar bed te gaan; vrees vergiftigd te worden. Denkt dat zij iemand anders is; in de handen van een sterkere macht; dat zij dood is en dat men voorbereidingen treft voor haar begrafenis; dat zij bijna dood is en wenst dat iemand haar uit haar lijden verlost. Droefheid bij het ontwaken in de ochtend of nacht (vooral in de ochtend); helemaal geen verlangen om onder de mensen te komen. Rusteloos en ongerust; wil zich niet met zaken bezighouden, maar wil voortdurend ergens anders heen. Droefheid en walging van het leven. Wantrouwen, achterdocht en sterke neiging alles kwalijk te nemen, tegen te spreken en te bekritiseren. Razende jaloersheid. Traagheid, met afkeer van en ongeschiktheid voor elke arbeid, geestelijk zowel als lichamelijk. Timide karakter, met wisselvalligheid en besluiteloosheid. Grote apathie en buitengewone zwakte van het geheugen; alles wat men hoort wordt als het ware uitgewist; zelfs de spelling wordt niet meer onthouden, en er is vergeetachtigheid zelfs van wat men op het punt staat te zeggen. Verwardheid ten aanzien van de tijd. Vergissingen bij spreken en schrijven, evenals in de uren van de dag en de dagen van de week. Zwakzinnigheid en verlies van elke geestelijke vermogens. Overprikkeling en buitensporige nerveuze prikkelbaarheid, met neiging om te schrikken. Volmaakte gelukzaligheid en vrolijkheid, gevolgd door geleidelijk vervagen van geestkracht, gebrek aan zelfbeheersing en wellustigheid; had het gevoel alsof zij iemand anders was en in de handen van een sterkere macht. Geslachtsdrift. Aandoeningen van het verstand in het algemeen. Toestand van extase en verheffing die zelfs tranen opwekt, verlangen om te mediteren en intellectuele werken te schrijven, met een soort trots. Razende spraakzaamheid met verheven taal, zorgvuldig gekozen woorden en snelle, voortdurende wisseling van onderwerp. Spraakzaamheid, met spottende jaloersheid, met angstaanjagende beelden, grote neiging tot spot, satire en belachelijke ideeën. Nachtelijk delirium met veel praten, of met mompelen. Dementie en verlies van bewustzijn.
2. Hoofd
Hoofd vermoeid door geestelijke arbeid. Ogenblikkelijke duizeligheid bij het sluiten van de ogen. Duizeligheid na rust. Duizeligheid vooral bij het ontwaken in de ochtend, evenals na 's avonds te hebben gelegen, bij het naar de open lucht gaan, bij het heffen van de armen, en vaak met flauwvallen, bleekheid van het gelaat, misselijkheid, braken, congestie in het hoofd, neusbloeding en slapte van de ledematen. Intoxicatie, stupor en verlies van bewustzijn. Apoplectische aanvallen, met blauw gelaat, krampachtige bewegingen van de ledematen en bloeduitstorting in de hersenen. Verweking van de hersenen en hun vliezen. Hevige pijn in het hoofd, met geel gelaat en rode wangen. Hoofdpijn, met bloedaandrang, fonkelen voor de ogen, slaperigheid, huiveringen en neiging om te gaan liggen, of met misselijkheid en braken. Hoofdpijn die aan neusverkoudheid voorafgaat. Cephalalgie door zonnehitte. Diep in de hersenen zittende pijnen; of in de oogkassen; of boven de ogen; of in het achterhoofd; met stijfheid in de nek. Pijn alsof de schedelkruin gekneusd is, of gevoel van boren, met schokken en kloppen bij bewegen van het hoofd. Zwaarte en druk in het hoofd, alsof het zal barsten, of spanning, alsof er draden van het achterhoofd naar de ogen worden getrokken, of schietende pijnen als van messen in verschillende delen van het hoofd en tot in de ogen. Drukkende hoofdpijn in de slapen alsof de hersenen naar buiten drukken, 's ochtends na het opstaan, door beweging, door bukken; < door druk en bij traplopen; > door te gaan liggen na eten. Snijdende hoofdpijn alsof een deel van de r. zijde van het hoofd was afgesneden, < na het opstaan of traplopen; > door warmte en na het oprispen van wind. Pijnen die zich vanuit het binnenste van het hoofd uitbreiden naar oren, neus en nek. Hoofdpijn die doorloopt tot in de neusrug. Hoofdpijn met flikkeren voor de ogen. Hoofdpijn iedere ochtend bij het ontwaken, of na het middagmaal; of anders bij iedere weersverandering. Pulserende, kloppende hoofdpijn met hitte in het hoofd, vooral op de schedelkruin, of aan de r. zijde, of boven de ogen, voorafgaand aan een neusverkoudheid, met stijfheid van de nek. Zwelling van het hoofd, spierkloppen in de slapen, spanning in het achterhoofd uitbreidend naar de nek, pijnlijke gevoeligheid van de hoofdhuid, met hinderlijke jeuk, overmatige schilfering en haaruitval. Haaruitval, vooral tijdens de zwangerschap, met grote afkeer van zonnestralen. Gevoeligheid van de hoofdhuid vanaf het linker schedeldak naar beneden, en van de linkerzijde van het gelaat, bij aanraking of bewegen van de spieren; een gevoel alsof het door de zon verbrand is. Kan niet verdragen dat het haar wordt aangeraakt.
