Nux vomica
van Adolph von Lippe — Kernsymptomen en rode-lijnsymptomen van de Materia Medica
Gewone naam: braaknoot.
Is de grootste van de polycresten, omdat het grootste deel van zijn symptomen in overeenkomst is met die van de gewoonste en meest voorkomende ziekten (Br.).
Een van de beste middelen om de behandeling te beginnen van gevallen die bedorven zijn door mengsels, bitters, kruidenpillen, geheimmiddelen of kwakzalversremedies, vooral aromatische of "hete medicijnen", maar alleen als de symptomen overeenkomen (A.).
NUX is bij uitstek het middel voor vele toestanden die samenhangen met het moderne leven. De typische Nux-patiënt is eerder dun, schraal, vlug, actief, nerveus en prikkelbaar. Hij verricht veel geestelijke arbeid; heeft mentale overbelasting en leidt een zittend leven, zoals men ziet bij langdurig kantoorwerk, overmatige studie en onafgebroken toewijding aan zaken, met alle zorgen en angsten die daarmee gepaard gaan. Dit binnenleven en deze mentale inspanning doen hem naar prikkelmiddelen grijpen, koffie, wijn, mogelijk in overmaat; of hij hoopt zijn opwinding te bedaren door zich over te geven aan de sederende werking van tabak, als hij al niet werkelijk ten prooi is gevallen aan verleidelijke drugs, zoals opium, enz. Deze dingen gaan gepaard met andere uitspattingen: aan tafel neemt hij bij voorkeur rijk en prikkelend voedsel; en wijn en vrouwen dragen ertoe bij dat hij de ingespannen toewijding van de dag vergeet. Laat opblijven is het gevolg; een zwaar hoofd, dyspepsie en een prikkelbaar humeur zijn de erfenis van de volgende dag. Dan neemt hij een purgeermiddel, leverpillen of mineraalwater, en raakt spoedig gewend deze dingen te nemen, wat de toestand nog verder compliceert. Omdat mannen zich veel meer dan vrouwen aan deze zwakheden overgeven, is Nux bij uitstek een mannelijk middel (Br.).
Deze toestanden (zo-even genoemd) brengen een prikkelbaar zenuwstelsel voort, overgevoelig en al te impressionabel, dat Nux veel zal doen om te verzachten en te kalmeren (Br.).
Vooral aangepast aan spijsverteringsstoornissen, poortaderstuwing en hypochondrische toestanden die daarvan afhangen (Br.).
MISSELIJKHEID EN BRAKEN IEDERE MORGEN MET NEERSLACHTIGHEID (A.).
MISSELIJKHEID EN BRAKEN NA HET ETEN (Ars., Bry., Cocc., Puls.) (A.).
VOORTDURENDE MISSELIJKHEID (Ipec.) (A.).
De patiënt voelt: "Als ik maar kon braken, zou ik mij zoveel beter voelen." (A.).
Druk in de maag een of twee uur na het eten (A.).
Druk alsof er een steen in de maag ligt (Bry., Puls.) (A.).
Gevoel van beklemming in het abdomen na een maaltijd; moet de kleding losmaken (A.).
Slaperig na de maaltijd (A.).
Flatulente opzetting na eten of drinken (Hr.).
Kan twee of drie uur na een maaltijd het verstand niet gebruiken (A.).
PYROSIS (Ars., Bar-C., Bry., Calc., Carb-V., Lyc., Mezer., Par., Petr., Puls., Sabad., Sang., Sil., Staph., Sulph., Verat.) (A.).
PIJN IN DE MAAG (GASTRALGIE) TWEE OF DRIE UUR NA HET ETEN (Anac., Con., Mag-M., Nat-P., Phos., Puls.) (K.).
ZURE OF BITTERE OPRISPINGEN (Bry., Chin., Puls., Sep., Sulph.) (A.).
OPKOMEN VAN WATER EN BITTERE VLOEISTOF UIT DE MAAG (Ra.).
Draaiduizeligheid door overmatig gebruik van koffie of sterke drank (Bt.).
Draaiduizeligheid met kortdurend verlies van bewustzijn (Cann-I., Kali-P., Sep.) (Br.).
Draaiduizeligheid, met neiging opzij te vallen (Calc., Cocc., Con., Puls., Sil.) (K.).
Mond en keelholte vol stinkende zweren (Bor., Kali-M., Merc., Nit-Ac.) (G.).
