Apis
van John Henry Clarke — Woordenboek van de praktische Materia Medica
Apium-virus. Honingbijengif. N. O. Insecta. Tincturen worden bereid van de gehele bij; en van verdunningen van het gif met alcohol.
Klinisch
Abces / Enkels, zwelling van / Apoplexie / Astma / Blaas, aandoeningen van / Karbonkel / Sjanker / Constipatie; bij zuigelingen / Diarree / Difterie / Sectiewonden / Waterzucht / Oor, erysipelas van / Erysipelas / Erythema nodosum / Ogen, aandoeningen van; optische neuritis / Voeten, branden van / Gangreen / Jicht / Handen, zwelling van / Hart, aandoeningen van / Hittevlekken / Dienstmeisjesknie / Hydrocefalus / Hydrothorax / Verwondingen / Wisselkoorts / Irritatie / Jaloezie, gevolgen van / Gewrichten / synovitis / Nier, ziekte van Bright van / Schaamlippen, ontsteking van / Laryngitis / Lichen / Meningitis / Menstruatie, stoornissen van / Netelroos / Neus, roodheid van / Operaties, gevolgen van / Eierstokken, pijn in; ontsteking van; tumoren van / Panaritium / Pannus / Peritonitis / Flebitis / Pleuritis / Prostatitis / Prikwonden / Roodvonkexantheem bij zuigelingen / Rheumatisme / Scarlatina / Zelfbevlekking / Onderdrukte erupties, gevolgen van / Sycose / Syfilis / Keel, pijnlijk / Tong, oedeem van; ulceratie van / Luchtpijp, irritatie van / Tumoren / Tyfus / Urethritis / Urine, afwijkingen van / Vaccinatie / Spataderen / Variola / Wonden
Kenmerken
De welbekende gevolgen van een bijensteek . brandende, stekende, lancinerende pijn met overmatige zwelling . geven leidende sleutelkenmerken voor het gebruik ervan in een grote verscheidenheid van toestanden. Daarbij komt een grote gevoeligheid van het lichaamsoppervlak voor aanraking. Algemene pijnlijkheid: "elk haar doet pijn bij aanraking." Grote zwakte alsof hij hard gewerkt heeft; hij is gedwongen te gaan liggen. Vermoeid en beurs gevoel. Grote onrust en friemeligheid (de onrust van Arsen. komt meer voort uit mentale angst). Beven, rukken en trekkingen. De ene lichaamshelft vertoont trekkingen, de andere is mank of verlamd. Hemiplegie. Apis is meer een rechtszijdig middel; de symptomen verlopen van rechts naar links (Rhus van links naar rechts) en van boven naar beneden. In een onwillekeurige proving van Apis bij een vrouw (veertig jaar oud, sterk, blozend, vol habitus), die bijen hield en vaak gestoken werd zonder constitutioneel effect, werden de volgende duidelijke en eigenaardige symptomen af en toe waargenomen naast de beter bekende (New. Eng. Med. Gaz., nov. 1887): stijfheid van de onderkaak, weldra toenemend tot een gevoel van volledige fixatie. Deze stijfheid breidde zich uit naar tong en keel, waardoor spreken moeilijk en onverstaanbaar werd en een toestand van extreme ongemakkelijkheid ontstond; de stijfheid ging gepaard met een gevoel van vernauwing, dat met korte tussenpozen een enkele spastische kriebelhoest opwekte. Enige moeite met ademhalen, vooral bij de inademing. Deze symptomen gingen gepaard met een vreselijke onrust. Bij een latere gelegenheid was er dyspneu, het gezicht purper, het hoofd achterover geworpen. Dezelfde symptomen als hierboven keerden terug, maar de keel was meer gezwollen en de benauwdheid breidde zich onder het strottenhoofd uit tot in het bovenste deel van de long, dat weldra zeer pijnlijk en gevoelig werd. Een uur na de steek trad bij die gelegenheid een hevige hoest op. Zij scheen te worden opgewekt door het beklemmende gevoel in de keel, maar reikte tot de pijnlijke plek in de longen en veroorzaakte grote benauwdheid. Het was een diepe, harde, schelle hoest, die drie uur lang zonder onderbreking aanhield. Sporen van de hoest en pijnlijke gevoeligheid hielden maanden aan. Een ander symptoom was een onheilspellend spiertrekken van de extremiteiten, onder controle gebracht door hete voet- en handbaden. Ledum gaf vrijwel onmiddellijk verlichting van de ernstiger symptomen.
