Mercurius Cyanatus
van John Henry Clarke — Woordenboek van de praktische Materia Medica
Bicyanide van kwik. Kwikcyanide. Hg (CN) 2 . Oplossing. Trituratie.
Klinisch
Difterie / Dysenterie / Enterische koorts / Bloedingen / Kerato-iritis syphilitica / Flebitis / Keelpijn / Spataderen
Kenmerken
De geschiedenis van dit middel heeft iets romantisch. Toen Dr. Alexander Villers een zuigeling was, had hij difterie. Bekende middelen hadden er niet in kunnen slagen de ziekte te stuiten, en zijn vader, Dr. Dominic von Villers, was wanhopig. Na overleg met zijn vriend, Dr. Beck (uit Monthey in Zwitserland), werd deze getroffen door de gelijkenis van het geval met de effecten van Merc. cy. in enkele vergiftigingsgevallen, waarvan hij juist verslagen had gelezen. Hij stelde het middel voor. Een kleine hoeveelheid van het zout werd verkregen en snel werd een verdunning bereid en toegediend. Al spoedig trad verbetering in, en gelukkig volgde herstel. De patient, gered door Merc. cy., leefde om met hetzelfde middel uiterst briljant werk te verrichten tijdens zijn praktijk in St. Petersburg, en Merc. cy. heeft een vaste plaats aan de top van de middelen voor deze aandoening ingenomen. De lokale symptomen zijn zeer duidelijk omschreven, en onder de algemene symptomen zijn diepe prostratie, koudheid en cyanose hoofdindicaties. Villers had betere resultaten met de 30e dan met enige lagere verdunning. Merc. cy. is ook een zeer werkzaam profylactisch middel bij difterie. In de geruchtmakende New Yorkse vergiftigingszaak van februari 1899 werd de getroffene, Mr. Henry C. Barnett, door zijn artsen voor difterie behandeld voordat de oorzaak van de aandoening werd ontdekt. Beck (Rev. Hom. Fran., xii. 153) noemt onder de hoofdverschijnselen: uiterste zwakheid, beven, syncope. IJzige koudheid; algemene koudheid met misselijkheid. Difteritisch membraan in keel, mond en aan de anus. Nash vermeldt als bijzonder aanwijzend ervoor een chronische keelpijn van openbare sprekers, met op sommige plaatsen rauwheid en een vervallen aspect, alsof het op het punt stond te ulcereren, en daarbij nog deze bijkomende toestand: "het spreken doet de patient pijn." Bloedingen treden op, donker van kleur en aanhoudend. Slikken is onmogelijk of = hevige snijdende pijnen. De gedachte aan voedsel = kokhalzen. Er zijn spataderen met grote drukgevoeligheid aan het l. been. Klachten zijn < na het eten.
Relaties
Vergelijk: Ar. tri., Caust., Hep., K. bi., Phyt., Echin., Lach., Gels.
1. Geest
Opwinding, woede, raasde woedend tegen de verzorger. Overmatige slechtgehumeurdheid na iets te veel te hebben gegeten.
2. Hoofd
Duizeligheid met oorsuizen, < bij overeind zitten. Zeer hevige, scheurende hoofdpijn, vooral in het voorste deel, < 's nachts.
3. Ogen
Ogen: ingevallen; star; bloeddoorlopen; pupillen verwijd. (Syfilitische kerato-iritis; veel ontsteking; hevige nachtelijke pijnen.)
4. Oren
Oorsuizen in een oor.
5. Neus
Overvloedige epistaxis verscheidene malen per dag gedurende twee weken.
6. Gelaat
Gelaat: rood doorlopen; cyanotisch; bleek en vaal.
8. Mond
Tanden pijnlijk; tandvlees gezwollen, bedekt met witte, vasthechtende lagen, waaronder een violette rand wordt gevonden. Tong: bleek met een gelige streep aan de basis; gezwollen met rode randen; grijze, metaalachtig uitziende aanslag; acht blaren aan de l. rand en op het zachte gehemelte, die opengaan en onregelmatige zweren worden; later aan de r. rand. Lippen, tong en binnenzijde van de wangen bezaaid met grijswitte ulceraties. Grote grijze, leerachtige zweer in de mond. Ontsteking van de gehele mondholte; speekselvloed; foetide adem; grote pijn bij het slikken. Smaak: bitter; onaangenaam; samentrekkend; metaalachtig.
9. Keel
Sterke roodheid van de fauces met slikmoeilijkheden. Witte opalescente bedekking, als slijmvliesplekken op de gehemeltebogen en tonsillen. Ruwheid van de keel, moeilijk slikken. Folliculaire tonsillitis, < r. (Chronische keelpijn van openbare sprekers; rauw, pijnlijk, vervallen aspect, op sommige plaatsen rauw; spreken doet pijn. Nash.). Difterie; diepe prostratie. Huig oedemateus.
11. Maag
Afkeer van voedsel. Hevige dorst, maar dranken worden snel uitgebraakt. Brandende dorst, braakt maar niet het ingenomene; kan geen soepen of warme dranken verdragen, die altijd te zout lijken. Onophoudelijke hik. Hevig kokhalzen door alleen al aan suikerwater te denken. Melk >. Epigastrium gevoelig voor druk.
12. Abdomen
Abdomen zacht, niet pijnlijk bij druk. Overmatige koliek < bij iedere ontlasting.
13. Stoelgang en Anus
Rond de anus: kleine aambeien; pijn (en in het rectum) bij zitten; gevoelige lichtrode zwelling; difteritisch beslag. Frequente aandrang tot stoelgang met tenesmus. Frequente diarree, voorafgegaan door hevige koliek. Onwelriekende, groene, slijmerige ontlasting. Bloederige ontlasting. Schaarse ontlasting. Hardnekkige constipatie (later effect).
14. Urinewegen
Pijnlijke mictie. Urine: albuminehoudend; ambergeel; retentie; volledig onderdrukt.
15. Mannelijke Geslachtsorganen
Half-erectie van de penis (zelfs na de dood aanhoudend). Donkerblauwe kleur van scrotum en penis (aanhoudend na de dood).
17. Ademhalingsorganen
Lichte hoest. Heesheid; spreken = pijn in de keel.
19. Hart
Hevig en abrupt kloppen van het hart. Sterke hartkloppingen.
21. Ledematen
Lichte spasmen van de extremiteiten.
22. Bovenste Ledematen
Ernstige pijn in de l. kuit; de aderen van dat deel vormen twee harde strengen die boven de knieholte samenkomen, zeer pijnlijk bij de geringste aanraking; het been zwelt bij staan. (Ontsteking van de gewrichtskraakbeenderen van de r. pols, met oedeem van de onderarm.)
24. Algemeen
Grote zwakte; kan niet overeind komen. Herhaalde flauwtes. Grote zwakte tijdens diarree; tenslotte viel hij in een flauwte op de grond.
25. Huid
Huid vochtig en koud. Roodvonk.
26. Slaap
Slaperigheid met gemakkelijk ontwaken.
27. Koorts
IJzige koudheid. Grote gevoeligheid voor koude. Extremiteiten zeer koud; 's avonds. Huid vochtig en koud.