3. Ogen
Geelverkleuring van het oogwit. Ogen geel of troebel, dof en neerslachtig, of helder en krampachtig, met starende blik. Pupillen sterk verwijd. Ecchymose en bloeding van de ogen. Bloedingen in de voorste oogkamer. Droogte van de ogen, alsof zij vol stof zitten; of tranenvloed met tranen die soms koud lijken. Fotofobie. Overgevoelig voor licht. Jeuk en branden van de ogen. Jeuk en schietende pijnen als van messen in de ogen, of hevige zeurende pijn, alsof de oogbol uit de kas zou springen, < door het bewegen van de ogen. Ogen rood en ontstoken, met roodheid van conjunctiva en sclera, brandende hitte en tranenvloed. Ogen tranen met hoofdpijn door een verkoudheid. Gevoel alsof de ogen te groot zijn of de kassen te klein. Gevoel bij druk op de keel alsof de ogen eruit worden geperst. Zwelling en ontsteking van de oogleden of van hun randen. Convulsies, zwaarte en verlamming van de oogleden. Zwakte van het gezichtsvermogen en ouderdomsverziendheid. Bij het lezen lijken de letters verward. Troebel zien alsof men door een sluier kijkt. Verduistering en verlies van het gezichtsvermogen. Wazigheid van het zien; zwarte flikkeringen voor de ogen; maakt het lezen vaak moeilijk. Heldere blauwe ringen, gevuld met vurige stralen, om het licht heen; zigzagfiguren. Vlammen en vonken verschijnen voor de ogen, of een blauwe sluier of blauwe cirkels rond de kaars. Ogen lijken klein en zonder uitdrukking. Fistula lachrymalis, vergezeld van een langdurige eruptie in het gezicht.
4. Oren
Oren koud, gevoelig voor de wind. Pijnlijke zwelling van het inwendige oor. Droogte van de oren. Oorsmeer schaars, te hard en te bleek, of als pap en wit, met vermindering van het gehoorvermogen. Zeer onaangenaam kloppen, tinkelen, suizen, kraken, zoemen en rollen, of een weerklinkend geluid alsof er op een trom wordt geslagen, in de oren. Gonzen, als van insecten in het oor. Oren alsof zij dichtzitten. Buitensporige gevoeligheid of hardhorendheid. Bloeding uit de oren. Oorpijn met keelpijn. Scheurende pijn van het jukbeen naar het oor. Zwelling van de oorspeekselklieren. Ontvelling en korsten achter de oren.
5. Neus
Nachtelijke pijn bij de neusrug. Verstopping van de neus, als door een inwendige zwelling, vooral in de ochtend, of met coryza. Zwelling, roodheid en ontvelling van de neusvleugels, met korsten in de neusgaten. De neus bloedt bij het snuiten (bloed donker), en men snuit bloed uit de neus, vooral in de ochtend. Neusbloeding bij amenorroe, tyfus, enz. Overvloedige neusbloeding, helder rood, of dik en zwart. Vloeiing van (bloed en) pus uit de neus. Aanvallen van niezen bij hooikoorts. Droge, chronische coryza, met verstopte neus, of waterige neusloop, met overvloedige afscheiding van sereus slijm, tranenvloed, veel niezen en ontsteking en ontvelling van de neusgaten. Onvolledige coryza, met veel klachten van hoofd en geest, die alle verdwijnen zodra de catarrhale vloeiing begint. Rode, chronische puistjes op de neus. Roodheid van de punt van de neus. Veel symptomen eindigen met catarrh.
6. Gezicht
Gelaat bleek, vaal, vermagerd en kadaverachtig; loodkleurig of aards verkleurd, gelige teint. Rode vlek op de wangen met geelheid van de rest van het gelaat. Donker blauwrode vlek aan de l. zijde van neus en wang, optredend bij blozen, gewoonlijk omstreeks de middag of na wijn; nooit 's avonds of 's nachts (Cooper). Blauwe kring rond de ogen. Kleine rode adertjes in de wangen. Opgeblazenheid, soms in angstwekkende mate, spanning en rode zwelling van het gezicht. Hitte en roodheid van het anders bleke gelaat. L. zijde van het gezicht en onderkaak gezwollen en gevoelig voor aanraking. Trifaciale neuralgie, l. zijde, orbitaal; hitte stijgt op naar het hoofd. Hitte en roodheid van het gelaat (tijdens delirium). Erysipelas in het gezicht, soms met jeuk, puistjes of blaasjes, kloven en bijtende afscheiding, brandende pijnen en zwelling. Miliaria-uitslag en puistjes in het gezicht. Dauwworm met dikke korsten in de bakkebaardstreek. Spannende en kruipende pijnen in het gezicht, pijn in de gezichtsbeenderen, prosopalgie, met braken van voedsel. Gevoel van stijfheid van het jukbeen uitgaande van de halsklieren. Lippen droog en gezwollen, puistjes op de lippen, trillen van de lippen. Zwakte en verlamming van de onderkaak, met vervorming van de trekken. Trismus, met klemmen en knarsen van de tanden; klappertanden.