De brandsymptomen van Apis onderscheiden zich van die van Arsen. doordat zij < zijn door warmte. Het steken komt in vele ziekten en toestanden voor en veroorzaakt de "crie cérébrale" bij acute hydrocefalus en meningitis. Stekende pijnen in aambeien. "Roodheid en zwelling met stekende en brandende pijn in ogen, oogleden, oren, gelaat, lippen, tong, keel, anus, testikels." Oedeem van de keel kan gepaard gaan met stekende pijnen, maar als het geval verder gevorderd is, kan het volstrekt pijnloos zijn, en dan is het gevaarlijker. (Bapt. heeft pijnloosheid bij keelaandoeningen maar minder oedeem. Nash.)
Apis werkt traag en moet niet te snel worden veranderd. Toegenomen urinelozing toont dat het gunstig werkt. De waterzuchten van Apis worden gekenmerkt door een wasachtige tint van de huid, witachtig of gelig; doorschijnende zwelling van de oogleden; zakvormige zwelling onder de ogen; het lichaamsoppervlak pijnlijk, beurs of brandend. Bij cardiale waterzucht zwellen de voeten na het lopen op en zijn ondraaglijk pijnlijk en brandend. Bij borstaandoeningen is er een gevoel van samentrekking (Lach.) en onvermogen om te gaan liggen. Spanning, zwelling en stijfheid van ledematen. Dit strakke gevoel uit zich in nog een symptoom: gevoel in de buik alsof iets straks zou breken als men zich te veel inspande om een harde stoelgang kwijt te raken. Afkeer van strakke dingen zoals Lach. Uitputting tot flauwte toe. Paralytische zwakte. Verlamming (na difterie en andere ernstige ziekten). Zenuwachtig, onrustig, overgevoelig; of warm en slaperig, met of zonder dorst. < Door aanraking of druk (hoewel het hoofd > is door druk). Hierin lijkt Apis op de Antimoniums, en het lijkt erop in gevoeligheid voor warmte, vooral voor verwarmde kamers (Puls., Iod., Kali iod., Camph., Secale, Sulph.); < door de warmte van het bed. Koud water >. Veel symptomen (ogen en borst) zijn < in de nacht, en de slaap wordt verstoord door doordringende kreten, of anders door jammeren en zeuren. < In de ochtend: slijm in de mond, onrust, diarree. < In de avond: erysipelas, duizeligheid, hoofdpijn, koude rillingen, koorts. Veel symptomen zijn < liggend, en > zittend.
Relaties
Vergelijk: Vespa en slangengiffen. Acet. ac. (waterzucht); Aco.; Anac. (urticaria); Apoc. can. (waterzucht); Arn. (beurse, pijnlijke toestanden); Ars. (tyfoid, gangreen, waterzuchten, scarlatina, urticaria, koude rillingen); Bell. (meningitis, keelpijn, erysipelas, scarlatina); Brom. (zwelling van eierstok tijdens de menstruatie); Bry. (meningitis, rheumatisme); Canth. (brandwonden, erysipelas, urinewegsymptomen); Chi.; Colch.; Crot. t. (urticaria); Euphras. (conjunctiva); Fer.; Graph.; Hep.; Hyo.; Iod. (synovitis); Lach.; Lyc.; Merc. Nat. ars.; Nat. mur. (koude rillingen, urticaria, spanning in de eierstokstreek) Puls.; Rhus (ogen; maar Apis heeft minder neiging tot ettering; vesiculeus erysipelas maar donkerder dan Apis en zich uitbreidend van links naar rechts . Apis van rechts naar links; tyfoid, onrust, maar Apis is meer friemeligheid); Rumex (pijnloze, groengele ochtenddiarree); Sabi.; Sep.; Silic. (eierstokaandoeningen met ingetrokken tepels; ulcus op de tong; gevolgen van vaccinatie); Urt. ur.; Zn. Antidota: tegen middelgrote doses en vergiftigingen; Nat. mur. in alle vormen; zoete olie; uien; Ammonia; Ipec., laag. (ook gepoederde Ipec. plaatselijk aangebracht) Lach.; Ledum. Het antidoteert: Canth., Iod., Chi., Dig. Het volgt goed op: Bry. (wanneer de cephalische kreet verschijnt); Helleb. (wanneer torpor intreedt); Iod., Hep., Merc., Lyc., Sul. Wordt goed gevolgd door: Graph. (tetter op oorlel); Kali bi. (scrofuleuze oftalmie); Arsen. (hydrothorax); Phos. (difterie); Stram. (manie); Lyc. (stafyloom); Sul. (hydrothorax, pleuritis, hydrocefalus); Iod. (gezwollen knie). Complementair: Nat. mur. (het "chronische" van Apis). Onverenigbaar: Rhus bij eruptieve ziekten.