Mond droog en rauw, met bloederig speeksel (G.)
Zure smaak in de mond (Calc., Lyc., Sulph.) (G.).
Foetide geur uit de mond (Aur., Bapt., Carb-Ac., Kali-P., Lach.) (K.).
Tong dik wit beslagen (Ant-C., Kali-M., Puls.) (C.).
Scorbutisch tandvlees (Ars., Nat-M.,) (C.).
Keel rauw, pijnlijk, ruw, alsof geschraapt (Caust., Merc.) (C.)
Steken in het oor bij het slikken. Leverklachten ontstaan door drastische purgeermiddelen en allopathische dosering (Podo., Sulph.).
Geelzucht (Chin., Merc., Nat-S.) (B.).
VERGROTING VAN DE LEVER DOOR ALCOHOLISCHE EXCESSEN (Aur., Chin., Sulph.) (D.).
Stekende pijn en gevoeligheid in de lever (Hep., Lach., Merc., Sulph.) (D.).
Galsteenkoliek (Berb., Chel., Chin., Podo., Sep.) (B.).
Koliek met druk omhoog naar de borstkas (Arg-N.) (Ra.).
Flatulente koliek met aandrang tot stoelgang (Aloe, Coloc., Puls.) (D.).
Gevoel alsof de darmen tussen stenen worden samengeperst (Coloc.) (D.).
CONSTIPATIE, DOOR ONREGELMATIGHEID VAN DE PERISTALTISCHE BEWEGINGEN (D.).
AANHOUDENDE VERGEEFSE AANDRANG TOT STOELGANG (Sulph.) (D.).
Frequente, kleine, slijmerige of bloederige ontlastingen, met pijn laag in de rug en aandrang of tenesmus, onmiddellijk verlicht na de stoelgang (N.).
Onvolledige en onbevredigende stoelgangen (Alum., Mag-M., Sep.) (D.).
Gevoel alsof een deel van de ontlasting is achtergebleven (Ign.) (D.).
Jeukende aambeien, die de patiënt wakker houden (Sulph.) (D.).
BLOEDENDE AAMBEIEN, MET VERGEEFSE AANDRANG TOT STOELGANG (Lyc.) (D.).
Afwisselend constipatie en diarree (Aloe, Podo., Sulph., Verat.) (A.).
DYSENTERIE (Aloe, Merc., Sulph.) (K.).
Beklemde breuk (Coloc., Lyc.) (A.).
Pijnlijke, vergeefse pogingen om te urineren, met schaarse lozing en branden (Canth., Merc., Tereb.) (D.).
Strangurie (Bell., Canth., Clem., Con., Equiset., Merc-C., Puls., Sep.) (D.).
Nadruppelen van urine bij oude mensen door vergrote prostaat (Con., Hep., Lyc., Sep.) (D.).
PIJNLIJKE AANDRANG TOT URINEREN MET AANDRANG TOT STOELGANG (Alum., Canth., Dig., Kreos., Nat-M., Prun., Staph.) (K.).
Nierkoliek (Berb., Canth., Lyc., Mag-P., Ocim., Puls., Sep.,); pijn uitstralend naar de geslachtsorganen (Br.).
Urine komt druppelsgewijs, met branden en scheurende pijn in de urethra en blaashals (Canth., Puls.) (N.).
Kan 's avonds niet wakker blijven; valt lang voor bedtijd in slaap en ontwaakt om 3 of 4 uur 's morgens. (Bl.).
Valt bij het aanbreken van de dag in een dromerige slaap, waaruit hij moeilijk is te wekken, en klaagt dan veel en voelt zich moe en zwak (Bl.).
Neiging tot flauwvallen (Ign., Nux-M.), door geuren, na het eten, 's morgens en na elke wee (A.)
ZWAKTE EN VERLAMMING (Con., Kali-P., Plb., Sil.) (R.).
LINKSZIJDIGE VERLAMMING (Lach., Rhus-T.) (K.).
Verlamming na apoplexie (Bar-C., Phos.) (K.).
Verlamming met koude van het verlamde deel (Caust., Dulc., Plb.) (K.).
Convulsies bij behouden bewustzijn (Cina, Stram.) (K.).
KRAMPEN, MET TETANISCHE RIGIDITEIT VAN BIJNA ALLE SPIEREN, MET ONDERBREKINGEN VAN ENKELE MINUTEN, WAARIN DE SPIEREN ONTSPANNEN ZIJN (R.).