7. Tanden
Borende pijnen in de carieuze tanden, vooral na het middagmaal, en soms met zwelling van de wangen en een gevoel alsof de tanden te lang zijn. Kiespijn iedere ochtend na het ontwaken, of iedere dag na het middagmaal, met scheurende, trekkende en schietende pijnen in de tandwortels (van de onderkaak); door warme en koude dranken. Kiespijn met hoofdpijn, rillingen, hitte en zwaarte van de benen. De kiespijn tast de oren aan. Broosheid en losheid van de tanden; de carieuze tanden worden zacht en er breken stukjes van af. Zwelling en pijnlijke gevoeligheid van het tandvlees. Tandvlees bloedend; gezwollen, sponsachtig. Warme en koude dranken wekken de pijnen opnieuw op.
8. Mond
Ontstekingsachtige zwelling van de mondholte. Mond en gehemelte zijn ontveld en zeer pijnlijk. Droogte van mond en tong, of ophoping van water in de mond en speekselvloed. Tong glanzend, droog, rood en gebarsten; of ontstoken, gezwollen (met blaasjes bedekt), bruinachtig of zwartachtig. Stijfheid, onbeweeglijkheid en verlamming van de tong. Afonie, of verwarde, onduidelijke spraak, nasale stemklank, moeite met het uitspreken van bepaalde letters of woorden; de spraak is luider en gejaagder dan de spreker wil. Tong zwaar; kan de mond niet openen. Tong trilt bij uitsteken, of blijft achter de tanden haken. Stotteren.
9. Keel
Voortdurend kietelen in de keel, alsof een broodkruimel of iets dergelijks erin vastzit. Gedeeltelijke of algemene droogte van de keel, vaak uitbreidend naar oren, neus en borst. Branden en pijn als van ontvelling in de keel, vooral bij slikken. Pijnlijke ontvelling en ontstekingsachtige zwelling van de keel, met roodheid van de aangedane delen, alsof zij met vermiljoen gekleurd waren. Zwelling van de tonsillen (meestal l.). Grote en kleine tumoren in de keel die het slikken bemoeilijken. Kan het voedsel na kauwen niet doorslikken, omdat het achter op de tong blijft liggen en daar een sidderende pijn veroorzaakt. Voortdurende neiging om te slikken, en een gevoel bij het slikken alsof er een tumor of een stukje van iets, of een prop, in de keel zit. Gevoel van contractie, wurging en insnoering in de keel. De keel als het ware stijf en verlamd. Convulsies en spasmen in de keel. Moeilijk slikken, met afkeer van drinken, dat vaak door de neusgaten terugkomt. Watervrees. Veel slijmerig speeksel, vooral achter in de mond. De pijnen in de keel zijn < door de geringste aanraking en de minste druk op de hals, evenals na de slaap en bij het slikken van speeksel; de pijnen zijn > door eten. Bij het slikken straalt de pijn uit naar het l. oor. Keelpijn die slechts een klein deel aantast, of die integendeel de oren, het strottenhoofd, de tong en het tandvlees aantast; vaak met dyspneu en verstikkingsgevaar, speekselvloed en het ophoesten van slijm. Veel oprispen en ophoesten van slijm, wat buitengewoon pijnlijk is. Leeg slikken < de keelpijn meer dan het slikken van voedsel; of vloeistoffen worden met minder pijn geslikt dan vaste stoffen. Overvloedige ophoping van taai slijm in de keel. Bij oude chronische keelpijnen: de keel hoeft niet erg pijnlijk te zijn, maar er blijft een grote hoeveelheid slijm hangen, die veel schrapen en spuwen zonder resultaat veroorzaakt; het slijm blijft hangen en kan noch omhoog noch omlaag worden gedwongen. Keelpijn afwisselend met verstopte neus, of met klachten bij het spreken. Zweren op het gehemelte, achter in de mond (op de ontstoken tonsillen), en in de keel, met foetide geur, overvloedige ettering en scherpe pijnen bij het doorslikken van voedsel. De ontsteking en ulceratie van de keel beginnen links en breiden zich later uit naar rechts. De uitwendige keel is zeer gevoelig voor aanraking (niet pijnlijk, maar onaangenaam); bij liggen, met verstikkend gevoel; zelfs voor de aanraking van linnengoed.
10. Eetlust
Onaangename, of zoete, zure, ruwe, wrange of metaalachtige smaak. Gebrek aan eetlust; volledige onverschilligheid voor eten en drinken. Tegenzin tegen brood, dat onmogelijk door te slikken is. Onregelmatige eetlust, nu eens gebrek aan eetlust, dan weer vraatzucht. Ziekelijke honger, met misselijkheid, krampachtige geeuwen en flauwteaanvallen als niet onmiddellijk wordt gegeten, of met knagende en zeurende pijn in de maag die kort na het eten terugkeert. Onverzadigbare dorst. Dorst, met droge tong en droge huid. Verlangen naar wijn of melk, die beide echter slecht verdragen worden; verlangen naar oesters. Na een maaltijd: druk op de maag, oprispingen, duizeligheid, winderigheid, neiging tot braken of braken van voedsel, zwakte in de knieën, loomheid en zwaarte van het lichaam, geestelijke vermoeidheid, onrust, regurgitatie, diarree, moeilijke ademhaling, pijn in hoofd en tanden, en verergering van alle klachten.
