Cimex
van John Henry Clarke — Woordenboek van de praktische Materia Medica
Acanthia lectularia. Cimex lectularius. Bedwants. N. O. Hemiptera. Tinctuur of trituratie.
Klinisch
Constipatie / Hoest / Aambeien / Wisselkoorts / Lever, klachten van / Spieren, samentrekking van / Zaadlozingen / Huid, aandoeningen van / Geeuwen
Kenmerken
Cimex is een oud middel tegen wisselkoorts. Een kenmerkend symptoom is: "Vermoeidheid en neiging zich uit te strekken." De buigspieren zijn het meest aangedaan; pijn in alle gewrichten alsof de pezen samengetrokken en te kort waren; iedere beweging of het uitstrekken van armen of benen veroorzaakt daarin een samentrekkende pijn. (Nash vermeldt de volgende genezing door Dr. Brewster uit Syracuse. Nadat een man een weerbarstig paard had bestuurd dat over een zeer ruwe weg op hol probeerde te slaan, was hij aan billen en benen zo beurs en verstuikt geraakt dat hij daardoor lange tijd aan huis gebonden was. Uiteindelijk ging dit over in wat waarschijnlijk een blijvende contractuur van de onderste ledematen leek te worden. Geen enkel middel hielp, totdat Dr. Brewster zich een geval van wisselkoorts herinnerde dat hij twintig jaar eerder had genezen, geleid door dit symptoom. Cimex 600 (Jenichen) genas spoedig.) Onweerstaanbare slaperigheid. Veelvuldig geeuwen; gewaarwording alsof een koude wind op de knieën blaast. Pijn in alle gewrichten alsof de pezen tijdens de koude fase samengetrokken zijn. De koude fase begint met het ballen van de handen en hevige razernij. Vóór de koude fase dorst en een zwaar gevoel in de benen; minder dorst tijdens de koude fase, nog minder bij droge hitte; geen dorst bij zweet. Na de koude fase dorst, maar drinken veroorzaakt hevige hoofdpijn; kieteling in het strottenhoofd veroorzaakt droge, aanhoudende hoest. Kokhalzen en oprispingen aan het einde van de hoest. Hitte met kokhalzen; de slokdarm voelt vernauwd aan. Muf ruikend zweet. Nachtzweet. Tertiane en quartane wisselkoortsen. A. W. K. Choudhury verhaalt een geval van wisselkoorts (quotidiaan type), genezen met Cimex 30, waarbij de voornaamste aanwijzingen waren: "Koude fase gering; sommige dagen dorst, andere dagen geen; rillingen; tijdens de koude fase tweemaal geürineerd; koude fase < door liggen; toename van de hoest als hij tijdens de koude fase water drinkt. " Ontlasting met aambeiklachten. Ontlasting hard in kleine bolletjes; aandrang tot stoelgang; na het lozen van een klein wit stukje ontlasting sluit het rectum zich stevig. Urine-incontinentie. Urine heet; bruin of rood bezinksel. Vaak erecties in de ochtend; zaadlozingen. Netelroosachtige eruptie. Beweging <. Rekken of uitstrekken van het deel <. Vermoeidheid dwingt tot liggen. Zitten < pijn in de onderrug. Tijdens rust: 's morgens zweet op de neus. Symptomen < in de ochtend. < Door drinken. Vooral de gehele rechterzijde is aangedaan.
Relaties
Vergelijk: Nat. m. (hoofdpijn neemt af in het zweetstadium); Ars. (hoofdpijn blijft bestaan of neemt toe in het zweetstadium); Bell. (bonzen van het hoofd bij wisselkoortsen). Ars. en Bry. (kokhalzen aan het einde van de hoest).
1. Gemoed
Angst. Gewaarwording alsof hij in zichzelf zou willen kruipen en daarom zich niet voldoende ineen kan krimpen. Zijn eigen zweet walgt hem. Het ballen van de handen met hevige razernij bij het begin van de koude fase. Angst na de koude fase.
2. Hoofd
Verward gevoel in het hoofd alsof er hoofdpijn zou volgen. Naaldsteekachtige pijn in de kruin bij hoest. Hoofdpijn, die hem bijna het denkvermogen ontneemt; het hevigst tijdens de koude fase; veroorzaakt door drinken. Zweten op hoofd, neus en borst.
5. Neus
Hinderlijke droogheid van de neusgaten. Waterige neusloop met druk in de voorhoofdsholten. Voortdurend niezen in de voormiddag. Zweet op de neus, 's morgens, tijdens rust.