Oorzaken
Verdriet. Schrik. Woede. Ergernis. Jaloezie. (De koninginbij is het jaloerste wezen in de natuur.) Slecht nieuws horen, geestelijke schok. Onderdrukte erupties.
1. Gemoed
De hersenen voelen verlamd aan. Tuberculeuze meningitis. Geheugenstoornis. Afwezig. Kan de gedachten niet concentreren. Onverschilligheid. Torpor en apathie. Onhandig, laat dingen vallen en lacht dwaas om het ongelukje. (De psychische symptomen zijn rijk aan bewusteloosheid, afwezigheid, geheugenvermindering en traag voortschrijden van ideeën.) Verlies van bewustzijn. Grote huilerigheid; kan het huilen niet laten. Kinderen jammeren voortdurend. Gilt, plotselinge kreet tijdens de slaap. Druk bezig, rusteloos, verandert voortdurend van bezigheid. Kan er niet tegen alleen gelaten te worden. Hysterie. Bij vrouwen: jaloezie; manie door seksuele prikkeling. Depressie, voelt alsof hij gaat sterven (zonder doodsangst). Delier, zacht mompelend. Delier, na onderdrukte roodvonkuitslag. Irritatie. Voorgevoel van de dood, denkt dat deze op het punt staat zich te voltrekken. Angst voor de dood; gevoel alsof hij niet opnieuw zou kunnen ademhalen. Angst vergiftigd te worden.
2. Hoofd
Duizeligheid: zittend, staand, liggend, bij het sluiten van de ogen; met misselijkheid en hoofdpijn. Congestie naar het hoofd, met onderdrukte menstruatie. Drukkende pijn in voorhoofd en slapen; < bij opstaan; in warm bed; > door het voorhoofd samen te drukken. De hersenen voelen vermoeid aan. Plotselinge stekende en prikachtige pijnen. Zeurende pijn in de l. slaap. Hydrocefalus bij kinderen, en apoplexie bij oude mensen. Hydrocefalus; hoofdhuid zeer gevoelig; overvloedig zweten van het hoofd; kind ligt in torpor, delirium onderbroken door schelle kreten, boort het hoofd diep in het kussen, rolt het van de ene zijde naar de andere. Convulsies aan de ene lichaamshelft, verlamming aan de andere; scheelzien, tandenknarsen, schaarse urine (melkachtig).
3. Ogen
Brandende, stekende, schietende, doordringende pijnen in en om de ogen. Zeurende pijn boven het r. oog, zich uitbreidend naar de r. oogbol. Trekkingen van de oogbollen. Stafyloom. Hoornvlies dik, met donkere, rokerige vlekken; grijsachtig, rokerig, troebel. Keratitis. Conjunctiva rood, chemotisch, oogleden naar buiten gekeerd. Gevoel van slijm in de ogen. Jeuk in de ogen en tranenvloed. Zwakte van de ogen, met pijn, fotofobie en verhoogde secreties. Verkleven van de oogleden. Oedemateuze zwelling van de oogleden; wallen onder de ogen; bovenste oogleden hangen als zakken over. Strontjes met stekende pijnen; rokerige duisternis voor de ogen.
4. Oren
Roodheid en zwelling van beide oren. Erysipelas; otitis na scarlatina; hardhorendheid.
5. Neus
Gezwollen, rood, oedemateus. Coryza, erger door warmte; chronische catarre met korstige neusgaten; poliep.
6. Gelaat
Oedemateuze zwelling van het gelaat; rood en heet, zo gezwollen dat het onherkenbaar is, met doordringende en brandende pijn; wasachtig, bleek. Blije gelaatsuitdrukking; of schrik; of apathie. Brandende, stekende hitte in het gelaat met purperen kleur. Erysipelas van het gelaat. Erysipelas van het gelaat, met koorts, beslagen tong. Erysipelas die van r. naar l. gaat (Rhus van l. naar r.). Kaken stijf, met stijve tong en onmogelijkheid verstaanbaar te spreken.