11. Maag
Hik na drinken; of na het roken van tabak. Hevige loze oprispingen, met gevaar voor verstikking. Oprispingen die de klachten >. Zure oprispingen, met de smaak van het voedsel. Pyrosis vanuit de keel, alsof de gehele slokdarm gevuld was met ranzige stoffen. Misselijkheid en neiging tot braken, vooral in de ochtend of na een maaltijd; evenals ten gevolge van vele andere klachten. Hevig en krampachtig braken van alles wat ingenomen wordt, of van galachtige, bittere, groenachtige stof. Braken van zuiver bloed of van bloederig slijm. Braken, met diarree, verduistering van het zien, maagpijn en veel urineren. Buitensporige gevoeligheid van de maagkuil voor de geringste aanraking; strakke kleding is ondraaglijk en de minste druk is zeer pijnlijk. Grote zwakte van de maag; zij verdraagt noch voedsel noch drank. Steken die in de borst uitstralen. Knagen in de maag; > na eten, maar het keert terug wanneer de maag leeg raakt. Pijnloos knagen. Druk in de maag; na eten; met zwakte in de knieën. Gevoel alsof iets de maagmond belemmert en het slikken bemoeilijkt. Zeurende pijn in de maag, uitstralend naar de borst, en een gevoel alsof er een worm in beweegt en eraan knaagt. (Elke avond) krampen en hevige pijnen in de maag, met oprispingen, kokhalzen en braken van slijmerige stof.
12. Buik
Brandende, trekkende of snijdende pijnen in de lever. Acute pijn in de lever, uitstralend naar de maag. Ontsteking en verweking van de lever. Leverabces. Galstenen. Pijnen en steken in de miltstreek, soms bij rijden in een rijtuig of bij lopen. Vergroting van de buik bij jonge meisjes. Pijnlijke opzetting, winderigheid; verdraagt geen druk, oppervlaktezenuwen gevoelig. Gevoel van leegte in de buik. Pijnen in de buik, ten gevolge van een verrekking in de lendenen. Pijnen, over het algemeen drukkend, in de navelstreek, soms met moeilijke ademhaling, < een uur na een maaltijd, en > door oprispingen. Scheurende en snijdende pijnen in de r. zijde van de buik. Snijdende pijnen, zo hevig dat de patiënt er waanzinnig van wordt; of acute trekkingen, met samentrekking van de buik. Branden in de buik, met druk op de blaas. Buik heet, gevoelig; pijnlijk stijf vanaf de lendenen tot de dijen; peritonitis; ettervorming. Ontsteking van de darmen. Bloeduitstorting in het buikvlies. Zwelling in de coecaalstreek; moet op de rug liggen, met opgetrokken ledematen (typhlitis). Buik hard en opgezet, met winderige koliek, rugpijn, braken, diarree en diurese. Veelvuldige afgang van wind; de wind dringt soms door tot in de liesring. Pijn alsof een breuk naar buiten zal komen.
13. Ontlasting en anus
Trage ontlasting. Hardnekkige constipatie met harde en moeilijke ontlasting. Constipatie, anus voelt strak aan alsof er niets doorheen kan. Feces klein, schaars en taai. Constipatie afwisselend met diarree. Diarree, met hevige koliek, misselijkheid, braken, angst, pijn in het rectum tijdens de passage van de ontlasting, tenesmen en ontvelling van de anus. Ontlasting ligt vlak bij de anus zonder over te gaan en zonder aandrang. Dunne ontlasting, vooral 's nachts, of na een maaltijd, of bij warm (en vochtig) weer, of na gebruik van fruit en zuren. Diarree na voedsel, met af en toe pijn dwars over navel, lendenen en rug. Onwillekeurige en onopgemerkte ontlasting. Ontlasting buitengewoon stinkend. Afgang van foetide materie, of van zachte feces van papachtige consistentie, of vloeibaar, of slijmerig als pek, of bloederig en etterig, of van onverteerde stoffen, of van zuiver bloed, of van bloederig slijm. Ontlasting waterig, stinkend, donker; waterig, frequent, plotseling, rond middernacht, stinkend, ammoniakaal; zacht, helder geel; pasteus, bedorven. Tijdens de ontlasting: pijn, tenesmen en branden in de anus. Na de ontlasting: bloedaandrang naar het hoofd, duizeligheid, zwakte, pijn en kloppen in de anus. Pijnlijke insnoering van anus en rectum. Anus voelt gesloten aan: gevoel van een prop. Prolapsus recti tijdens de ontlasting. Afscheiding van slijm en bloed uit het rectum, soms met hevige koliek. Aambeien met koliek, of met branden en snijdende pijnen in het rectum, of met bloedstuwing in de anus en diarree. Steek in het rectum bij lachen of niezen. Gevoel in de anus alsof daar verscheidene kleine hamertjes op slaan. Aambeien prikkelbaar, met pijnlijk optrekkend trekken alsof een muis aan één zijde trok en die omhoog trok. Bloedende aambeien. Hemorroïdale tumoren puilen na de ontlasting uit, met insnoering van de sfincter. Grote hemorroïdale tumoren (bij personen die aan sterke drank verslaafd zijn). Hemorroïdale tumoren die uitpuilen met steken bij elke hoest of nies.
14. Urinewegen
Druk op de blaas, met aandrang om te urineren, of met snijdende en brandende pijnen in de buik. Frequente drang om te urineren, met overvloedige lozing zelfs 's nachts. Hevige pijn, alsof er een bal in de blaas rondrolt en vandaar in de urethra gaat. Hevige tenesmus, met spaarzame urinelozing. Verlamming van de blaas. Voortdurende snijdende schietende pijnen in de urethra. Kleine tumor in de urethra, met urineretentie. Urine troebel en bruin, of rood, of diepgeel, en soms met frequente maar spaarzame lozing, of met bruin en zanderig of rood of steenrood bezinksel. Schuimende urine. Urine frequent, schuimend, zwart. Onwillekeurige en onopgemerkte urinelozing. Pijn in rug en lendenen tijdens de aandrang tot urineren. Brandend gevoel in de urethra bij het urineren, en vele andere klachten, die alle opnieuw worden opgewekt door beweging van een rijtuig en terugkeren na het drinken van wijn. Pijn als van ontvelling in de urethra en in de glans. Nadruppelen van urine na ontlasting en na urineren.
