Coniinum
van John Henry Clarke — Woordenboek van de praktische Materia Medica
Conicine. Een alkaloïde uit Conium maculatum. C 8 H 17 N. Tinctuur.
Klinisch
Zware oogleden / Gehoorillusies / Hemiplegie / Gevoelloosheid / Verlamming van de tong / Duizeligheid / Gestoord zien
Kenmerken
Coniin is een gif dat in werkingsintensiteit met blauwzuur wedijvert. Het is vrij uitgebreid beproefd. Het veroorzaakt gevoelloosheid, musculaire verlamming, duizeligheid, stoornissen van het gezichtsvermogen, het gehoor en de tastzin, lethargie en overweldigende slaperigheid. Een gevoel alsof men de hele nacht is opgebleven, of na een braspartij. Kramp in de kuiten bij het opgaan van treden of bij het uittrekken van laarzen. Duizeligheid is > in de open lucht.
1. Geest
Kalm en rustig; traagheid van het denkproces. Onvermogen om te denken of de aandacht vast te houden. Bewusteloosheid.
2. Hoofd
Duizeligheid en verwardheid met prostratie > in de open lucht. Zwaarte, volheid en druk in het hoofd. De open lucht veroorzaakte pijn in de supraorbitale en cutane malaire zenuwen.
3. Ogen
Oogleden zwaar. Zien verward; voorwerpen lijken te zweven. Verblinding van het zien. Volledige blindheid. Voorwerpen lijken groot; men denkt zijn eigen neus als een vormeloze massa te zien.
4. Oren
Gehoor verzwakt; de oren voelen alsof zij met watten zijn dichtgestopt. Gehoorillusies.
6. Gezicht
Gezicht ingevallen, bleek. Gevoelloosheid van de spieren rond de kaken. Hoofd en gezicht zeer warm.
8. Mond
Tong bleek, verlamd en gevoelloos. Epitheel op vele plaatsen ontbloot, papillen zeer prominent. Hevig brandend gevoel in de mond. Ophoping van speeksel.
9. Keel
Schrapend gevoel in de keel.
11. Maag
Oprispingen; misselijkheid; braken.
12. Abdomen
Gerommel met opzetting van het abdomen. Neiging tot diarree.
17. Ademhalingsorganen
Stem dik; onduidelijke woorden bij het spreken. Bij de ademhaling vaak geeuwen.
20. Nek en rug
Krampachtige verdraaiing van de nek met spasmen van het gezicht die de mond spits optrekken. Pijn in de l. lumbale streek.
21. Ledematen
Zwaar gevoel in armen en benen, vooral in de l. arm.
22. Bovenste ledematen
Gevoelloosheid met tintelingen in de armen. Gespannen kramp in de spieren van de duimmuis met pijnlijke gewaarwording bij het krachtig adduceren van de duim. Handen blauwachtig, koud. Vochtigheid aan de vingertoppen. Vingers en handen nat.
23. Onderste ledematen
Gang onzeker; zwakte vooral duidelijk bij het uitgaan om te wandelen. Draagt het lichaam voorover. De benen voelden onafhankelijk, alsof zij zich om hem noch om iemand anders bekommerden. Kramp in de kuiten bij het opgaan van treden.