7. Tanden
Tandenknarsen; plotseling en onwillekeurig de tanden op elkaar bijten; bedekt met geel slijm of bruine sordes.
8. Mond
Lippen oedemateus; bovenlip gezwollen, heet en rood. Mond rood, brandend, stekend, als verbrand. Droogheid van tong, mond en keel; vurige roodheid van de mondholte, met pijnlijke gevoeligheid. Droge, gezwollen, ontstoken tong, met onvermogen te slikken. Witte, droge tong (met diarree). Tong: kan nauwelijks uitgestoken worden; hangt uit de mond; kanker van de tong. Gezwollen tong; glanzend. Randen met blaren; voelen alsof zij verbrand en geheel rauw zijn. Ulcus aan de l. rand (r. Silic., Thuj.). Tong gezwollen, droog, gebarsten, pijnlijk, geülcereerd of met blaasjes bedekt. Kleverig, taai, schuimig speeksel. Tandvlees zakvormig en ziet er waterig uit. Foetor van de adem, met hoofdpijn.
9. Keel
Keel ziet eruit alsof zij gestoken is. Droogheid in de keel met warmte, zonder dorst. Branden, steken in de keel. Erysipelateus. Glanzend rood als vernis. Ontsteking van de keel, met zwelling, roodheid en stekende pijnen. Geülcereerde keelpijn (bij roodvonk, wanneer de uitslag niet naar buiten komt). Difterische keelpijn geneest wanneer zich een roodvonkuitslag ontwikkelt. Keel van binnen en van buiten gezwollen; hees, gevoel van vernauwing; ademhalen en slikken moeilijk. Ulcera op de tonsillen, het gehemelte enz. Huig lang en waterzuchtig. Gevoel van een vreemd lichaam of visgraat in de keel; van vernauwing. Verlamming. Kleine, heldere, waterige blaasjes op het achterste deel van de keel.
11. Maag
Geen dorst bij de hitte. Dorsteloosheid (bij waterzucht). Braken van gal. Braken, met ontsteking van de maag. Braken, met diarree. Brandende hitte in de maag. Grote gevoeligheid van de maagkuil bij aanraking. Hevige pijn en gevoeligheid in de maagstreek.
12. Buik
Grote gevoeligheid van de buik voor aanraking. Pijnlijkheid van de ingewanden en buikwanden; 's ochtends bij niezen of erop drukken. Gevoeligheid van epigastrium en gehele buik voor aanraking; van de r. liesstreek; dwars over de onderbuik van ilium tot ilium. Pijn in de buik bij druk, aanraking en horizontale ligging, met gevoeligheid. Peritonitis. Erysipelas na kneuzing. Rommelen en meteoristische opzetting. Ascites en anasarca. Harde zwelling in de r. lies, langwerpig, zo groot als een komkommer. Lang bestaande liesbreuk. Invallen van de buikwanden bij meningitis infantum.
13. Ontlasting en anus
Gevoel van rauwheid in de anus, met diarree. Ontsnappen van flatus vóór de ontlasting. Diarree: tijdens koortsen; door hitte; bij verzwakte kinderen; door prikkelbaarheid van de hersenen (hydrocephaloid). Diarree, geelachtig-groen, met slijm, vooral in de ochtend. Ontlasting dun, waterig, geel, < in de ochtend; al dan niet stinkend. Ontlasting ruikt zeer beledigend. Diarree en braken. Diarree is overvloedig, zwartbruin, groen of witachtig; oranjekleurig; groenig, geel slijm; geel waterig; zacht en papperig, vermengd met serum; dun geel. Bij iedere lichaamsbeweging werken de darmen alsof hij geen kracht had. Onzekere anus; voortdurend open (tijdens het urineren), sijpelen van vloeistof (Phos., Phos. ac.). Zwelling van de anus. Aambeien, met stekende pijnen. Constipatie, met gevoel alsof iets zou breken als hij bleef persen. Ontlasting onwillekeurig en pijnloos, of pijnlijk met aandrang, olijfgroen, overvloedig en vol rode klonten als gehakte bieten; bloederig, pijnloos; ruikt koperachtig of als aas; zeer beledigend. Uitpuilende varices, die ondraaglijk steken, branden en schrijnen.