15. Mannelijke geslachtsorganen
Druk in de testes, alsof een breuk naar buiten zal komen, bij persen om te urineren. Puistjes op de behaarde delen. Sterke geslachtsdrift zonder lichamelijk vermogen en met slapte van de penis. Erecties zonder geslachtsverlangen. Zaadlozingen nacht en dag, soms met zwakte en zweet. Vloeiing van prostaatvocht bij het urineren of nadat men heeft geürineerd. Sperma van scherpe geur. Tijdens coïtus is de zaadlozing traag of blijft geheel uit. Overvloedige afscheiding achter de glans. Vlekken en rode puistjes op de glans en de kroonrand. Mercurio-syfilitische zweren. Verschrompeling van het scrotum en hardheid van de testes. Verdikking van de voorhuid.
16. Vrouwelijke geslachtsorganen
Bij vrouwen die sinds de overgang nooit meer goed worden - 'zich sinds die tijd nooit meer goed hebben gevoeld'; kunnen onnatuurlijke perioden van ongesteldheid hebben. Tijdens de overgang, wanneer zij overdag de hele tijd warmte-opwellingen heeft en bij het naar bed gaan 's nachts koude opwellingen. Gevoel in de buik alsof daarvandaan een bal opstijgt naar de borst, zoals bij hysterie. Pijnen van de eierstokken naar de baarmoeder, met afgang van pus tijdens de ontlasting. De baarmoeder voelt alsof de baarmoedermond voortdurend openstaat. Roodheid en zwelling van de uitwendige delen (met slijmafscheiding). Zwelling van de delen, met jeuk en geslachtsdrift. Menses zwak, laat en van te korte duur, vaak gepaard gaand met hemorroïdale en andere klachten. Menstruatie onderdrukt. Menstruatie te schaars (bloed zwart). Buikkrampen tijdens de menstruatie. Vóór de menses: pijnen en kloppen in het hoofd, duizeligheid, epistaxis, zeurende pijn in de maag, oprispingen, snijdende pijnen in de onderbuik, slijmvloed uit de urethra en krampen in de borst. Vóór en na de menses, diarree met hevige koliek. Menstruele koliek, beginnend in de l. eierstok. Zwelling, verharding, pijn en andere afwijkingen van de l. eierstok. Bij het verschijnen van de menses: sacrale pijnen, met pijn alsof de heupen en borst gebroken zijn. Tijdens de menses, pijnen in de lendenen als weeën, kloppen in het hoofd en snijdende pijnen. Miskraam. (De melk van vrouwen die door de slang gebeten zijn, wordt giftig en schift.) Borsten gezwollen. Ondraaglijk jeukende dauwwormen op en rond de tepels. Tepels gezwollen, stijf opgericht, pijnlijk bij aanraking. Geslachtsdrift opgewekt: nymfomanie.
17. Ademhalingsorganen
Catarrh, met hoest, coryza, schietende pijnen in het hoofd, stijfheid van de nek en borstklachten. Voortdurende heesheid, met een gevoel alsof er iets in de keel zit dat het spreken belemmert en niet losgemaakt kan worden. Benauwde ademhaling, < bij spreken en eten. Contractie en insnoering van het strottenhoofd, met een gevoel van zwelling en spanning. Pijnlijke gevoeligheid van het strottenhoofd en de hals voor aanraking en de geringste druk, met gevaar van verstikking bij betasten van de keel en bij het achteroverhouden van het hoofd. Gevoel van pulsatie en van verstikking tussen strottenhoofd en borst. Droogte, branden en pijn als van ontvelling in het strottenhoofd. Gevoel alsof er een bal in het strottenhoofd zit. Stem zwak, hol, nasaal. Hoest, vaak vermoeiend en zonder dat er iets loskomt, meestal opgewekt door kietelen in strottenhoofd, borst en maagkuil, of door druk op de keel, evenals door spreken, lopen en alles wat de droogte van de keel vermeerdert. Hoest veroorzaakt door druk op het strottenhoofd, of door elke bedekking van de keel; door kietelen in de keelkuil en het borstbeen; bij het inslapen; door zweren in de keel. Voortdurende prikkelhoest, met of zonder expectoratie. Zeer chronische hoesten. Hoest met rauw gevoel in de borst, moeilijke expectoratie en pijnen in keel, hoofd en ogen. Veelvuldige aanvallen van korte hoest door kietelen in de maagkuil, 's nachts droog; moeilijk wordt er soms waterig, zout slijm opgegeven, dat opnieuw moet worden doorgeslikt. De hoest is < overdag; na slaap; door temperatuurswisselingen; door alcoholische dranken; door zuren en zure dranken. Hoest met heesheid. Difterie. Hoest altijd na het slapen, of 's nachts in de slaap, of 's avonds na het gaan liggen, evenals bij het opstaan uit liggende houding. Droge, korte, verstikkende en kraaiende hoest, soms met braken. Sputum slijmerig, taai, of zuur, en van onaangename smaak, of bloederig. Hemoptoë. Bij het hoesten: ophoping van water in de mond, scherpe pijnen in de maagkuil, schokken in het hoofd en spanning van de ogen.