Convulsies opgewekt door de geringste aanraking of tocht (R.).
Opisthotonus, met onvermogen te bewegen, maar wil vastgehouden worden (R.).
Kaken slaan stijf dicht (B.).
Trismus of kaakklem (Bell., Cic., Hyper., Op., Strych.) (K.).
Moe, uitgeput gevoel 's morgens bij het ontwaken (D.).
Kan geen geluid, muziek, praten, sterke geuren of fel licht verdragen (Bell., Colch., Stram.) (C.).
GEWELDDADIGE (ZELFMOORDNEIGENDE) IMPULSEN (Ars., Merc., Nit-Ac.) (B.).
BOOS EN ONGEDULDIG; KAN PIJN NIET VERDRAGEN (B.).
Klachten na voortdurende geestelijke arbeid (N.).
Overgevoeligheid (Ign., Staph.) (N.).
Vindt overal iets op aan te merken en scheldt uit (Lyc., Sulph.) (C.).
Geeft nors antwoord (Cham.) (G.).
Lichtgeraakt (Ign., Puls., Staph.) (N.).
Slechtgehumeurd (Bell., Ign., Puls.) (C.).
Tegenzin om iets te doen of te zeggen (G.).
HATELIJKE, BOOSAARDIGE GEAARDHEID (Nit-Ac.) (N.).
TWISTZOEKEND, ZELFS TOT GEWELD TOE (Anac., Aur., Bry., Sulph.) (C.).
Tegenzin om iets te doen of te zeggen (Bry., Ign., Sep.) (G.).
Zelfs de geringste kwaal grijpt haar sterk aan (Acon., Cham., Ign.) (Br.).
Kan niet verdragen tegengesproken te worden (Aur., Bry., Cham., Hep., Nit-Ac.) (D.).
PRIKKELBAAR EN OPVLIEGEND (Sulph.) (D.).
Grote tegenzin tegen geestelijk werk (D.).
Katarrh door zitten op koude plaatsen of stenen treden (A.).
Katarrh, erger in een warme kamer en beter in de koude lucht (A.).
Hoofdpijn: erger 's morgens, door geestelijke inspanning, door bewegen in de open lucht, na het eten, of door wijn of koffie; beter in de warme kamer en door rustig te zitten of te liggen (N.).
Migraine, begint 's morgens, neemt in de loop van de dag toe en wordt tegen de avond milder; met wazig zien en zuur of bitter braken (Kali-B.) (G.).
GEVOEL ALSOF HET HOOFD ONMETELIJK VEEL GROTER WAS DAN HET LICHAAM; ZO GROOT ALS EEN KERK (Arg-N.) (G.).
Overdag lopende neus, 's nachts verstopt (N.).
Neusverstopping van zuigelingen (Am-C., Lyc., Samb.) (A.).
Droge coryza; erger 's nachts; neus volledig verstopt (Puls., Sticta) (Bt.).
Droge, harde hoest, met grote pijnlijkheid van het abdomen (Bry., Puls.) (G.).
Droge, afmattende hoest (Bry., Con., Sticta) (Bt.).
Fotofobie, veel erger 's morgens (C.).
Hoest veroorzaakt barstende hoofdpijn (Bry.) (Br.)
Krampachtige astma; de borstspieren worden star; grote angst en verstikkingsgevoel (Ars., Cupr., Lobel.).
Dyspneu bij hoesten, na het eten, bij het gaan liggen en door lopen; verlicht door oprispingen (Aur., Carb-V.) (K.).
Hartkloppingen na het eten of bij het gaan liggen na de maaltijd (C.).
Druk naar de geslachtsorganen vroeg in de morgen, in bed of tijdens een wandeling, met een gevoel van samentrekking van het abdomen (G.).
ELKE PIJN TIJDENS DE BARING VEROORZAAKT DRANG TOT DEFECEREN OF TOT URINEREN, VOORAL HET EERSTE (G.).
Veel pijn in de lendenstreek (Aesc., Calc., Rhus-T.) (Hm.).
Pijnloze injectie van het oogwit (ecchymosen) (N.).
Bloeddoorlopen ogen (Bell., Stram.) (B.).
VEEL PIJN IN DE ONDERRUG, DIE ERGER WORDT BIJ HET OMDRAAIEN IN BED (G.).