8. Mond
Tong wit beslagen. Gevoel alsof de tong gezwollen is. Gevoel alsof tong, gehemelte en het bovenste voorste tandvlees verbrand zijn.
9. Keel
Droogheid van de keel, waardoor hij de hele dag drinkt. De slokdarm voelt vernauwd aan; tijdens het hitte-stadium.
11. Maag
Zure oprispingen.
12. Abdomen
Pijn in de lever, alsof deze verrekt was door de r. zijde naar binnen te buigen; de plek is pijnlijk bij aanraken en bij hoesten. Koliek, gevolgd door afgang van winden of dunne ontlasting.
13. Ontlasting en anus
Ontlasting hard, in kleine bolletjes. Na het lozen van een klein wit stukje ontlasting sluit het rectum zich stevig. Ontlasting met aambeiklachten.
14. Urinewegen
Urine bruin, met bezinksel (tijdens de koorts, wanneer hij drinkt).
17. Ademhalingsorganen
Droge hoest, met kokhalzen alsof hij zou moeten braken, met transpiratie. Ademhaling benauwd na de koude fase.
18. Borst
De borst voelt beklemd tijdens de koude fase. Na de koude fase zwaar gevoel midden in de borst; angst.
20. Rug
Pijn in de onderrug, zich uitstrekkend over het abdomen, met opzetting van het abdomen. Pijn in de onderrug; erger bij zitten. Vermoeidheid in de lendenen, moet gaan zitten.
21. Ledematen
Pijnlijkheid in alle gewrichten; gewaarwording alsof de pezen te kort waren (tijdens de koude fase).
22. Bovenste ledematen
Pijn in de r. schouder en de voorste borstspieren, zich uitstrekkend door de hele arm tot in de nagels; de vingers voelen alsof zij slapen. Aan het begin van de koude fase trekt hij de vingers samen tot een vuist.
23. Onderste ledematen
Tijdens de koude fase zijn de kniegewrichten het sterkst samengetrokken; de benen kunnen niet worden gestrekt. Aan het einde van de koude fase voelen de benen moe; de stand van de benen moet voortdurend veranderd worden; dit houdt op tijdens het hitte-stadium. De achterdijbeenspieren voelen te kort aan, de knieën gebogen; een poging ze te strekken = pijn in de dijen. De knieën voelen koud aan alsof door een koude wind.
24. Algemeen
Pijn in de rectusspieren van de dijen, met beklemming op de borst, kortademigheid en vaak diepe inademing, met een gewaarwording alsof hij in zichzelf zou willen kruipen en daarom zich niet voldoende ineen kan krimpen; iedere poging de armen of benen uit te strekken veroorzaakt spannende pijn in deze delen, en hij blijft liever dorst lijden dan zich te bewegen.
26. Slaap
Grote slaperigheid; valt 's morgens zittend in slaap. Onweerstaanbare slaperigheid tijdens de koude fase. Veelvuldig geeuwen; met koud gevoel op de huid.
27. Koorts
Pols zwak; intermitterend. Vóór het koude stadium dorst; zwaar gevoel in de onderste ledematen. Aan het begin van de koude fase het ballen van de handen en hevige razernij. Rillerigheid over het hele lichaam, gevolgd door droge hitte, waarna enige vochtigheid over de huid volgt. Tijdens de koude fase pijnlijkheid in alle gewrichten; gewaarwording alsof de pezen te kort waren; de kniegewrichten zijn het sterkst samengetrokken; de benen kunnen niet worden gestrekt; de borst voelt beklemd, zodat men vaak diep moet ademhalen; onweerstaanbare slaperigheid. Aan het einde van de koude fase voelen de benen moe; de houding van de benen moet voortdurend veranderd worden; dit houdt op tijdens het hitte-stadium. Na de koude fase dorst, en wanneer hij drinkt, krijgt hij hevige hoofdpijn, die hem bijna het denkvermogen ontneemt; kieteling in het strottenhoofd, die een aanhoudende droge hoest veroorzaakt; benauwdheid van de ademhaling; zwaar gevoel midden in de borst; angst. Verlichting als hij niet drinkt. Tijdens het hitte-stadium kokhalzen in de slokdarm, wat de inademing belemmert; dorsteloosheid; het water dat gedronken wordt om het kokhalzen te stillen zakt slechts met tussenpozen; de slokdarm voelt vernauwd aan. Als hij tijdens de koorts drinkt, loost hij spoedig daarna zeer hete bruine urine, met veel bezinksel. De transpiratie na het hitte-stadium gaat gepaard met honger. Transpiratie vooral op hoofd en borst. Tijdens de wisselkoorts constipatie; ontlasting droog.