18. Borst
Ademhaling kort, frequent, of krampachtig of reutelend, stertoreus en kraaiend, of piepend, kreunend en diep. Veelvuldige behoefte diep adem te halen. Dyspneu en beklemming van de borst, met inspanning om te ademen. Kortademigheid, vooral na een maaltijd, bij lopen, na inspanning met de armen, en soms met droefheid, of met astmatische hoest. Astma-aanvallen en moeilijk ademhalen, vooral na eten, of 's avonds bij het liggen, of 's nachts tijdens de slaap, en soms met angst, dorst, misselijkheid, braken, flauwvallen en koud zweet. Verstikkingsaanvallen, vooral bij 's avonds gaan liggen of 's nachts in bed, en vooral wanneer iets vóór neus of mond geplaatst wordt. Paralytische orthopneu. Foetide adem. Druk op de borst, als van een gewicht, of alsof zij met wind gevuld is, vooral 's nachts. Insnoering van de borst wekt hem na middernacht, met langzame, zware, piepende ademhaling, zodat hij moet gaan zitten met de borst voorovergebogen. Hevige pijnen met grote angst en voortdurend bewegen in de borst. Branden en pijn als van ontvelling in de borst, alsof zij rauw is, vooral na een maaltijd. Beklemmende pijn in de borst alsof zij vol wind zit, > door oprispingen. Steken in de zijde en in de borst, < door ademen, en soms met hoest en bloederige expectoratie. Steken in de (l. zijde van de) borst, met moeilijke ademhaling. Bloeduitstorting in de longen. Pneumonie (hepatizatie van de ontstoken longen). Gangreen van de longen. Zwelling en opgeblazenheid van de huid van de borst. Jeuk, rode plekken en miliaire eruptie op de borst.
19. Hart
Hartkloppingen, met (flauwvallen en) angst, soms opgewekt door krampachtige pijnen, met hoest en verstikkingsaanval. Hartkloppingen en verstikking door de geringste angst. Gevoel alsof het hart aan een draad hangt en iedere slag het zal afscheuren. Onregelmatigheid van de slagen. Insnoerend gevoel in de hartstreek. Spasmen in het hart (met aneurysma van de r. carotis) en onaangename pulsatie in de oren. Alsof het hart te groot is voor de ruimte die het bevat. Steken in de hartstreek, met kortademigheid, flauwteaanvallen en koud zweet. Flauw gevoel rond het hart, met hitte langs de wervelkolom en opvliegingen in het gezicht. Flauwvallen, duizeligheid en hartkloppingen die steeds terugkeren.
20. Nek en rug
Nek en hals buitengewoon gevoelig voor de geringste druk. Reumatische stijfheid van nek en hals. Steken in de rug en tussen de schouders. Er vormt zich een kleine tumor nabij de wervelkolom. Branden in de rug. Spasmen in de rugspieren. Pijnlijke stijfheid van de lendenen tot de heup, alsof de spieren te kort zijn. Ondraaglijke nachtelijke pijnen in rug, lendenen, heup en knie. Pijn in de onderrug, met constipatie, wisselkoorts, hartkloppingen of dyspneu. Pijn in het stuitbeen; bij het gaan zitten voelt men alsof men op iets scherps zit. Gebrek aan kracht in rug en knieën, waardoor de patiënt bij het lopen moet vooroverbuigen. Pijn als van ontwrichting in de lendenen, als na grote inspanning. Papels, blaasjes, dauwwormen, puistjes en scharlakenrode vlekken op rug en schouderbladen.
22. Bovenste ledematen
Lamheid van de l. schouder. Pijn in het r. schoudergewricht met hoofdpijn. Transpiratie in de oksels met sterke geur (als knoflook). Reumatische en jichtige pijnen, en zeurende pijnen in de beenderen van armen, handen, vingers en polsen. Kwaadaardige zweer aan het bovenste deel van de arm. Spanning, alsof de pezen samentrekken, van de elleboog tot de vingers. Erysipelateuze ontsteking van de elleboog. Puistjes op de armen na krabben. Gevoel van vermoeidheid of verlamming, en pijn als van ontwrichting in de armen. Verlamming van de handen. Beven van de handen (bij dronkaards). De handen zijn droog en brandend. Uiteinden van de vingers gevoelloos en pijnlijk. Tintelen en prikken in de l. hand. Prikkelingen in de toppen van de vingers. Gevoelloosheid in de vingertoppen (ochtend). Jeuk, psorische erupties, rode vlekken met blaasjes, furunkels, uitstulpingen en wratten op handen en vingers. Harde en koude zwelling van blauwzwarte kleur op de handrug en vingers. De handen zijn koud, alsof zij dood zijn. Harde zwelling van hand tot elleboog, met buitensporige pijn. Fijt.