14. Urinewegen
Brandende pijnlijkheid bij het urineren. Strangurie. Pijn in de nierstreek; pijnlijkheid bij druk of bij bukken. Frequente aandrang, met lozing van slechts enkele druppels. Schaarse, sterk gekleurde urine; met dorsteloosheid. Incontinentie van urine door hoesten en andere omstandigheden. Urine onderdrukt. Te overvloedige urinelozing. Vaak en overvloedig urineren. Albuminurie bij scarlatina. (Toename van de urine onder Apis toont dat het geneesmiddel goed werkt.) Branden en steken in de urethra. Branden en schrijnen in de urethra alsof zij verbrand is. Blaas zeer pijnlijk, vaak tenesmus na het urineren. Urine vaak bloederig, melkachtig van uiterlijk; zeer donker en schuimig; zeer foetide; bezinksel roodbruin, als koffiedik.
15. Mannelijke geslachtsorganen
Geslachtsdrift toegenomen. Sjanker met stekende pijnen als bijensteken, en met een sterk ontstoken omgeving. Pijnen en zwellingen van testikels en prostaat. Waterzucht van scrotum en voorhuid; hydrocele.
16. Vrouwelijke geslachtsorganen
Amenorroe of menorragie. Ontsteking, induratie, zwelling en waterzucht van de eierstokken (r.). Zwaarte en pijn in beide eierstokstreken, overwegend rechtszijdig. De eierstokken voelen beter aan bij liggen op de r. zijde. Vergroting van de r. eierstok met pijn in de l. borststreek en hoest. Scherpe, snijdende, stekende pijn in de gezwollen (r.) eierstok; erger tijdens de menstruatie. Eierstoktumoren, met stekende pijnen als bijensteken. Metritis, peritonitis, met stekende, indringende pijnen. Drukkende pijn neerwaarts in de uterus. Neerdrukkend gevoel, met sensatie als voor de menstruatie. Waterzucht van de eierstokken (r.); waterzucht van de uterus. Verrekkingspijn in de l. eierstok. Menstruatie onderdrukt of verminderd, met congestie naar het hoofd. Weeënachtige, neerdrukkende pijnen, gevolgd door donker, bloederig slijm. Dreigende miskraam in de eerste maanden, met zwaarte van de buik, onrust en geeuwen. Abortus. Abortus gedurende de eerste maanden. Waterzucht in het laatste deel van de zwangerschap, gepaard gaand met puerperale convulsies. Ulceratie en stuwing van de baarmoedermond. Grote en pijnlijke zwelling van de schaamlippen, met hitte en stekende pijnen. Erysipelateuze ontsteking van de borsten. Zwelling en hardheid van de mammae, dreigend te ulcereren. Scirrhus of open kanker van de mammae, met stekende, brandende pijnen.
17. Ademhalingsorganen
Irritatie tot hoesten in de fossa suprasternalis. Heesheid. Heesheid in de ochtend. Ademhaling gejaagd en moeilijk (met koorts en hoofdpijn). Oedeem van de glottis. Astma; erger bij koud weer. Kroepachtige hoest. Hardnekkige nachthoest van 9 uur 's avonds tot 4 uur 's morgens. Hoest die zich moeilijk losmaakt, vóór middernacht uit de slaap wekt en ophoudt zodra het minste deeltje loskomt, dat wordt doorgeslikt. Gevoel van vernauwing dat met korte tussenpozen een enkele spastische kriebelhoest veroorzaakt. Hevige hoest, diep, hard, schel; onafgebroken gedurende drie uur; opgewekt door een beklemmend gevoel in de keel, maar reikend tot in de longen, waarvan het bovenste deel zeer pijnlijk en gevoelig is. Dyspneu; vooral moeilijke inademing.
18. Borst
Hydrothorax. Gevoel van pijnlijkheid in de borst, alsof zij gekneusd is. Beklemming van de borst, kortademigheid, vooral bij opstijgen; onvermogen in een warme kamer te blijven. Doffe, zeurende pijn in de l. zijde van de borst, nabij het midden van het sternum, met gevoel van volheid in de borst en korte adem. Ophoesten van overvloedig, doorschijnend, schuimig, bloederig slijm. Steken in de l. zijde van de borst en door de rug heen. Brandende, stekende pijn door de gehele voorzijde van de borst. Smeltend gevoel in de streek van het diafragma, als na hevig hardlopen. Elke schok van het hoesten veroorzaakt pijn in het hoofd en enige pijn door de borst, als vanuit het sleutelbeen; > nadat een kleine hoeveelheid slijm is losgekomen, of een grote hoeveelheid doorschijnend, schuimig en bloederig slijm wordt opgehoest.