RUGPIJN, MOET RECHTOP GAAN ZITTEN OM ZICH IN BED OM TE DRAAIEN (N.).
Gemakkelijk opgewekte seksuele begeerte (Phos.) (Br.).
NACHTELIJKE ZAADLOZINGEN (Chin., Phos., Sulph.) (Hm.).
Hinderlijke erecties (Canth., Phos., Pic-Ac., Plat.) (K.).
Erecties ontbreken (impotentie) (Agn., Bar-C., Calad., Calc., Calc-S., Chin., Con., Lyc., Med., Phos., Sel., Sep., Sulph.) (K.).
Spermatorroe (Con., Phos-Ac.) (Br.).
Gonorroe met dunne of groenachtig-gele afscheiding (Merc., Nat-S., Puls.) (K.).
Zachte sjanker of chancroïde (Merc.) (F.).
Smegma vermeerderd (Canth., Caust., Sang., Sulph., Sumb.) (K.).
Slechte gevolgen van seksuele excessen (Phos-Ac.) (Br.).
Menstruatie zeer onregelmatig (Puls.) (Bt.).
Menstruatie te vroeg en te overvloedig, met zwakte en flauwteaanvallen (Bt.).
Catamenia vóór de tijd, en tamelijk te overvloedig, of te lang aanhoudend, met klachten bij het begin en blijvend nadat zij voorbij zijn (N.).
Foetide leucorroe, die het linnengoed geel kleurt (Ars., Kali-P., Nit-Ac., Sep.), met pijn in de uterus, alsof beurs (G.).
Ochtendmisselijkheid tijdens de zwangerschap (Puls., Sep.) (T.).
Dreigende miskraam (Caul., Sep.) (G.).
Pijn in de extremiteiten tijdens koorts (Bry., Eup-P., Rhus-T.) (K.).
Afkeer van koude of van koude lucht (Hep., Psor., Sil.) (A.).
Rilling om 10 of 11 uur 's morgens (Nat-M., Sulph.) (K.).
Kouwelijk bij de geringste beweging, door zich te ontbloten (Rhus-T.) (A.).
MOET IN ELK STADIUM VAN DE KOORTS BEDEKT ZIJN, D.W.Z. BIJ RILLING, HITTE OF ZWETEN (A.).
Grote rillerigheid en koude, met blauwe nagels, noch verminderd door de warmte van de kachel, noch door bedekking; meestal 's morgens (N.).
ANTICIPEREND KOORTSTYPE (Ars., Bry., Chin., Chin-Ars., Chin-S., Eup-P., Gamb., Ign., Nat-M., Sep.) (K.)
Grote hitte, hele lichaam brandend heet (Acon., Ars., Bell., Sulph.), en toch moet hij bedekt zijn, omdat de geringste ontbloting of beweging hem kouwelijk maakt (N.).
Het gezicht wordt rood en heet tijdens koorts (Bell., Stram.) (A.).
Zweet na middernacht en 's morgens (C.).
Zure transpiratie, slechts aan één zijde van het lichaam (Br.).
VERERGERING: 's morgens; spoedig na het ontwaken; na geestelijke inspanning; na het eten; om 3 uur 's morgens; door aanraking; om 10 of 11 uur 's morgens; door geluid; bij koud weer; door boosheid; door liggen; door ontbloting; door alcoholische dranken; na uitspattingen; door koffie; door overeten; en door gebruik van purgeermiddelen.
VERBETERING: 's avonds; in rust; bij vochtig, nat weer (Caust.); in een warme kamer; door bedekking; na stoelgang; na het laten van wind; door warmte; door warme dranken; door vrije ontlastingen; en door het losmaken van de kleding.
RELATIE: Complementair: Kali-C., Merc., Phos., Sep. en Sulph. (bij bijna alle ziekten).
N.B. Nux-V. werkt het best wanneer het 's nachts wordt gegeven, tijdens rust van geest en lichaam; Sulph. 's morgens.
Onverenigbaar met: Zinc. (mag niet vóór of na worden gebruikt).
Volgt goed na: Aloe, Ars., Ipec., Phos., Sep. en Sulph.
Wordt goed gevolgd door: Bry., Puls. en Sulph.
Gelijkend op: Anac., Bell., Bry., Canth., Caust., Cocc., Hydr., Ign., Lyc., Merc., Sep., Sulph., Thuj. en Zinc.
ANTIDOTA: Cocc., Coff. en Ign.