23. Onderste ledematen
Gevoel van contractie en samentrekkingen van de pezen van de knieholte. Nachtelijke pijnen in heup en dij. Cariës van de tibia. Brandende plekken op de tibia. Smartelijke pijnen in de tibia (met keelaandoeningen). Scherpe en trekkende pijnen in de benen, bij weersverandering en bij winderig weer. Furunkels op de dijen. Gevoel van zwaarte, verlamming, gevoelloosheid en trillen in dijen en knieën. De knieën zijn als het ware ontwricht, stijf en zwak. Stekende pijn in de knieën. Gevoel alsof hete lucht door de kniegewrichten gaat, die wankel zijn. De l. knie voelt alsof zij verstuikt is. Zwelling van de knieën. Zwelling van de voeten, < na lopen (tijdens zwangerschap). Vlakke zweren aan de onderste extremiteiten, met blauwe of paarse randen. Gangreneuze zweren aan de benen (tenen). Krampen en pijnen in de kuiten. Rode puistjes op de dijen en benen na krabben. Ontvelde plekken en oppervlakkige zweren met vieze bodem op de benen. Rode of blauwachtige, pijnlijke zwelling van voeten en benen. Zwaarte, gevoelloosheid, ijzige koude en zweten van de voeten. Jeuk, psorische erupties, papels en vlekken als van een brandwond, aan voeten en benen. Kloven en rhagaden tussen de tenen. Abces in de hielen.
24. Algemeenheden
Pijnsensaties gepaard gaand met wellustige gewaarwordingen; vreselijke of sterk drukkende pijnen in verschillende delen van het lichaam. Gevoel van ontwrichting en verlamming in de gewrichten. Stijfheid en spanning van de spieren, alsof zij te kort zijn. Pijnen in de beenderen. Scherpe en trekkende reumatische pijnen in de ledematen (eerst aan de l. zijde, dan aan de r.), of knagende pijnen, met een gekneusd gevoel bij bewegen. Nachtelijke pijnen die ondraaglijk lijken en de patiënt niet in bed laten blijven. De pijnen treffen afwisselend de lichaamszijden, of eens de ledematen, dan weer het lichaam, en openbaren zich vaak dwars over het lichaam. Intermitterende en periodieke pijnen; klachten gepaard gaand met verstikkingsgevaar; en klachten met behoefte om te liggen en afkeer van beweging. Verergering of terugkeer van de klachten na slaap of 's nachts, en vooral vóór middernacht, of enkele uren na een maaltijd, of bij warm vochtig weer, evenals wanneer er verandering van wind en weer is (uiterst koud en uiterst warm weer veroorzaken grote zwakte); vele symptomen zijn > in de open lucht. Gemoedsaandoeningen, zoals teleurstelling, vrees, schrik, enz., doen alle klachten vaak terugkeren. Lichte aanraking ondraaglijk. Moet loshangende kleren dragen; verdraagt geen contact. Verlamming, met zwaarte en stijfheid van de ledematen; halfzijdige verlamming. Aandoeningen in het algemeen van de r. borst; r. onderste ledemaat; r. buikinguïnale ring; symptomen verschijnen in het algemeen aan de l. zijde; symptomen die links beginnen met grote neiging zich naar rechts uit te breiden. Uiterste zwakte van lichaam en geest; uitputting als na bloedverlies; snelle afname van krachten; verslapping van spierkracht. Zwakte van het hele lichaam in de ochtend bij het opstaan. Nerveuze hyperesthesie, met uitwendige opwellingen. Flauwvallen, met dyspneu, misselijkheid, koud zweet, duizeligheid, bleek gelaat, braken, draaierigheid, verduistering van het zien, pijn en prikken in de hartstreek, convulsies en epistaxis. Scheurende, prikkende en kloppende pijnen. Aanvallen van asfyxie en syncope, met verlies van gevoel en beweging, bewusteloosheid als de dood, klemmen van de tanden, stijfheid en zwelling van het lichaam, pols bevend of onvoelbaar. Trillen van de ledematen, spiertrillingen en schokjes in verschillende delen van het lichaam. Samentrekkingen van de spieren. Kramp- en epileptische aanvallen, met schreeuwen, bewegingen van de ledematen, neervallen zonder bewustzijn, krampachtig verdraaide ogen, schuim op de mond, gebalde vuisten; vóór de aanval koude voeten, oprispingen, bleekheid van het gelaat, duizeligheid, zwaar en pijnlijk hoofd, hartkloppingen, opzetting van de buik; na de aanval slaap. Tetanusaanvallen, met verdraaiing van de ledematen. Bloedingen en bloeduitstortingen in verschillende organen. Aangedane delen zien blauwachtig uit (cyanose).