19. Hart
Plotselinge pijn juist onder het hart, zich spoedig uitbreidend naar de r. borst, met verstikking. Zeer zwakke hartwerking; hevige slagen die het hele lichaam schudden; intermitterende slagen. Hartstreek gevoelig voor de minste druk; raspende geluiden van systole en diastole onmiskenbaar hoorbaar. Hartkloppingen door schaarse urineafscheiding, volkomen genezen door de natuurlijke hoeveelheid te herstellen. Pols: aan de pols bijna onvoelbaar; versneld en vol; zeer frequent en hard; draadachtig; onregelmatig en traag; intermitterend.
20. Rug
Reumatische pijn in rug en ledematen. Cerebrospinale meningitis.
22. Bovenste ledematen
Handen blauwachtig en geneigd koud te zijn. Oedeem van de handen. Gevoel van gevoelloosheid in de vingers, vooral aan de toppen rond de nagelwortels. Panaritium met branden, steken en bonzen, zeer gevoelig voor aanraking.
23. Onderste ledematen
Koude benen. Gevoel in de tenen en de hele voet alsof zij te groot zijn; gezwollen en stijf. Benen (enkels) en voeten wasachtig, bleek en oedemateus. Branden in de tenen met roodheid; voeten koud. Onderdrukte transpiratie van de voeten. Gevoelloosheid en koudheid van de voeten, zelfs verlamming. Waterzucht van de ledematen bij difterische albuminurie. Gezwollen, weekachtige zwelling van de knieën.
24. Algemeen
Grote zwakte, alsof hij hard gewerkt heeft; hij moet gaan liggen. Plotseling "opgezwollen raken" van het hele lichaam. Vermoeid, alsof elk ledemaat en vooral de rug gekneusd is, als na inspanning; erger bij opstaan na zitten. Volledige anasarca, geen dorst, bleek, wasachtig, bijna doorschijnend. Brandende, stekende pijnen, als bijensteken, die af en toe optreden. Grote gevoeligheid voor aanraking en druk (buik). Klonische en tonische spasmen. Plotselinge zwakte met koudheid. Spanning (boven de ogen in de l. zijde van het hoofd) achter de oren, in de nek. Donkere bloedingen.
25. Huid
Oedemateuze zwellingen. Huid gewoonlijk wit, bijna doorschijnend (waterzucht van de eierstokken). Galbulten. Urticaria als bijensteken of steken van andere insecten, met ondraaglijke jeuk 's nachts. Karbunkels, met brandende, stekende pijnen. Uitslag als netelroos over het hele lichaam. Erysipelas; met gangreneuze vlekken. Zwelling en droge erysipelateuze roodheid. Scharlakenrode erupties. Lichaam bedekt met grote, verheven, witte kwaddels. Panaritium (branden, steken). Furunkels en zwellingen van allerlei aard met stekende pijnen.
26. Slaap
Veel geeuwen. Grote neiging tot slapen; extreme slaperigheid. Slaap verstoord door vele dromen. Dromen vol zorg en inspanning; van lange reizen maken; van vliegen door de lucht; van hete stenen; van lopen over hete vloeren; van een lange weg lopen over natte wegen. Slaap, laat in de ochtend. Wordt uit de slaap wakker met een schrille gil (kind dat aan hydrocefalus lijdt).
27. Koorts
Pols vol en snel; klein en bevend; intermitterend. Koude rilling, meestal tegen de avond (3-4 uur namiddag). Rillerigheid bij de minste beweging, met hitte van gelaat en handen; trekt langs de rug naar beneden met grote uitputting. Tijdens het hete stadium min of meer hevige hoofdpijn; in het algemeen een voortdurende diepe slaap. Hitte met dorst, wil zich ontbloten. Droge hitte tegen de avond met slaperigheid. Zweetstadium ontbreekt of is slechts zeer licht aanwezig. Het hittegevoel wordt meer gevoeld rond de maagkuil en in de borst. Transpiratie, afwisselend met droogheid van de huid. Veel branden van de huid op verschillende lichaamsdelen. Dorst ontbreekt tijdens het zweten; kan wel of niet aanwezig zijn tijdens de hitte; altijd dorst tijdens de koude rilling. Zweet na beven en flauwte, daarna netelroos. Na de koortsparoxysme, slaap. Apyrexie: schaarse urine; gezwollen voeten; pijnlijke ledematen; onrust; urticaria.