25. Huid
Ecchymosen; wonden en zweren bloeden gemakkelijk en overvloedig (kleine wonden bloeden veel; zweren bloeden gemakkelijk; littekens bloeden gemakkelijk; pijn in oude littekens), wonden bloeden lange tijd; huid geneest zeer moeilijk, massa's bloed treden door de poriën naar buiten. Spataderige zwellingen. Waterzuchtige zwelling over het hele lichaam. Harde en bleke tumefactie. Huid geel, groen, loodkleurig, of blauwrood of zwartachtig, vooral rondom wonden en zweren. Gele, rode, koperkleurige vlekken. Bleke, livide vlekken, met flauwvallen. Droge, miliaire jeuk, met eruptie van grote blaasjes van gele of blauwzwarte kleur, met zwelling van de aangedane delen en pijnen die tot wanhoop drijven. Milaire eruptie, die later op netelroos, scarlatina of morbilli gaat lijken. Erysipelas en blaasvormige erupties met een rode kroon. Ontvelde plekken die bij aanraking een brandende pijn geven. Rupia en andere huidaffecties, met angioleucitis (Cooper). Zweren, omgeven door puistjes, blaasjes en andere kleine zweren (op een paarse huid). Zweren met grote gevoeligheid voor aanraking, ongelijke bodem, ichoreuze, stinkende afscheiding bij aanraking, vooral rond de onderste ledematen. Gangreneuze zweren. Gangreneuze blaren. Oppervlakkige zweren, vuil op de bodem, met een rode kroon. Kankerachtige verzwering (van wonden), of verrotting van het vlees, dat van de beenderen loslaat en stukje voor stukje afvalt. Gangreneuze wonden, met ontstekingskoorts, zwakke, snelle en intermitterende pols, flauwte, misselijkheid, spasmodisch en galachtig braken, convulsies en koude zweetaanvallen. Papels, wratten, harde zwellingen. Fijt. Rode en jeukende knobbels en tuberositeiten. Karbonkels, met koperkleurige omgeving en vele kleinere steenpuisten eromheen. Vlakke exanthemen die zich niet vullen; pustuleuze exanthemen; sponsachtige uitwassen.
26. Slaap
Grote slaperigheid overdag, vooral na een maaltijd. Slapeloosheid, vooral vóór middernacht, met buitensporige nerveuze opwinding. Levendig en klaarwakker in de avond. De patiënt slaapt een verergering in, zoals bijvoorbeeld bij kroep; hij is zeer goed zolang hij wakker is, maar zodra hij in slaap valt verschijnen de kroepsymptomen met grote hevigheid; het kind stikt bijna, en de moeder of oppas is dan ook werkelijk bang hem te laten slapen. Ook bij convulsies; de patiënt heeft er geen zolang hij wakker is, maar zodra hij slaapt verschijnen zij. Slaperigheid en slapeloosheid afwisselend om de twee dagen. Bij het inslapen wordt hij wakker door een kietelhoest. Onrustige slaap, met veel dromen. Slapeloosheid in de avond met spraakzaamheid. Lichte slaap, met frequent en gemakkelijk ontwaken, onrust en woelen, kreunen en zuchten, schrikbewegingen en vrees. Dromen samenhangend en frequent, dichterlijk en beschouwend of wellustig; dromen over ruzies, over afschuwelijke dingen, over spoken en over de dood. 's Nachts hitte, onrust, branden in handpalmen en voetzolen, pijnen in de beenderen of reumatische pijnen, diarree, urinelozing, geestelijke opwinding en vele andere klachten. Na de slaap een gevoel van stijfheid en pijn als van vermoeidheid in de ledematen, erecties met geslachtsdrift, pijn in rug en lendenen, bloedaandrang, zwaarte en pijn in het hoofd, druk in de maag, keelpijn, nerveuze geeuwen en verergering van alle klachten.
27. Koorts
IJzige koude van de huid of van de ledematen, of alleen van de voeten, met groot verlangen dicht bij het vuur te zijn, en soms met verlies van gevoel, klam zweet, zwakte en grote snelheid van de pols. Rillingen, soms slechts gedeeltelijk, vaak met pijnen in de ledematen, sacrale pijn, onrust en woelen, koliek, trismus en krampachtige bewegingen van de ledematen, pijn op de borst, dorst, klappertanden. Koude die langs de rug opstijgt, vaak om de andere dag. Huivering terwijl de hitte aanhoudt, vooral bij het optillen van de dekens. Rillen, vooral na een maaltijd, of in de namiddag. Droge hitte, vooral 's nachts of in de avond, en vooral in voeten en handen, vaak gepaard gaand met onrust en woelen, hoofdpijn, delirium, onverzadigbare dorst, oprispingen, galachtig braken, kreten, gekreun, droogte van mond en keel en frequente ontlasting. Hitte afwisselend met koude (afwisselend en van plaats veranderend), rillen of huiveren. Koorts in de nacht of avond, dagelijks, derdedaags of vierdedaags, en vaak gepaard gaand met hoofdpijn, snelle uitputting van de krachten en zwakte die de patiënt dwingt te gaan liggen; gebrek aan eetlust, hik, braken, gevoeligheid van de hals voor aanraking, hartkloppingen, angst, gele urine, diarree, pijnen in ledematen, rug en lendenen, nerveuze en spasmodische geeuwen, rekken, zwelling van het lichaam, vlekken en zweren. Inwendig hittegevoel, met koude voeten. Chronische koortsen; slepende koortsen; typhoïde koortsen. De koortsen keren terug door zure spijzen. Droge, brandende huid. Zweet >. Transpiratie kleurt het linnengoed geelrood. Koortszweet, vooral na het hete stadium, tegen de ochtend; overvloedig zweet; foetide zweet; koud zweet; bloederig zweet. Pols intermitterend, of zwak en snel (maar versneld), of onregelmatig, of nauwelijks waarneembaar, of bevend, of afwisselend vol en klein. Wisselkoorts, de aanvallen komen iedere lente terug, of na onderdrukking van de koorts in de vorige herfst door quinine; gelaat rood; voeten koud; tijdens het hete stadium voortdurend praten; gelaat geel of askleurig. Vlektyfus, vooral wanneer de tong rood of zwart is, droog of gebarsten, vooral aan de punt, of wanneer de tong trilt bij het uitsteken, of wanneer bij een poging haar uit te steken de punt onder de ondertanden of de onderlip blijft en niet kan worden uitgestoken.